日蘭辭典+

118 resultaten voor ‘hebben’
日蘭辭典 (trefwoord)
aogu仰ぐ
i.w. (1) [上を向く] opzien naar; zich wenden tot. (2) [敬ふ] opzien tot; eerbied hebben voor; hoogachten. (3) [賴る] vertrouwen op; zich verlaten op.
arekkiriあれっきり
bw. al; daarmee uit; sindsdien; sedert. ¶ 持って居るのはあれっきりだ dat is al wat ik heb. ¶ あれっきり參りません sedert (又は sindsdien) is hij nooit meer gekomen. ¶ あれっきりで他にはない daarmee is het uit; dat is al.
ariamaru有餘る
(有り余る) bn. overvloedig; i.w. overvloed hebben van; te veel hebben.
aru有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
atsugaru熱がる
(暑がる) t.w. last van de warmte hebben.
akiaki suru厭々する
(厭き厭きする) i.w. meer dan genoeg hebben van; walgen van; bn. vervelend; vervelend; stomvervelend.
akiru飽きる
i.w. (1) [滿腹] verzadigd zijn. (2) [厭ふ] genoeg hebben van. ¶ 世に厭きた levensmoede. ¶ 飽きる程 tot vervelens toe.
yamagi山氣
(山気) zn. dobbelzucht v. ¶ 山氣を出す neiging hebben om te speculeeren; lust hebben om te gokken. ¶ 山氣ある goklustig; geneigd om te speculeeren.
ya
zn. veld. ¶ 野に在る niet in gouvernementsdienst zijn; geen functie hebben. ¶ 野に下る uit dienst gaan; aftreden.
kan-zuru感ずる
(kanjiru, 感じる) t.& i.w. gevoelen; i.w. het gevoel hebben; den indruk hebben; bewogen worden door; den invloed ondergaan van; reageeren op. ¶ 空腹を感ずる honger hebben. ¶ 寒さを感ずる het koud hebben. ¶ 感ずる dankbaar zijn. ¶ 感ぜぬ ongevoelig voor. ¶ 刺激に感ずる reageeren op een prikkel.
nai無い
(ない) i.w. niet zijn; niet hebben. ¶ 無いも同樣 bijna niets; zoo goed als niets. ¶ 借金がない geen schulden hebben. ¶ もない niets hebben. ¶ ないよりもまし beter dan niets. ¶ 辭引なしで讀める kunnen lezen zonder woordenboek.
tashinamu嗜む
i.w. (1) [好む] houden van; smaak hebben voor; gevoel hebben voor. (2) [愼み] zich weten te beheerschen; zich beschaafd gedragen; bescheiden zijn; zedig zijn.
kan-suru官する
fuchi扶持
zn. bezoldiging (給金) v.; rantsoen (食料) o. ¶ 扶持にありつく een betrekking hebben; () een baantje hebben. ¶ 扶持に離れる zijn betrekking verliezen. ¶ 扶持する in het onderhoud voorzien. ¶ 扶持金 ondersteuning; onderstand; maandgeld. ¶ 扶持米 rantsoen.
iroke色氣
(色気) zn. (1) [色彩] kleur v. (2) [情慾] geslachtsdrift v.; zinnelijkheid v. ¶ 色氣ある verliefd; geil; heet. ¶ 色氣なき onnoozel. ¶ 色氣のないひとぢゃありませんか wat een dooje diender. ¶ 色氣附く den manbaren leeftijd bereikt hebben. ¶ 色氣拔きの宴會 feestmaal zonder geisha’s.
kan
zn. het gouvernement o.; regeering v.; ambt o. ¶ 官に就く ambtelijke betrekking hebben; ambtenaar zijn. ¶ 官の officieel; regeerings-.
kokorozashi
zn. (1) [意向] wil m.; meening v. (2) [意圖] bedoeling v. (3) [目的] doel o. (4) [親切] welwillendheid v.; vriendelijkheid v. (5) [贈物] geschenk o. ¶ 志を達する zijn doel bereiken; zijn wensch vervuld zien. ¶ 志を抱く een doel hebben. ¶ お志だけ澤山です ik neem gaarne den wil voor de daad.
naka

zn. verhouding v.; betrekking v. ¶ 深い intieme relatie; innige verhouding. ¶ 惡い oneenigheid hebben; kwestie hebben. ¶ よい bevriend zijn.

