日蘭辭典+

164 resultaten voor ‘doen’
日蘭辭典 (trefwoord)
suruする
i.w. (1) [行ふ] handelen; t.w. doen. t.w. (2) [作る] maken i.w. (3) [價する] kosten.
amegafuru雨が降る
i.w. regenen. ¶ 拳骨の雨を降らす slagen doen regenen.
annai案內

(案内) zn. (1) [嚮導] geleide v.; voorlichting v. (2) [通知] inlichting v. (3) [招待] uitnoodiging v. (4) [熟知] bekendheid v. ¶ 貨物發送の案內をする mededeeliing doen van de verzending van goederen; de verzending van goederen adviseeren. ¶ 御案內の通り zoals u bekend is. ¶ 案內する geleiden; binnenleiden; den weg wijzen; uitnoodigen (招待). ¶ 案內狀 (通知書) kennisgeving; mededeeling; (招待狀) uitnoodiging; invitatie. (會員招集狀) convocatiebiljet; oproeping. ¶ 案內者 gids. ¶ 案內書 gids; handboek.

araidate洗立
(洗い立て) zn. onderzoek o.; navraag v. ¶ 洗立する onderzoek instellen; navraag doen; informaties inwinnen;
aratana新な
(新たな) bn. versch; nieuw. ¶ 新に opnieuw. ¶ 新にする vernieuwen; ververschen; opnieuw doen. ¶ 記憶に新なる所です het ligt nog versch in ons geheugen;
arau洗ふ
(洗う) t.w. (1) [洗ふ] wasschen. ¶ 身體を洗ふ zich wasschen. ¶ 汚點を洗ひ落す vlekken uitwasschen. (2) [調査] nagaan; onderzoek doen. ¶ 足を洗ふ het leven der zonde vaarwel zeggen; op het rechte pad terugkeeren;
atomawashi後廻し
(後回し) zn. uitstel o. ¶ 後廻しにする uitstellen; later doen.
aganau贖ふ
(贖う購う) t.w. boeten; boete doen voor; loskoopen; vrijkoopen. ¶ 罪を贖う zijn schuld boeten. ¶ 因人を贖う een gevangene loskoopen. ¶ 損害を贖う schade vergoeden.
aibiau步合ふ
i.w. tot een compromis komen; wederzijds concessies doen. N.B. Vergelijkbaar standaard Japans is 歩み寄る ‘ayumiyoru’, ( 広辞苑 (1992) 歩み寄る bet. 2「 …互いに譲歩し合う。折れ合う。」).
akinau商ふ
(商う) i.w. handelen in; zaken doen in; doen in. ¶ 陶器を商ふ doen in aardewerk.
yarakasuやらかす
(遣らかす) tw doen; begaan.
yarikata遣方
(遣り方) zn. manier om iets te doen; methode v.
yarikuchi遣口
(遣り口) zn. methode v.; manier om iets te doen.
yarisokonai遣損
(遣り損い) zn. mislukking v.; fout v.; vergissing v. ¶ 遣損ふ verkeerd doen; niet slagen.
yarisugiru遣過ぎる
(遣り過ぎる) t.w. te veel doen; te veel geven; i.w. te ver gaan.
yaritsukeru遣つける
(遣りつける) i.w. gewend zijn om te doen.
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
yasagashi家探
(家探し) zn. huiszoeking v. ¶ 家探しをする huiszoeking doen.
de
vw. en; wel ...... ; dus; toen. ¶ では行かなかった en toen ben ik niet gegaan. ¶ で何様しようと云ふのか wel, wat denk je nu te gaan doen?
yōji用事
zn. zaken. v.mv ¶ 用事ある zaken hebben; bezig zijn; wat te doen hebben.
waza
(技、伎) zn. (1) [所] daad v.; handeling v.; werk o. (2) [職業] beroep o. (3) [技術] kunstgreep m.; kunstje o. ¶ それ容易ではない het is geen gemakkelijke taak. ¶ 人間業とは思へない geen menschenwerk; wonder. ¶ 彼奴のしたに相違ない natuurlijk heeft hij dat gedaan.
itasu致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 致す zijn leven opofferen. ¶ は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
hataraku働く
i.w. (1) [勞働] arbeiden; werken. (2) [骨折る] zich inspannen. t.w. (3) [犯す] plegen; begaan; doen. ¶ 働いて居る aan het werk zijn. ¶ 生計の働く werken voor zijn brood. ¶ 惡事働く misdaden begaan.
kiseki奇蹟
(奇跡) zn. wonder o. ¶ 奇蹟を行ふ wonderen verrichten; wonderen doen. ¶ 奇蹟的 wonderbaarlijk.
mama
(まま) bw. (1) [其の儘] zooals het is; in den tegenwoordigen toestand. (2) [意の] naar verkiezen; zoals men wil. ¶ で met zijn schoenen aan. ¶ 聞いた話す vertellen zooals men het gehoord heeft. ¶ もとのである hetzelfde gebleven zijn; onveranderd zijn. ¶ 何卒其 derangeer u niet; blijft toch zitten. ¶ 思ふする doen wat men wil; zijn eigen zin doen. ¶ なるなら als ik mijn zin kreeg. ¶ そのにして置く het erbij laten; geen moeite doen het te veranderen.
iya嫌、厭
zn. afkeer m.; ergernis v.; verveling v. ¶ 嫌な onaangenaam; ergerlijk; vervelend. ¶ 嫌な stank. ¶ いやな天氣 beroerd weer. ¶ 嫌な beroerde vent; lamme vent. ¶ 厭になる iets moede zijn; het land hebben aan. ¶ 貸して呉れ嫌か leen me wat, of wil je het niet? ¶ 嫌ですよ laat dat toch!; je hindert me; niet doen!
owasu負はす
(負わす) t.w. (1) [擔はす] een ander doen dragen. (2) [負擔さす] beschuldigen; ten laste leggen. ¶ 傷を負はす wond toebregen.
mushikaesu蒸返す
(蒸し返す) t.w. opnieuw doen.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
kugyō苦行
zn. ascetisme o.; zelfkwelling v. ¶ 苦行する boete doen. ¶ 苦行者 asceet.
hatato礑と

