RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hebben>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ごわす gowasu (1) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (2) [hoff. variant van aru] zijn
ごんす gonsu (1) [hon. variant van kuru] komen; (2) [hon. variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (3) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (4) [hoff. variant van aru] zijn
アルバイトを雇う arubaitowoyatou een deeltijdwerker; deeltijder; parttimer in dienst nemen; hebben; een tijdelijke medewerker; medewerkster tewerkstellen
オルガスムに達する orugasumunitassuru een orgasme bereiken; krijgen; hebben; klaarkomen; [inform.] aan z'n gerief komen; [inform.] van de kruk afgaan
リードする riidosuru (1) leiden; de leiding nemen; het initiatief; voortouw nemen; [m.b.t. dans] leiden; aanvoeren; (2) [sportt.] de leiding nemen; hebben; aan kop gaan; komen; een voorsprong hebben; verkrijgen; (3) [honkb.] het als honkloper een meter van z'n honk afstaan
主演する shuensuru de hoofdrol spelen; hebben; hoofdrolspeler zijn; als ster optreden; schitteren
享受する kyoujusuru hebben; genieten; het genot hebben van; jouïsseren; beschikken over
享有する kyouyuusuru genieten; hebben; bezitten; beschikken over; [jur.] het genot hebben van
候ふ saurafu (1) dienen; bedienen; ten dienste staan; (2) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; zich bevinden; hebben; (3) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van iru] zijn; zich bevinden; (4) […さうらふ] [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van dearu]; (5) […さうらふ] [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsuitgang]
備える sonaeru (1) (zich) gereedmaken (voor); (zich) voorbereiden op; (zich) prepareren (voor); zich opmaken voor; (zich) schrap zetten; [form.] zich aangorden; voorbereidingen treffen (voor); toebereidselen maken (om); [veroud.] zich bereiden (tot); [i.h.b.] maatregelen nemen tegen; voorzorgsmaatregelen treffen (tegen); (2) voorzien (van); uitrusten (met); equiperen (met); outilleren (met); toerusten (met); [i.h.b.] installeren; [fig.] wapenen; (3) zich eigen maken; in het bezit zijn (van); hebben; bezitten; begiftigd zijn (met)
含む fukumu (1) bevatten; inhouden; insluiten; begrijpen; includeren; omvatten; behelzen; omvangen; impliceren; (2) [in z'n mond;in gedachten enz.] houden; koesteren; dragen; hebben; erop nahouden; (3) een zweem van … hebben
大口を叩く ooguchiwotataku een grote mond opzetten; hebben; aan grootspraak doen; opscheppen; pochen; snoeven
富む tomu rijk zijn (aan); vermogend zijn; welvoorzien zijn (van); een overvloed hebben van; een schat bezitten (aan; van); een grote hoeveelheid ~ hebben; een rijk(e) ~ hebben; goed voorzien zijn van; een grote dosis ~ hebben; vol zijn van; wemelen van; uitpuilen van
専攻する senkousuru als hoofdvak(ken) hebben; (als hoofdvak) studeren; zich specialiseren (in); zich speciaal toeleggen op
御座います gozaimasu (1) [werkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; zich bevinden; hebben; (2) [hulpwerkwoordelijke hoffelijkheidsvariant van aru]
御座る gozaru (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen; (8) [hoffelijkheidsvariant van aru;iru] zijn; hebben
所持する shojisuru bezitten; in bezit hebben; bij zich hebben; hebben; dragen; meedragen
所有する shoyuusuru hebben; bezitten; in bezit hebben; in bezit zijn van; beschikken over; houden; in handen hebben; in eigendom hebben; eigenaar zijn van
抱える kakaeru (1) in zijn armen houden; vasthouden; dragen; (2) inhuren; aannemen; (te verzorgen) hebben; (ten laste) hebben
抱く idaku (1) [子を] in de armen houden; hebben; omarmen; omhelzen; knuffelen; liefkozend aanhalen; (2) bij zichzelf voelen; [感情を] hebben; koesteren
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
挙げる ageru (1) [式を] houden; organizeren; vieren; (2) [例として] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; quoten; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (3) [腕を] opsteken; [頭を] oprichten; (4) [委員に] benoemen; aanstellen; (5) verenigen; samenbrengen; verenen; (6) [子を] krijgen; hebben; (7) arresteren; aanhouden; inrekenen; oppakken
挟む sashihasamu (1) inleggen; inbrengen; insteken; invoegen; inzetten; instoppen; tussenvoegen; tussenbrengen; ertussen leggen; tussenplaatsen; ertussen steken; [ぱんに] beleggen met; (2) [口を] storen; tussenbeide komen; onderbreken; zich mengen in; zich bemoeien met; zich inlaten met; (3) [疑いを] koesteren; hebben