azukaru與る

(与る) i.w. deelnemen aan; te maken hebben met; bemoeienis hebben met. ¶ 馳走に與る deelnemen aan een maaltijd. ¶ 私の與り知ったことではありません het gaat mij niets aan; ik heb er niets mee te maken.

kōsetsu交接
zn. geslachtsgemeenschap v.; vleeschelijke gemeenschap. ¶ 交接不能 impotentie. ¶ 交接する geslachtsgemeenschap hebben; bijslaap uitoefenen; cohabiteeren.
koto

zn. (1) [事物] ding o.; voorwerp o. (2) [事件] zaak v.; aangelegenheid v. (3) [事實] feit o. (4) [出来事, 事變] voorval o.; gebeurtenis o. (5) [仕事] taak v. (6) [事情] omstandigheden v.mv. (7) [經驗] ondervinding v. ¶ の事 wat betreft..... ¶ 事なく zónder moeilijkheden. ¶ 事處に行った事があるか ben je daar wel eens geweest? ¶ 私の事ですか bedoel je mij?; moet je mij hebben? ¶ 一分の事で汽車に乘り遲れた ik was net één minuut te laat voor den trein. ¶ 事を缺く gebrek hebben aan.

kōtsū交通

zn. (1) [交際] omgang m.; verkeer o. (2) [通信] correspondentie v. (3) [通商] handel m.; handelsverkeer o. ¶ 交通の便 verkeersmiddelen; verbinding. ¶ 交通貿易 handel en verkeer. ¶ 交通遮斷 verbod van verkeer; quarantaine (船の). ¶ 交通する omgang hebben; verkeeren; in verbinding staan. ¶ 交通部 ministerie van verkeerswezen. ¶ 交通兵 communicatietroepen. ¶ 交通人員 aantal reizigers. ¶ 交通巡査 verkeersagent.

kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

kudasaru下さる

t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [依賴の意] zoo goed zijn om; zoo vriendelijk zijn; de welwillendheid hebben. (3) [敬意として] u verwaardigen; mij de eer aandoen; als het u belieft; geliefen. ¶ 何か下さい geef mij iets. ¶ 此金は私に下さるのですか is dit geld voor mij bestemd? ¶ 聞いて下さい luister eens. ¶ 今少しお待ち下さい wees zoo goed nog even te wachten.

kūfuku空腹

zn. leege maag v.; hongerige maag v.; honger m. ¶ 空腹を感じる honger hebben. ¶ 空腹な hongerig.

kuiaratameru悔改める

zn. berouw o. ¶ 悔改める berouw hebben; zijn leven beteren.

kuiru悔いる

t.w. berouwen; betreuren; i.w. berouw hebben over; spijt hebben.

kuitaranu食足らぬ

i.w. onverzadigd zijn; nooit genoeg hebben; onbevredigd zijn.

kuitsumeru食詰める

i.w. niet te eten hebben; broodeloos zijn.

kuiwakeru食分ける

i.w. kieskeurig zijn; een fijnen smaak hebben.

kusai臭い

bn. (1) [臭ある] stinkend. ¶ 臭い rijken naar; de lucht hebben van; lijken op; besmet zijn met. (2) [怪しい] verdacht. ¶ 酒臭い naar drank stinken. ¶ 臭い物に蓋をする in den doofpot doen. ¶ 學者臭い pedant; schoolmeesterachtig.

kusakusa suruくさくさする

i.w. zich gedrukt voelen; het land hebben; in de put zijn.

kuse

zn. (1) [習慣] gewoonte v. (2) [特性] eigenaardigheid v.; karaktertrek m. ¶ 癖を直す slechte gewoonte afwennen. ¶ 癖がつく zich aanwennen; de gewoonte krijgen. ¶ 癖がある gewoon zijn; gewend zijn; de gewoonte hebben. ¶ 癖直しをする zijn haar recht strijken. ¶ 癖髮 weerbarstig haar.

kuttaku屈託

zn. bezorgdheid v.; zorg v.; ergernis v. ¶ 屈託する zich bezorgd maken; zich ergeren; het land hebben.