bw. (1) [音] met een klap. (2) [突然] plotseling. [全然] geheel. ¶ 礑と實感する niet weten, wat te doen; uit het veld geslagen zijn.

funpatsu奮發

(奮発) zn. uiterste krachtsinspanning v. ¶ 奮發する zijn uiterste best doen.

kosasu來さす
t.w. laten komen; doen komen. [m.]
kotoba言葉

zn. (1) [言語] taal v.; woorden o.mv. (2) [語] woord o.; term v. (3) [地方語] dialect v. (4) [話] spraak v.; uitlating v.; opmerking v. (5) [言方] spreekwijze v.; uitdrukking v. ¶ 言葉通り woordelijk; letterlijk. ¶ 無益の言葉を費す woorden verspillen. ¶ 言葉を違へる zijn woord breken. ¶ 言葉を換へて云へば met andere woorden; m.a.w. ¶ 言葉を掛ける het woord richten; zich wenden. ¶ 言葉爭ひ woordenwisseling; redetwist. ¶ 言葉返し vinnig antwoord. ¶ 言葉書 uiteenzetting; epistel. ¶ 言葉敵 iemand om teegen te praten; aanspraak. ¶ 言質 eerewoord. ¶ 言質を與へる zijn woord verpanden. ¶ 言葉尻 verspreking. ¶ 言葉尻を取る iemand betrappen doordat hij zich verspreekt; iemand in zijn eigen woorden vangen. ¶ 言葉違へ inconsequentie; woordbreuk. ¶ 言葉違へをする zichzelf tegenspreken; inconsequent zijn; zich niet houden aan zijn woord; zijn woord breken. ¶ 言葉咎 critiek. ¶ 言葉添へをする een goed woordje doen. ¶ 言葉遣ひ uitdrukking; spreekwijze. ¶ 言葉多きは問少し holle vaten klinken het hardst; veel geschreeuw, weinig wol.

kowagarasu怖がらす

t.w. bang maken; doen schrikken. ¶ 恐がる lafbek; lafaard.

koyō小用

zn. kleine boodschap (小便) v. ¶ 小用する kleine boodschap doen.

kuitsubushi喰潰し

zn. parasiet m.; doodvreter m.; klaploooper m. ¶ 喰潰す parasiteeren; klaplooopen; niets doen voor den kost.

kujō苦情

zn. klacht v.; reden tot klagen. ¶ 苦情を言ふ zich beklagen; zijn beklag doen.

kureru暮れる

i.w. (1) [夜になる] donker worden; beginnen te schemeren. (2) [終る] ten einde loopen; eindigen; afloopen. ¶ 泪に暮れる in tranen zijn. ¶ 全く途方に暮れる niet meer weten, wat te doen; geen uitweg meer zien.

kurikaeshi繰返し
kurō苦勞

(苦労) zn. zorg (心配) v.; last m.; moeite v.; zware arbeid. ¶ 苦勞のない onbezorgd; luchthartig. ¶ 御苦勞樣でした dank voor uwe moeite. ¶ 苦勞する zich bezorgd maken; veel moeite doen; worstelen. ¶ 苦勞性の zwaar op de hand; pijnlijk nauwgezet.

kusai臭い

bn. (1) [臭ある] stinkend. ¶ 臭い rijken naar; de lucht hebben van; lijken op; besmet zijn met. (2) [怪しい] verdacht. ¶ 酒臭い naar drank stinken. ¶ 臭い物に蓋をする in den doofpot doen. ¶ 學者臭い pedant; schoolmeesterachtig.

kusarasu腐らす

t.w. bederven; doen rotten. ¶ 氣を腐らす ontmoedigd zijn; den moed laten zinken.

kussuru屈する

i.w. (1) [曲る] buigen. (2) [屈從] buigen; bukken; toegeven. t.w. (3) [曲げる] buigen. (4) [屈服さす] doen buigen; doen bukken; ten onder brengen; tot toegeven dwingen. ¶ 指を屈する op de vingers aftellen.