携える tazusaeru (1) in de hand nemen; ter hand nemen; bij zich dragen; hebben; in z'n hand houden; (2) meenemen; vergezeld gaan van
擁する yousuru (1) in de armen houden; sluiten; omarmen; omhelzen; omvatten; (2) hebben; bezitten; beschikken over; in het bezit zijn van; (3) onder zich hebben; in dienst hebben; aanvoeren; leiding geven aan; (4) als leider aanstellen; erkennen; steunen; (5) omgeven; omringen
有する yuusuru hebben; beschikken over; in bezit hebben; bezitten; bevatten
有 u (1) [boeddh.] bhava; het bestaan; het zijn; (a) zijn; bestaan; hebben; (b) bestaanswereld; zijnswereld
有 yuu (1) bezit; (2) bestaan; existentie; (3) [volgend op getal] en nog eens; en daarenboven; (a) zijn; bestaan; (b) hebben; bezitten; (c) daarenboven; en meer; (d) [gebruikt als stopwoord of om het ritme te volmaken]
痛がる itagaru pijn lijden; hebben; ondervinden
紛失する funshitsusuru (1) zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; kwijtraken; ontbreken; mankeren; [Belg.N.] kwijtspelen; (2) verliezen; kwijtraken; niet (meer) hebben; moeten missen; kwijtmaken; zoekmaken; wegmaken
酔っている yotteiru dronken zijn; beneveld zijn; beschonken zijn; bezopen zijn; groggy zijn; afgeknoedeld zijn; buis; buizig zijn; niet capabel zijn; niet normaal zijn; buiten westen zijn; weg zijn; van de wereld zijn; topzwaar zijn; kachel zijn; mabok zijn; oremus zijn; boven zijn theewater zijn; tweemaal halfvol zijn; in de jenever; kroot; kroten zijn; van de kist zijn; behoorlijk op de hoogte zijn; in de derde hemel zijn; z'n tramontane kwijt zijn; dubbel zien; er een voor twee zien; z'n broeder gesproken hebben; een stuk in z'n kas; kraag; raap hebben; een bobbel; brommer; glaasje ophebben; de kachel aan hebben; een kas aan hebben; Schiedam in ’t oog hebben; een bom; bonk; brom inhebben; de vracht inhebben; ’m om hebben; het vast hebben; de rest hebben; de hondenziekte hebben; kalverknieën hebben; de hoogte hebben; de prins gesproken hebben; een snee in het; z'n oor hebben; een snee in de; z'n neus hebben; een snip in het oor hebben; een snip in de neus hebben; een snip aanhebben; ophebben; een snor weghebben; aanhebben; beethebben; hem staan hebben; natte voeten hebben; z'n zak vol hebben; z'n hoed staat op halfzeven; z'n kop is zwaarder dan z'n benen; het kompas is van de pen; met een dikke tong spreken; [euf.] geestelijk verheugd zijn; [euf.] in kennelijke staat (van dronkenschap) zijn; verkeren; [scherts.] in de Heer; Here zijn; [scherts.] zalig zijn; [volkst.] bekeeuwd zijn; [volkst.] blauw zijn; [volkst.] onder de keil zijn; [volkst.] keil zijn; [volkst.] lens zijn; [volkst.] in de neut zijn; [volkst.] voor pampus liggen; [inform.] zat zijn; [inform.] doorgezakt zijn; [inform.] in de lorum zijn; [inform.] in de olie zijn; [inform.] met een nat zeil lopen; thuiskomen; [inform.] tiereliere zijn; [inform.] te veel vergunning gebruikt hebben; [soldatent.] door de pagger gaan; [Belg.N.;spreekt.] patat zijn; [[Belg.N.] een pint te veel uit hebben; [w.g.] bepimpeld zijn; [w.g.] het hooi binnen hebben; [w.g.] een laars aan hebben; [w.g.] z'n laars vol hebben; [w.g.] een stuk in z'n laars hebben; [gew.] aangedraaid zijn; [gew.] bekaaid zijn; [gew.] berooid zijn; [gew.] jarig zijn; [gew.] keizer zijn; [gew.] de keizer; koning; paus; prins; reus gezien hebben; [gew.] de bocht hebben; [gew.] de bok (aan het touw) hebben; [gew.] een krul aan hebben; [gew.] een laag ophebben; [gew.] van de bruine weten; [gew.] glazen benen hebben; [gew.] (goed) gekleed zijn; [gew.] goed; zwaar geladen zijn; [gew.] het voor zijn kriek hebben; [gew.] over de neb stappen; [gew.] een reep aan; in 't oor hebben; [gew.] een schreef aan hebben; [gew.] een snee door de neus hebben; [gew.] soldaat zijn; [gew.] het; ze staan hebben; [gew.] het voor z'n ster hebben; [gew.] een streep ophebben; [gew.] teut zijn; [gew.] vis zijn; [gew.] door de vang zijn; [gew.] een veeg weg hebben; [Barg.] afgebrand zijn; [Barg.] kanis zijn; [Barg.] krom zijn; [Barg.] de brand hebben; [Barg.] de pruif hebben; [Barg.] sela zijn; [Barg.] sikker zijn; [Barg.] sop zijn; [Barg.] vet zijn
非難する;批難する hinansuru bekritiseren; kritiseren; kritiek hebben; uitoefenen; leveren op; commentaar geven; leveren; hebben op; afkeuren; veroordelen; aanmerkingen maken; hebben; blameren; berispen; laken; hekelen; gispen; kapittelen; verwijten; aan de kaak stellen; verketteren; wraken; [fig.] geselen
題する daisuru ~ als titel dragen; hebben; betiteld; getiteld zijn
飼う kau hebben; eropna houden; fokken; kweken; [鳩を] melken