kuyamu悔む

i.w. (1) [後悔] berouw hebben; spijt hebben. t.w. betreuren. i.w. (2) [弔意を表す] condoleeren; deelneming betuigen.

kyō

zn. vermaak o.; pleizier o.; genoegen o.; vroolijkheid v.; belangstelling (興味) v. ¶ 興を醒す het pleizier bederven. ¶ 興に入る pleizier krijgen; schik hebben; zich amuseeren. ¶ 仕事に興が乗る pleizier hebben in zijn werk; belangstellen in zijn werk. ¶ 興を催す aangenaam bezighouden; vermaken; amuseeren.

kyōgaru興がる
zokusuru屬する

(属する) i.w. behooren tot; vallen onder; ondergeschikt zijn aan; t.w. belasten met; opdragen; toevertrouwen. ¶ 我に屬する權利 mijne bevoegdheid. ¶ 英國に屬して居る onder Engelsch bewind staan. ¶ 望を屬する veel verwachting hebben van; vertrouwen stellen in.

zetsubō絶望

zn. wanhoop v.; vertwijfeling v. ¶ 絶望的 wanhopig; hopeloos. ¶ 絶望する die hoop opgeven; geen hoop meer hebben; wanhopen; vertwijfelen.

zayū座右

zn. onmisbaarheid v.; geregeld gebruik o. ¶ 座右の銘 levensregel; motto. ¶ 座右に備へる altijd bij de hand hebben.

zashoku坐職

zn. zittende betrekking v. ¶ 坐職する zittend leven leiden; zittende betrekking hebben.

zashiki座敷

zn. kamer v.; vertrek o.; zaal v. ¶ 座敷がたがい lang blijven. ¶ 座敷牢 huisarrest; kamerarrest. ¶ 座敷敷が掛かる door gasten geroepen zijn; dienst hebben.

yūsuru有する
yurumeru緩める

t.w. (1) [繩等を] losmaken; vieren. (2) [速力を] verlangzamen; vertragen. (3) [稀薄] verdunnen. ¶ 手を緩める loslaten; laten schieten; houvast verliezen. ¶ 心を緩める aandacht laten verslappen. ¶ 罰を緩める straf verlichten. ¶ 腹を緩める purgeeren; laxeeren. ¶ 手綱を緩める teugels vieren. ¶ 緩み verslapping; vertraging; vermindering van spanning; verlichting; verzachting. ¶ 緩む losraken; slapper worden; minder worden; vertraagd worden; verzacht worden. ¶ 腹が緩む loslijvig zijn; diarrhee hebben.

yūkō有效

(有効) zn. uitwerking v.; nuttig effect o.; waarde v. ¶ 有效になる uitwerking hebben; resultaat hebben. ¶ 有效な nuttig; effectief; van waarde; geldig; bruikbaar. ¶ 有效な契約 geldig contract. ¶ 有交期間 geldigheidsduur.

yukiki往來

(往来) zn. (1) [行交] verkeer o. (2) [交際] omgang m. ¶ 往來する komen en gaan; verkeeren; omgaan; omgang hebben.

yōzumi用濟

(用済) zn. afdoening van zaken. ¶ 用濟になる klaar komen; zijn zaken afgedaan hebben.

yoyū餘裕

(余裕) zn. (1) [餘地] overschot o.; overtolligheid v.; speling v. (2) [時間] tijd over. (3) [沈着] kalmte v.; bedaardheid v.; bezadigdheid v. ¶ 餘裕がある ruim berekend zijn; over hebben; er is nog ruimte; er is nog ruimschoots tijd (時間). ¶ 餘裕ある ruim berekend; ruimschootsch; overvloedig.

yō-suru要する

t.w. vereischen; noodig hebben; eischen. ¶ 時間を要する tijd nemen.

yōnashi用なし

zn. geen werk o.; niets te doen. ¶ 君にはもう用なしだ ik wil niets meer met je te maken hebben.

yonareru世馴れる

i.w. ervaring hebben; wereldwijs zijn.

yokoppara橫腹

(横腹) zn. zijde v. ¶ 橫腹が痛む pijn in de zij hebben.

yokaku豫覺

(予覚) zn. voorgevoel o. ¶ 豫覺する voorgevoel hebben.

yoka餘暇

(余暇) zn. vrije tijd m. ¶ 餘暇がない geen tijd over hebben.