kutsugaeru覆る

i.w. omvallen; omgeworpen worden; omslaan (船が). ¶ 覆す omgooien; omverwerpen; doen omslaan (船を).

kuwadateru企てる

i.w. (1) [計畫] plan maken. t.w. (2) [實施] ondernemen; trachten; op touw zetten. i.w. poging doen. ¶ 陰謀を企てる samenspannen; booze plannen smeden.

kyōbai競賣

(競売) zn. vendutie; verkoop bij opbod; veiling v. ¶ 競賣する veilen; op vendutie doen. ¶ 競賣人 venduhouder.

kyōfu恐怖

zn. vrees v.; ontsteltenis v.; schrik m. ¶ 恐怖する bevreesd zijn; beangst zijn. ¶ 恐怖をす terroriseeren; bevreesd maken; doen ontstellen. ¶ 恐怖政治 schrikbewind.

kyōhon狂奔

zn. wilde jacht v. ¶ 狂奔する als een dolle rondloopen; wanhopige pogingen doen.

zōchō suru增徵する

(増徴する) i.w. extra heffing doen; belasting verzwaren.

zentai全體

(全体) zn. (1) [全部] geheel o.; al o.; totaal o. bw. (2) [元來] van nature; uit den aard der zaak; uiteraard. (3) [概して] over het algemeen; in algemeenen zin. ¶ 全體の volledig; totaal; al; geheel. ¶ 歐洲全體に in geheel Europa; overal in Europa. ¶ これで全體です dat is alles. ¶ 全體何が欲しいのだらう wat wil hij toch? ¶ 全體誰の許を受けてそんなことをした wie heeft je in godsnaam vergunning gegeven zoo iets te doen?

zenryoku全力

zn. alle macht v.; alle krachten v.mv. ¶ 全力を盡す zijn uiterste best doen; alle krachten inspannen. ¶ 全力を盡して met alle macht; met hart en ziel.

zendaku然諾

zn. toezegging v.; goedkeuring v.; belofte v. ¶ 然諾を重んずる woord houden; belofte gestand doen.

zen

zn. goedheid v.; het goede o. ¶ 善を行ふ het goede doen. ¶ 善は終に惡に勝つ het goede overwint op den duur; ten slotte wordt de deugd beloond. ¶ 善は急げ smeed het ijzer als het heet is. ¶ 惡に報ゆるに善を以てする kwaad met goed vergelden.

yuzuriai讓合
yuzuru讓る

(譲る) i.w. (1) [讓步] toegeven. (2) [劣る] de mindere zijn; zich gewonnen geven. t.w. (3) [讓渡] overdragen; afstaan. (4) [讓る] verkoopen. ¶ 位を讓る afstand doen van den troon. ¶ 權利を讓る rechten afstaan. ¶ 店を讓る winkel overdoen. ¶ 一歩讓らぬ geen duimbreed wijken. ¶ 誰にも讓らない bij niemand achterstaan.

yutaka

(豊) zn. overvloed m. ¶ 豐な overvloedig; rijk. ¶ 豐に暮す in goeden doen zijn; weelderig leven leiden.

yuu結ふ

t.w. binden; opbinden (髮を); doen opmaken. ¶ 自分で結ふ zelve het haar doen.

yūri游離

zn. afscheiding v.; isolatie v. ¶ 游離する vrijkomen; zich afscheiden. ¶ 游離せる鹽素 vrij chloor. ¶ 游離させる vrijlaten; doen vrijlaten; afscheiden; loslaten. ¶ 肉體を游離せる靈魂 geest, die niet meer aan het lichaam gebonden is.

yukkuriゆっくり

bw. langzaam; kalmpjes aan; op z'n gemak. ¶ ゆっくりする op zijn gemak doen; zich niet haasten.

yukikata行方

zn. manier van doen; handelwijze v.

yūho遊步

(遊歩) zn. wandeling v. ¶ 遊步する wandeling doen; omstappen. ¶ 遊步場 wandelterrein.

yūhi雄飛
yūfuku裕福

(裕福) zn. gegoedheid v. ¶ 裕福の gegoed; in goeden doen; gezeten. ¶ 裕福に暮す in goeden doen zijn; het goed kunnen doen.

yūbin郵便

zn. post v.; mail v. ¶ 郵便箱 brievenbus. ¶ 郵便物 mailstukken; poststukken. ¶ 留置郵便物 poste-restante. ¶ 郵便配達 bezorging van brieven. ¶ 郵便配達人 brievenbesteller; postbode. ¶ 郵便日時印 poststempel. ¶ 郵便爲替 postwissel. ¶ 郵便切手 postzegel. ¶ 郵便行囊 mailzak. ¶ 郵便局 postkantoor. ¶ 郵便列車 mailtrein. ¶ 郵便料金 frankeerkosten. ¶ 郵便船 mailboot. ¶ 郵便私書函 postbus. ¶ 手紙を郵便に出す een brief in de bus doen; brief op de post doen.

yubi

zn. vinger m.; teen (趾) m.; toon m. ¶ 指の尖 vingertoppen. ¶ 指でいぢる vingeren. ¶ 指さきで aanwijzen. ¶ 指を染める een poging doen; de hand aan de ploeg slaan. ¶ 指のある gevingerd.

yoyaku豫約

(予約) zn. toezegging v.; inteekening v. ¶ 豫約席 besproken plaatsen. ¶ 豫約する toezegging doen; zich vooraf verbinden; inteekenen. ¶ 豫約者 inteekenaar. ¶ 豫約簿 inteekenlijst.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

yosu止す

i.w. ophouden; uitscheiden; nalaten; niet meer doen; laten. ¶ 止せ laat dat!; niet doen!; doe dat niet; scheid ermee uit; houd op!

yoso餘所

(余所) zn. andere plaats v.; bw. elders; ergens anders. ¶ 餘所の van elders; ander. ¶ 餘所から van elders. ¶ 餘所へ行く ergens heengaan; uitgaan; weggaan. ¶ 餘所に見る zich er niets van aantrekken. ¶ 業務を餘所にする zijn werk niet doen; zijn plicht verzuimen.

yosooi

(装い) zn. toilet o.; costuum o.; aankleeding v. ¶ 男の裝をする zich als man verkleeden. ¶ 裝ふ zich voordoen als; voorwenden; doen alsof; zich verkleeden als; zich vermommen als. ¶ 無知を裝ふ doen alsof men van niets weet; zich van den domme houden.

yoron輿論

zn. openbare meening v.; publieke opinie v.; volkswil m. ¶ 輿論に訴へる beroep doen op de openbare meening.

yoroshiku宜しく

bw. behoorlijk. ¶ 宜しくと申す de groeten doen; complimenten doen. ¶ どうぞ宜しく doe mijn groeten.

yorokobashii喜ばしい
yōnashi用なし

zn. geen werk o.; niets te doen. ¶ 君にはもう用なしだ ik wil niets meer met je te maken hebben.

yoi好い

bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.

yōdai容態

zn. (1) [患者の] toestand m. (2) [容儀] houding v.; optreden o. ¶ 容態ぶる gewichtig doen; zich aanstellen. ¶ 容態振り gewichtigdoenerij; dikdoenerij; aanstellerij. ¶ 容態書 bulletin omtrent den toestand van den zieke; geneeskundig certificaat.

yōben用便

zn. afgang m.; stoelgang m.; ontlasting v. ¶ 用便する afgaan; behoeften doen.

(1) [用事] zaken v.mv. (2) [役] dienst m.; nut o. (3) [入費] kosten m.mv. ¶ 用を達する zaak afdoen. ¶ 何御用なのですか wat is er van uw dienst? ¶ お前は用がないのか heb je niets te doen? ¶ 用に立てる gebruik maken van. ¶ 用に立つ bruikbaar zijn; nuttig zijn. ¶ 家庭用 huishoudelijk gebruik. ¶ 用を足す zijn behoeften doen. ¶ 用なき (仕事の無い) niets te doen; vrij; (不用な) onnoodig; nutteloos.

yattsukeruやつつける
yo

zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此世 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 世を渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 世に厭ふ levensmoede zijn. ¶ 世に知られぬ onbekend. ¶ 世に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ 世を早くする jong sterven. ¶ 世が惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川の世に onder de regeering der Tokugawa's. ¶ 世を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 世に合ふ in de smaak vallen van het publiek.

yakudatsu役立つ
yaku

zn. (1) [官職] ambt o.; post v.; betrekking v. (2) [職務] taak v.; ambtsplicht v.; functie v.; werkkring m. (3) [芝居の] rol v. (4) [效用] nut o. ¶ 役に立つ nuttig; bruikbaar; geschikt. ¶ 役に立てる nuttig gebruik maken van. ¶ 役に立たぬ onbruikbaar; nutteloos; het geeft niets. ¶ 役を勤める functie vervullen; rol spelen; dienst doen als; fungeeren als.

yakikorosu燒殺す

(焼殺す) t.w. levend doen verbranden; den vuurdood doen sterven.

warawaseru笑はせる

t.w. aan ’t lachen maken; doen lachen; laten lachen.

uzuki

zn. tinteling v.; pijn v. ¶ 疼く pijn doen; tintelen; knagen.

uttae

zn. (1) [不平] klacht v. (2) [訴訟] geding o.; proces o. (3) [告訴] aanklacht v. (4) [訴願] verzoek o.; rekest o. ¶ 訴人 klager; aanklager; eischer. ¶ 訴を起す klacht indienen; eisch instellen; aanklacht doen.

uttederu打つて出る

i.w. uitval doen (軍勢が); zich candidaat stellen (候補として).