zn. dag van de week. ¶ 何曜日ですか welken dag van de week hebben wij?

yakeru燒ける

(焼ける) i.w. (1) [燃燒] branden; verbranden. (2) [パンが] gebakken worden; geroosterd worden. (3) [焦げる] schroeien; verschroeien; verschroeid worden. (4) [變色] verschieten. (5) [日に焦げる] verbrand zijn. (6) [胸が] branderig gevoel hebben; maagvlam hebben. (7) [妬む] jaloersch zijn. (8) [空が] gloeien; in vlam staan. ¶ 眞赤に燒けた roodgloeiend.

wakibara脇腹

zn. zijde v. ¶ 脇腹が痛む pijn in de zij hebben.

wabiru侘びる

i.w. het land hebben; zich ongerust maken; niet op zijn gemak zijn; zich eenzaam voelen.

wadakamari

zn. (1) [疑ぐり] achterdocht v.; argwaan m. (2) [恨] wrok v. (3) [誤解] misverstand o. (4) [隔意] voorbehoud o. ¶ 心中に蟠がある iets op het hart hebben; verborgen bedoelingen hebben. ¶ 蟠る gekronkeld liggen (蛇が); gekoesterd worden (考が). ¶ 兩者の間に惡感情が蟠って居る zij koesteren wrok tegen elkaar.

ureruうれへる

i.w. (1) [憂へる] zich ongerust maken; bevreesd zijn; bezorgd zijn. (2) [愁へる] verdriet hebben; grieven. ¶ 行末を憂へる bezorgd zijn voor de toekomst.

ureru賣れる

(売れる) i.w. (1) [賣が良い] gewild zijn; vlot verkocht worden; veel gevraagd worden. (2) [賣却し得る] verkoopbaar zijn. (3) [顏が] goeden naam hebben; wel bekend zijn; populair zijn. (4) [或値に] verkoopbaar zijn voor. ¶ 五圓で賣れる verkoopbaar zijn voor vijf yen; vijf gulden halen.

uramuうらむ

i.w. (1) [怨む] wrok koesteren; vijandig gezind zijn; t.w. kwalijk nemen; haten. (2) [憾む] betreuren; i.w. spijt hebben. ¶ 無情を怨む zich ergeren over iemand’s hardvochtigheid. ¶ 機を失したるを恨む ik heb het land, dat ik de gelegenheid voorbij heb laten gaan.

un

zn. lot o.; geluk o.; fortuin v. ¶ 運が向く de fortuin lacht……toe; geluk hebben. ¶ 運が盡きる het is met……gedaan; de ster van zijn geluk is ondergegaan. ¶ 運を試す zijn geluk beproeven; een kansje wagen. ¶ 運惡く ongelukkig; ongelukkigerwijze; helaas. ¶ 運よく gelukkig; goddank. ¶ 運は天に在り ons lot is in Gods hand.

unasare魘れ

zn. nachtmerrie v. ¶ 魘される nachtmerrie hebben.

ukime憂目

zn. verdriet o.; ellende v.; leed o. ¶ 憂目を見る leed te dragen hebben. ¶ 憂目を忍ぶ smart dulden; leed verdragen.

ukemotsu受持つ

i.w. belast zijn met; de zorg hebben voor.

ueru餓ゑる

i.w. honger hebben; snakken naar; smachten naar. ¶ 餓ゑた hongerig; smachtend; uitgehongerd. ¶ 餓ゑては食を選ばず honger is de beste kok. ¶ 知識に餓ゑて居る dorsten naar kennis.

uchishioreru打萎れる

i.w. teleurgesteld zijn; (俗) in de put zijn; het land hebben.

tsūyō痛痒

zn. pijn en jeuk; belang (利害) o. ¶ 痛痒を感じない er niets van voelen; er geen belang bij hebben; zich er niet om bekommeren.

tsuru痙る

i.w. kramp hebben. ¶ 筋が痙る kramp in een spier hebben.

tsumu積む

t.w. (1) [積重ねる] opstapelen; ophoopen. (2) [積載] laden; inladen. (3) [蓄積] vergaren; verzamelen. (4) [貯蓄] sparen; op zij leggen; reserveeren. ¶ 年を積む oud worden. ¶ 練習を積む veel ervaring hebben.