tsuyogaru强がる
tsuya

(艶) zn. glans m.; luister m. ¶ 艶を掛ける laten glanzen; doen glimmen. ¶ 艶ある glanzend; glimmend. ¶ 艶のある聲 welluidende stem; aangenaam geluid. ¶ 艶種 amourette (佛語). ¶ 光澤出しする glanzen; pollijsten. ¶ 艶革 verlakt leer. ¶ 艶革靴 lakschoenen. ¶ 艶消しの mat. ¶ 艶消硝子 matglas. ¶ 艶々した glanzend; helder; (顔色) frisch; gezond.

tsutsumu包む

t.w. (1) [くるむ] inpakken; wikkelen in. (2) [覆ふ] bedekken. (3) [圍む] omringen; omgeven. (4) [隱す] verbergen; verheimelijken; bemantelen. ¶ 紙で包む in papier pakken; met papier omwikkelen. ¶ 喉を包む een doek om den hals doen. ¶ 包まず zonder iets te verbergen; openhartig. ¶ 包まず白狀する volledige bekentenis afleggen.

tsutomaru勤まる

(勤まる) i.w. geschikt zijn voor; in staat zijn om het werk te doen.

tsurikomu釣込む

t.w. naar binnen sleuren; meelokken; verleiden om mee te doen; verlokken om binnen te komen.

tsumihoroboshi罪滅し

(罪滅ぼし) zn. boetedoening v. ¶ 罪滅しをする zijn schuld boeten; boete doen voor zijn zonden.

tsumeyoseru詰寄せる
tsumazuki躓き

zn. struikeling v.; misstap m. ¶ 躓く struikelen; misstap doen.

tsukamatsuru仕る

t.w. doen. ¶ 明晩參上可仕候 ik hoop u morgenavond een bezoek te brengen.

tsukai使

(使い) zn. boodschap v.; (使者) boodschapper m.; looper m.; bode m. & v. ¶ 使を以て per bode. ¶ 使をする boodschap doen. ¶ 使の者に御返事御渡し下され度候 verzoeke uw antwoord aan brenger mede te geven.

tsugunai

(償い) zn. vergoeding v.; schadeloosstelling v.; compensatie v.; indemniteit v.; boetedoening (贖罪) v.; zoengeld o. ¶ 償ふ vergoeden; schadeloosstellen; vergoeding geven; boete doen. ¶ 償ひ難き onherstelbaar; niet goed te maken. ¶ 損害を償ふ verlies vergoeden. ¶ 出費を償ふ de kosten dekken; zich bedruipen.

tsugu繼ぐ

(継ぐ) t.w. (1) [繼承] erven. (2) [布を] lappen; naaien. (3) [取次ぐ] overschepen; aansluiting hebben. ¶ 皇位を繼ぐ opvolgen op den troon. ¶ 繩を繼ぐ touwen aan elkaar splitsen. ¶ 夜を日に繼いで dag en nacht onafgebroken. ¶ 炭を繼ぐ kolen op het vuur doen.

tsugaeru番へる

(番える) t.w. bij elkaar doen passen. ¶ 言葉を番へる elkaar wederzijds iets beloven.

SUPPLEMENT (trefwoord)
ganbatte頑張って
Uitdr. Houd vol! Geef niet op! Zet door! Doorzetten! Volhouden! ¶ なら成功できるよ、がんばって。は見捨てない。 ♂ Jij kunt het echt wel, houd vol. Ik zal je niet in de steek laten. ¶ できるだけがんばってやってみます。Ik zal mijn uiterste best doen. ¶ はその難しい課題をがんばってやった。Hij bleef zijn best doen op die lastige lessen. ¶ 新しい仕事がんばってください。Zet hem op met je nieuwe baan / succes met je nieuwe baan.
zus, zuster

[de, zussen; zusters] (1.a.a) [oudere zus(ter); mijn [onze] zus(ter)] ane (beleefheid: geen of nederig; richting: geschikt voor benoemen van de eigen zuster tegen tweede persoon; over een derde persoons oudere zuster (niet erend, niet beleefd); over een oudere zuster in algemene zin). ¶ 回転いいAne wa atama no kaiten ga ii. Mijn zus is vlot van begrip. 料理先生にして習いました。 Ryōri wa ane wo sensei ni shite naraimashita. Mijn zus heeft me koken geleerd. (TTC) (1.a.b.) [oudere zus; jongedame; aanspreekvorm serveerster] 姉さん anesan (algemeen of neutraal beleefd).

(1.b) [oudere zus(ter), uw [hun] zus(ter); aanspreekvorm serveerster] 姉さん neesan; お姉さん oneesan (beleefdheid: erend of algemeen beleefd; richting: over tweede of derde persoons oudere zuster; binnen wij-groep over of naar de eigen oudere zuster; in algemene zin); おちゃん oneechan (idem, maar meer familiair of vertroetelend). NB met name onder en naar kinderen worden deze vormen ook gebruikt om in algemene zin naar oudere zussen te verwijzen. ¶ メアリーは遊園地で一人で泣いている男の子を見つけて、やさしくをかけた。「ねえぼくどうしたの? 迷子になっちゃったの? おちゃんが迷子センターに連れてってあげようか?」 Mearii wa yūenchi de hitori de naite iru otoko no ko wo mitsukete, yasashiku koe wo kaketa. ‘Nee, boku, dōshita no? Meigo ni nattyatta no? Oneechan ga meigo-sentā ni tsurete tte ageyō ka?’ In het pretpark vond Mary een huilend jongetje. Met zachte stem sprak ze: ‘Hee, jongetje, wat is er aan de hand? Ben je je ouders kwijt? Zal ik [lett. de oude zus] je naar de informatiebalie brengen [lett. zoekgeraakte-kinderen-afdeling]?’ (TTC)

(2.a) [jongere zusje/zuster, mijn [onze] zuster/zusje] imōto (beleefheid: geen of nederig; richting: geschikt voor benoemen van de eigen zuster tegen tweede persoon; over een derde persoons jongere zuster (niet erend, niet beleefd); over een jongere zuster in algemene zin). ¶ の咲子ですと年子で、受験生ですImōto no Sakiko desu. Boku to toshigo de, ima jukensei desu. Dit is mijn zusje Sakiko. Ze minder dan een jaar jonger dan ik en studeert nu voor haar toelatingsexamens. ¶ をパーティーに連れて行きます。 Imōto wo paatii ni tsurete ikimasu. Ik neem mijn zus mee naar het feestje. (TTC) NB in een wij-groep noemen oudere broers en zussen hun jongere zuster alleen bij naam (dit vloeit voort uit de hiërarchie), omgekeerd spreken jongere broers en zussen hun oudere zussen normaal gesproken als姉さん oneesan aan. (Miura)

(2.b) [jongere zusje/zus(ter), uw [hun] zusje/zus(ter)] さん imōtosan (beleefdheid: erend of algemeen beleefd; richting: over tweede of derde persoons jongere zuster, of in algemene zin). ¶ 今度さんを連れていらっしゃい。 Kondo wa imōtosan wo tsurete irasshai. Neem de volgende keer je zus mee. ¶ さんによろしくね。 Imōtosan ni yoroshiku ne. Doe de groetjes aan je zus. (TTC)

(3) [zusters, zussen, zusjes] shimai; [oudere zus en jongere broer] 姉弟 kyōdai;[oudere broer en jongere zus] 兄妹 kyōdai; [broer en zus] 兄姉 kyōdai; [broers of broer en zus] 兄弟 kyōdai.

(4) [verpleegster] 看護婦 kangofu; [verpleger m/v] 看護士 kangoshi.

(5) [non] 修道女 shūdōjo; 修道尼 shūdōni; 尼僧 nisō.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Minami Hiroshi╱De psychologie van Japanners 〈61:12-15〉南博『日本人の心理』
忍從精神を、徹底的に説いたこの修養書を、益軒は『訓』とよんだのである。ではどんな目にあっても「一體人間とはこんなものだと思い我慢して」、怒らないで居て、「得る心境達するには、どうしたらいいのか。それはあまり書いてない。とにかく我慢していればよいことがあるという、一種の結果論であって、それ以外理由はない。

Ninjū no seishin wo, tetteiteki ni toita kono shūyōsho wo, Ekiken wa, /Raku-Kun/ to yonda no de aru. De wa, donna me ni atte mo ‘ittai ni ningen to wa konna mono da to omoigamansite’, okoranaide ite, ‘raku wo eru’ shinkyō ni tassuru ni wa, dō shitara ii no ka. Sore wa amari kaite nai. Tonikaku gamanshite ireba yoi koto ga aru to yū, isshu no kekkaron de atte, sore igai ni riyū wa nai.