tsumekiri詰切
tsumahajiki爪彈

(爪弾き) zn. vingerknip m.; (擯斥) verwerping v.; afkeer m. ¶ 爪彈する wegknippen; verwerpen; afkeer hebben van.

tsūkō通好

zn. vriendschappelijke omgang m.; gezellig verkeer o. ¶ 通好する omgang hebben; omgaan met.

tsukinomono月の物

zn. maandstonden v.mv.; stonden v.mv.; regels m.mv. ¶ 月の物を見る de regels hebben; menstrueeren.

tsukiau附合ふ

i.w. omgaan met; omgang hebben met; bevriend zijn met; gezelschap houden.

tsukeru附ける

(付ける) t.w. (1) [接合] bevestigen; hechten; vastmaken. i.w. (2) [裝ふ] uitrusten. t.w. (3) [尾行] volgen. (4) [値を] bieden. (5) [點火] aansteken. ¶ 身に附ける bij zich hebben. ¶ 鈕を附ける knoop aanzetten. ¶ ペン軸にペンを附ける pen in den penhouder steken. ¶ 帳面に附ける inboeken. ¶ 船を棧橋に著ける een schip langszij van de kade brengen. ¶ 煙草を附ける sigaar aansteken. ¶ 電燈を附ける licht aandraaien. ¶ 名を附ける naam geven, noemen. ¶ 人の後を附ける iemands spoor volgen. ¶ 氣を附ける aandacht vestigen; oppassen. ¶ 子供に財產を附ける kapitaal vastzetten op een kind. ¶ 道を附ける weg maken. ¶ 色を附ける kleuren. ¶ 値を附ける bieden voor.

tsukasa

zn. (1) [官廳] gouvernementsbureau o. (2) [官職] ambtsplicht v.; dienst m. (3) [長官] chef m.; hoofd o. ¶ 司人 ambtenaar. ¶ 司どる beheeren; belast zijn met; het beheer voeren; leiding hebben.

tsūji通じ

zn. (1) [便通] ontlasting v.; afgang m.; stoelgang m. (2) [感應] uitwerking v. ¶ 通じがある ontlasting hebben; afgaan. ¶ 通じが止まる geconstipeerd zijn. ¶ 通じ藥 purgeermiddel; laxeermiddel.

tsūjiru通じる

i.w. (1) [通過] passeeren; voorbijgaan. (2) [精通] grondig op de hoogte zijn; t.w. kennen. i.w. (3) [了解] verstaan worden; gangbaar zijn. (4) [姦通] onzedelijke betrekkingen hebben; liaison hebben. (5) [內應] in ’t geheim in verbinding staan t.w. (6) [通過さす] laten passeeren; doorlaten. (7) [連絡] verbinden. (8) [知らす] laten weten; bekend maken. ¶ 都市には鐵道が通じてゐます de voornaamste steden zijn door spoorwegen verbonden. ¶ 蘭語に通じる goed Hollandsch kennen. ¶ 英語の通じない處はない Engelsch wordt overal verstaan. ¶ 敵に通じる in geheime relatie staan met den vijand. ¶ 女と通じる scharrelen met een vrouw. ¶ 橋を通じる door een brug verbinden; brug slaan. ¶ 電流を通じる stroom sluiten. ¶ 意志を通じる bedoeling bekend maken. ¶ 電話が通じない de telefoon geeft geen gehoor.

tsugu繼ぐ

(継ぐ) t.w. (1) [繼承] erven. (2) [布を] lappen; naaien. (3) [取次ぐ] overschepen; aansluiting hebben. ¶ 皇位を繼ぐ opvolgen op den troon. ¶ 繩を繼ぐ touwen aan elkaar splitsen. ¶ 夜を日に繼いで dag en nacht onafgebroken. ¶ 炭を繼ぐ kolen op het vuur doen.