Het lesboek waarin Ekiken de geest van onderwerping grondig uitlegt heet /Instructies voor gemak/. Echter, wat moet je doen om voor elkaar moet krijgen dat je onder alle omstandigheden ‘dingen verdraagt met de gedachte dat mensen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’, en zonder je op te winden een gemoedstoestand van ‘gemak bereikt’? Dat schrijft hij niet echt. Hij zegt dat je iets goeds zult hebben wanneer je op een of andere manier volhoudt - een soort redenatie die uitgaat van de uitkomst, anders dan dat is er geen verklaring.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <doen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
さしゃる sasharu [honoratieve variant van suru] doen
さしゃる sasharu (1) [honoratieve variant van suru] doen; (2) doen doen; laten doen
さしゃんす sashansu [♀] [honoratieve variant van suru] doen
さしゃんす sashansu [honoratieve variant van suru] doen
さらす sarasu (1) [vulg.;bel.] doen; uitvoeren; uitspoken; flikkeren; (2) [vulg.;bel.] […さらす] [= uitgang die het voorgaande werkwoord vergrooft]
しゃる sharu [honoratieve variant van suru] doen
しゃんす shansu [♀] [honoratieve variant van suru] doen
せる seru (1) [causatief flexiemorfeem] doen; laten; ertoe brengen; maken dat; [i.h.b.] dwingen; (2) […せていただく;せてもらう] [flexiemorfeem dat de toegesprokene eert voor het mogen stellen van een handeling]; (3) […せられる;せたもう] [honoratief flexiemorfeem]
一服する ippukusuru (1) een kop thee drinken; nemen; [inform.] een bakkie doen; (2) eentje roken; een trekje nemen; doen; (3) kort onderbreken; adempauze nemen; een korte pauze inlassen; wat rust nemen; even rusten; [i.h.b.] een rookpauze; theepauze; koffiepauze inlassen; (4) [株式の買いが] kalm verlopen
仕出かす shidekasu [pej.] doen; begaan; bedrijven; aanrichten; uithalen; plegen
仕返し shikaeshi (1) het overdoen; het nog eens (beter) doen; (2) wraak; weerwraak; wraakneming; het wreken; vergelding; wedervergelding; revanche; represaille; retaliatie
shi (1) indiensttreding; ambtsvervulling; (a) indiensttreding; (b) doen; verrichten; (c) fonetisch teken met uitspraak "shi"
侵す okasu (1) [国を] binnenvallen; een inval doen in; binnendringen; [国境;領域を] schenden; (2) [権利を] inbreuk plegen; doen; maken op; krenken; schenden; aantasten; in z'n rechten benadelen; een aanslag doen op
動く ugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine;toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie;werkplaats]; een andere standplaats krijgen
叙述する jojutsusuru beschrijven; afschilderen; voorstellen; schetsen; verhalen; vertellen; een relaas geven; verslag geven; doen; een beeld tonen
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen;oren;mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd;plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; (6) versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
大好き;大好 daisuki dol (op); gek (op); verslingerd (aan); verzot (op); tuk (op); verkikkerd (op); weg (van); wild (van); stapel (op); houden van; dolgraag hebben; doen; heerlijk vinden; veel ophebben met; gepassioneerd zijn (voor); favoriet; lievelings-
好き suki (1) houden van; graag hebben; doen; (graag) lusten; leuk vinden; (graag) mogen; bevallen; aanspreken; gesteld zijn op; een …-liefhebber zijn; (2) favoriet; lievelings-; geliefkoosd; geliefd; (3) nieuwsgierig; excentriek; [i.h.b.] wellustig; (4) zoals men het wil; zo … men maar wil
小便をする shoubenwosuru urineren; wateren; plassen; een plas doen; een kleine boodschap doen; [euf.] plaatsmaken; zijn behoefte doen; [euf.;inform.] een kleintje doen; [kindert.] een plasje plegen; doen; [kindert.] een kleine bah doen; [kindert.] pipi doen; [♂;kindert.] piemelen; [inform.] pissen; [inform.] piesen; [inform.] sassen; [inform.] zijn water lozen; [scherts.;euf.] z'n uraten lozen; [inform.] zijn water aftappen; [gew.] z'n water afslaan; [inform.] de bloemetjes water geven; [gew.] even afzetten; [gew.] miegen; [gew.] mijgen; [jachtt.] pekelen; [vulg.] zeiken; [fig.;vulg.] de aardappels afgieten; [♂;volkst.] even naar het vlees kijken; [♂;volkst.] zijn zwager een hand geven; [♀;vulg.] de pruim uitwringen; [m.b.t. ongecastreerde katers] spuiten
巡回する junkaisuru een rondgang maken; doen; z'n ronde maken; doen; patrouilleren; [m.b.t. arts] visites afleggen
往診する oushinsuru een bezoek aan huis brengen; een huisbezoek afleggen; visites rijden; doen
従事する juujisuru zich bezighouden (met); doen; in dienst zijn bij; werkzaam zijn bij; in
恐怖心を抱かせる kyoufushinwoidakaseru schrik aanjagen; de daver op het lijf jagen; vrees inboezemen; afschrikken; doen; laten schrikken; verschrikken; bang maken
手術する shujutsusuru opereren; een operatie verrichten; doen; uitvoeren; operatief ingrijpen
手配する tehaisuru (1) een regeling treffen; maatregelen nemen; treffen; voorzieningen treffen; stappen ondernemen; doen; voorzorgen nemen; voorbereidingen treffen; schikkingen treffen; toebereidselen maken; zich voorbereiden; (2) opsporen; op de gezochtenlijst zetten