tsūgyō通曉

(通暁) zn. ervarenheid v.; grondige kennis v. ¶ 通曉する bedreven zijn; veel ervaring hebben; grondig kennen. ¶ 通曉せる ervaren; bedreven; deskundig.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kōkutsu後屈
zn., suru-ww. achterovergebogen; achterover buigen. ¶ 今日はヨガの後屈のポーズのおですKyō wa yoga no kōkutsu no pōzu no hanashi desu. Vandaag ga ik het hebben over houdingen in yoga waarbij je achteroverbuigt. ¶ 後屈のポーズには、全身のエネルギーを活性化して、自分でも気づかなかった感情と出会うがあります。 Kōkutsu no pōzu ni wa, zenshin no enerugī wo kasseikashite, jibun de mo kizukanakatta kanjō to deau toki ga arimasu. Bij achterovergebogen houdingen activeer je energie in je hele lichaam en zul je op momenten emoties tegenkomen waarvan je zelf niet eens wist dat je ze had. (blog) NB antoniem: zenkutsu 前屈

reitō冷凍
(znw, suru-ww) het koelen of invriezen van voedingsmiddelen en dergelijke om bederf tegen te gaan; 冷凍する reitōsuru koelen; invriezen. ¶ 冷凍庫 reitōko vriezer; vriesvak. ¶ 冷凍 機 reitōki vriezer (specifiek de machine). ¶ 冷凍車 reitōsha koelwagen. ¶ 冷凍食品 reitō shokuhin diepvriesvoedsel; diepvriesproducten. ¶ 冷凍野菜 reitō yasai diepvriesgroenten. ¶ 冷凍食品は必ず解凍してから切って下さい。 Reitō shokuhin wa kanarazu kaitōshite kara kitte kudasai. Bevroren voedsel beslist pas snijden nadat het ontdooid is. (gebruiksaanwijzing) ¶ [Q] すみません凄くアホみたいな質問なんですけどいいですか・・・ 冷凍車っていつも冷凍機使う荷物ばかりじゃ無いですか? [A] ウチは常温で運ぶ荷物もありますよ [Q] Sumimasen, sugoku aho mitai na shitsumon nan desu kedo ii desu ka... Reitōsha tte itsumo reitōki tsukau nimotsu bakarai ja nai no desu ka? [A] Uchi wa jōon de hakobu nimotsu mo arumasu yo [Q] Neemt u me niet kwalijk, mag ik een vraag stellen die enorm stom lijkt? Vervoert de koelwagen altijd lading waarvoor de vriezer gebruikt wordt? [A] Wij hebben ook lading die op normale temperatuur vervoerd wordt. (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hebben>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ごわす gowasu (1) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (2) [hoff. variant van aru] zijn
ごんす gonsu (1) [hon. variant van kuru] komen; (2) [hon. variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (3) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (4) [hoff. variant van aru] zijn
アルバイトを雇う arubaitowoyatou een deeltijdwerker; deeltijder; parttimer in dienst nemen; hebben; een tijdelijke medewerker; medewerkster tewerkstellen
オルガスムに達する orugasumunitassuru een orgasme bereiken; krijgen; hebben; klaarkomen; [inform.] aan z'n gerief komen; [inform.] van de kruk afgaan
リードする riidosuru (1) leiden; de leiding nemen; het initiatief; voortouw nemen; [m.b.t. dans] leiden; aanvoeren; (2) [sportt.] de leiding nemen; hebben; aan kop gaan; komen; een voorsprong hebben; verkrijgen; (3) [honkb.] het als honkloper een meter van z'n honk afstaan
主演する shuensuru de hoofdrol spelen; hebben; hoofdrolspeler zijn; als ster optreden; schitteren
享受する kyoujusuru hebben; genieten; het genot hebben van; jouïsseren; beschikken over
享有する kyouyuusuru genieten; hebben; bezitten; beschikken over; [jur.] het genot hebben van
候ふ saurafu (1) dienen; bedienen; ten dienste staan; (2) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; zich bevinden; hebben; (3) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van iru] zijn; zich bevinden; (4) […さうらふ] [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van dearu]; (5) […さうらふ] [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsuitgang]
備える sonaeru (1) (zich) gereedmaken (voor); (zich) voorbereiden op; (zich) prepareren (voor); zich opmaken voor; (zich) schrap zetten; [form.] zich aangorden; voorbereidingen treffen (voor); toebereidselen maken (om); [veroud.] zich bereiden (tot); [i.h.b.] maatregelen nemen tegen; voorzorgsmaatregelen treffen (tegen); (2) voorzien (van); uitrusten (met); equiperen (met); outilleren (met); toerusten (met); [i.h.b.] installeren; [fig.] wapenen; (3) zich eigen maken; in het bezit zijn (van); hebben; bezitten; begiftigd zijn (met)
含む fukumu (1) bevatten; inhouden; insluiten; begrijpen; includeren; omvatten; behelzen; omvangen; impliceren; (2) [in z'n mond;in gedachten enz.] houden; koesteren; dragen; hebben; erop nahouden; (3) een zweem van … hebben
大口を叩く ooguchiwotataku een grote mond opzetten; hebben; aan grootspraak doen; opscheppen; pochen; snoeven
富む tomu rijk zijn (aan); vermogend zijn; welvoorzien zijn (van); een overvloed hebben van; een schat bezitten (aan; van); een grote hoeveelheid ~ hebben; een rijk(e) ~ hebben; goed voorzien zijn van; een grote dosis ~ hebben; vol zijn van; wemelen van; uitpuilen van
専攻する senkousuru als hoofdvak(ken) hebben; (als hoofdvak) studeren; zich specialiseren (in); zich speciaal toeleggen op
御座います gozaimasu (1) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; zich bevinden; hebben; (2) [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru]
御座る gozaru (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen; (8) [hoffelijkheidsvariant van aru;iru] zijn; hebben
所持する shojisuru bezitten; in bezit hebben; bij zich hebben; hebben; dragen; meedragen
所有する shoyuusuru hebben; bezitten; in bezit hebben; in bezit zijn van; beschikken over; houden; in handen hebben; in eigendom hebben; eigenaar zijn van
抱える kakaeru (1) in zijn armen houden; vasthouden; dragen; (2) inhuren; aannemen; (te verzorgen) hebben; (ten laste) hebben
抱く idaku (1) [子を] in de armen houden; hebben; omarmen; omhelzen; knuffelen; liefkozend aanhalen; (2) bij zichzelf voelen; [感情を] hebben; koesteren
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
挙げる ageru (1) [式を] houden; organizeren; vieren; (2) [例として] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; quoten; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (3) [腕を] opsteken; [頭を] oprichten; (4) [委員に] benoemen; aanstellen; (5) verenigen; samenbrengen; verenen; (6) [子を] krijgen; hebben; (7) arresteren; aanhouden; inrekenen; oppakken
挟む sashihasamu (1) inleggen; inbrengen; insteken; invoegen; inzetten; instoppen; tussenvoegen; tussenbrengen; ertussen leggen; tussenplaatsen; ertussen steken; [ぱんに] beleggen met; (2) [口を] storen; tussenbeide komen; onderbreken; zich mengen in; zich bemoeien met; zich inlaten met; (3) [疑いを] koesteren; hebben
携える tazusaeru (1) in de hand nemen; ter hand nemen; bij zich dragen; hebben; in z'n hand houden; (2) meenemen; vergezeld gaan van
擁する yousuru (1) in de armen houden; sluiten; omarmen; omhelzen; omvatten; (2) hebben; bezitten; beschikken over; in het bezit zijn van; (3) onder zich hebben; in dienst hebben; aanvoeren; leiding geven aan; (4) als leider aanstellen; erkennen; steunen; (5) omgeven; omringen
有する yuusuru hebben; beschikken over; in bezit hebben; bezitten; bevatten
u (1) [boeddh.] bhava; het bestaan; het zijn; (a) zijn; bestaan; hebben; (b) bestaanswereld; zijnswereld
yuu (1) bezit; (2) bestaan; existentie; (3) [volgend op getal] en nog eens; en daarenboven; (a) zijn; bestaan; (b) hebben; bezitten; (c) daarenboven; en meer; (d) [gebruikt als stopwoord of om het ritme te volmaken]
痛がる itagaru pijn lijden; hebben; ondervinden
紛失する funshitsusuru (1) zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; kwijtraken; ontbreken; mankeren; [Belg.N.] kwijtspelen; (2) verliezen; kwijtraken; niet (meer) hebben; moeten missen; kwijtmaken; zoekmaken; wegmaken
酔っている yotteiru dronken zijn; beneveld zijn; beschonken zijn; bezopen zijn; groggy zijn; afgeknoedeld zijn; buis; buizig zijn; niet capabel zijn; niet normaal zijn; buiten westen zijn; weg zijn; van de wereld zijn; topzwaar zijn; kachel zijn; mabok zijn; oremus zijn; boven zijn theewater zijn; tweemaal halfvol zijn; in de jenever; kroot; kroten zijn; van de kist zijn; behoorlijk op de hoogte zijn; in de derde hemel zijn; z'n tramontane kwijt zijn; dubbel zien; er een voor twee zien; z'n broeder gesproken hebben; een stuk in z'n kas; kraag; raap hebben; een bobbel; brommer; glaasje ophebben; de kachel aan hebben; een kas aan hebben; Schiedam in ’t oog hebben; een bom; bonk; brom inhebben; de vracht inhebben; ’m om hebben; het vast hebben; de rest hebben; de hondenziekte hebben; kalverknieën hebben; de hoogte hebben; de prins gesproken hebben; een snee in het; z'n oor hebben; een snee in de; z'n neus hebben; een snip in het oor hebben; een snip in de neus hebben; een snip aanhebben; ophebben; een snor weghebben; aanhebben; beethebben; hem staan hebben; natte voeten hebben; z'n zak vol hebben; z'n hoed staat op halfzeven; z'n kop is zwaarder dan z'n benen; het kompas is van de pen; met een dikke tong spreken; [euf.] geestelijk verheugd zijn; [euf.] in kennelijke staat (van dronkenschap) zijn; verkeren; [scherts.] in de Heer; Here zijn; [scherts.] zalig zijn; [volkst.] bekeeuwd zijn; [volkst.] blauw zijn; [volkst.] onder de keil zijn; [volkst.] keil zijn; [volkst.] lens zijn; [volkst.] in de neut zijn; [volkst.] voor pampus liggen; [inform.] zat zijn; [inform.] doorgezakt zijn; [inform.] in de lorum zijn; [inform.] in de olie zijn; [inform.] met een nat zeil lopen; thuiskomen; [inform.] tiereliere zijn; [inform.] te veel vergunning gebruikt hebben; [soldatent.] door de pagger gaan; [Belg.N.;spreekt.] patat zijn; [[Belg.N.] een pint te veel uit hebben; [w.g.] bepimpeld zijn; [w.g.] het hooi binnen hebben; [w.g.] een laars aan hebben; [w.g.] z'n laars vol hebben; [w.g.] een stuk in z'n laars hebben; [gew.] aangedraaid zijn; [gew.] bekaaid zijn; [gew.] berooid zijn; [gew.] jarig zijn; [gew.] keizer zijn; [gew.] de keizer; koning; paus; prins; reus gezien hebben; [gew.] de bocht hebben; [gew.] de bok (aan het touw) hebben; [gew.] een krul aan hebben; [gew.] een laag ophebben; [gew.] van de bruine weten; [gew.] glazen benen hebben; [gew.] (goed) gekleed zijn; [gew.] goed; zwaar geladen zijn; [gew.] het voor zijn kriek hebben; [gew.] over de neb stappen; [gew.] een reep aan; in 't oor hebben; [gew.] een schreef aan hebben; [gew.] een snee door de neus hebben; [gew.] soldaat zijn; [gew.] het; ze staan hebben; [gew.] het voor z'n ster hebben; [gew.] een streep ophebben; [gew.] teut zijn; [gew.] vis zijn; [gew.] door de vang zijn; [gew.] een veeg weg hebben; [Barg.] afgebrand zijn; [Barg.] kanis zijn; [Barg.] krom zijn; [Barg.] de brand hebben; [Barg.] de pruif hebben; [Barg.] sela zijn; [Barg.] sikker zijn; [Barg.] sop zijn; [Barg.] vet zijn
非難する;批難する hinansuru bekritiseren; kritiseren; kritiek hebben; uitoefenen; leveren op; commentaar geven; leveren; hebben op; afkeuren; veroordelen; aanmerkingen maken; hebben; blameren; berispen; laken; hekelen; gispen; kapittelen; verwijten; aan de kaak stellen; verketteren; wraken; [fig.] geselen
題する daisuru ~ als titel dragen; hebben; betiteld; getiteld zijn
飼う kau hebben; eropna houden; fokken; kweken; [鳩を] melken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.69 sec. jiten.nl: 84 treffers, warandict: 34 treffers (zoekopdracht: 'hebben'). 
2005-2026