持ち切る mochikiru (1) blijven dragen; (2) alles dragen; (3) behouden; in stand houden; handhaven; doen; laten voortduren; (4) voortduren; aanhouden; (5) hét onderwerp van gesprek zijn; er de hele tijd over praten; over niets anders praten dan
持続する jizokusuru (1) voortduren; continueren; in stand blijven; aanhouden; duren; (2) doorgaan met; voortgaan met; gaande houden; voortzetten; [Belg.N.] verderzetten; (3) handhaven; doen; laten voortduren; in stand houden; aanhouden; continueren; laten blijven; onderhouden; bestendigen
振る舞う furumau (1) zich gedragen (als); … te werk gaan; (-ig) doen; zich … kwijten; (2) onthalen op; trakteren op; vermaken met; entertainen met; vergasten op
敢行する kankousuru (1) gedecideerd; vastberaden optreden; fors ingrijpen; (2) durven; aandurven; wagen; het lef hebben te; (3) uitvoeren; verrichten; doen; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; implementeren
施す hodokosu (1) geven; verlenen; [恩恵を] bewijzen; [注釈を] voorzien van; [面目を] aandoen; (2) uitvoeren; doen; [手段を] aanwenden; [策を] (onder)nemen; treffen; [洗礼を] toedienen
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.Gevoegd achter de ren'yōkei van een dōshi.
歩み出す ayumidasu een stap zetten; doen; het op een stappen zetten; beginnen te stappen
沈める shizumeru (1) tot zinken brengen; doen; laten zinken; kelderen; de grond in boren; (2) [身を~] zich onderuit laten zakken; (3) [身を~] zich verlagen tot; zich overgeven aan; zich ten prooi geven aan; (4) [bokssp.] vellen; neerslaan; tegen de vlakte slaan; (5) degraderen; (maatschappelijk) achteruitzetten; (6) verpanden; in pand geven; belenen
沿う sou (1) parallel lopen met; lopen langs; langs de rand gaan van; (2) volgen; in overeenstemming zijn met; overeenkomen met; in overeenkomst zijn met; sporen met; op één lijn zijn met; doen; zijn volgens ~
為さる nasaru (1) [honoratieve variant van suru en nasu] doen; verrichten; (2) […(お;ご)~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
為される nasareru (1) [honoratieve variant van suru en nasu] doen; verrichten; (2) […(お;ご)~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
為す;成す nasu (1) doen; bedrijven; begaan; plegen; beoefenen; verrichten; voeren; betrachten; (2) [van emoties: bang;boos;woest enz.] worden; (3) [fortuin;naam] maken; [zijn doel] verwezenlijken; vormen; uitmaken; (4) x tot y maken; er ~ van maken
su (1) zijn; bestaan; (2) zich voordoen; gebeuren; voorkomen; voorvallen; (3) doen; verrichten; bedrijven; (4) […~] doen; plegen; (5) in een bep. toestand brengen; maken tot; (6) […~] beschouwen; vinden; achten
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
申し上げる moushiageru (1) zeggen; verklaren; meedelen; betuigen; betonen; (2) doen; verrichten; [uitleg] geven; [een dienst] bewijzen
申す mousu (1) zeggen; heten; noemen; meedelen; kond doen van; (2) doen; verrichten; [politiek] bedrijven; (3) verzoeken; vragen (om)
知らせる shiraseru doen; laten weten; bekendmaken; boodschappen; waarschuwen; aankondigen; notificeren; notifiëren; inlichten; informeren; onderrichten (van); berichten; melden; aanmelden; mededelen; meedelen; vertellen; op de hoogte stellen (van); kenbaar maken; te kennen geven; [Belg.N.] verwittigen; in kennis stellen (van); ter kennis brengen (van); kennis geven (van); bericht geven; sturen; zenden; [lit.t.] kondschappen; [veroud.;lit.t.] konden; [arch.] kond doen; maken; aangifte doen (van); aangeven; verwittigen (over); rapporteren; aanzeggen; aanzegging; aanzeg doen
結う yuu (1) [髪を] opbinden; opsteken; opmaken; kappen; doen; (2) samenbinden; bijeenbinden; (3) verstellen; oplappen; hechten; boeten; (4) binden; verbinden; aaneenrijgen
致す itasu (1) doen; verrichten; (2) teweegbrengen; doen ontstaan; veroorzaken
芸をする geiwosuru [犬が] kunstjes vertonen; doen
行う okonau (1) doen; handelen; aanvangen; (2) zich gedragen; (3) uitvoeren; volbrengen; tot uitvoering brengen; toepassen; implementeren; verwezenlijken; effectueren; (4) [取り締まりを] uitoefenen; [法律を] opleggen; in werking stellen; doen uitvoeren; [研究を] voeren; leiden; bedrijven; (5) [会議;葬式;祭りを] houden; [儀式を] uitvoeren; opvoeren; vieren; celebreren; voltrekken
行動する koudousuru (1) handelen; doen; een daad verrichten; een daad stellen; optreden; in actie komen; optreden; (2) zich gedragen; een bepaald gedrag vertonen; op een welbepaalde manier handelen
観光する kankousuru bezienswaardigheden bezoeken; doen; aan sightseeing doen; sightseeën; een toeristische uitstap; trip maken; toeren
言いたいことを言う iitaikotowoiu vrijuit spreken; z’n zegje zeggen; doen; z’n mening zeggen
言い掛かりを付ける iigakariwotsukeru (1) valse beschuldigingen uiten; doen; (2) ruzie zoeken
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
諂う;諛う hetsurau slijmen; vleien; ophemelen; bewieroken; naar de mond praten; pluimstrijken; stroopsmeren; strooplikken; gatlikken; likken; aduleren; kruiperig zijn; doen; kruipen; in de gunst proberen te komen bij; een wit voetje proberen te halen bij; zoete broodjes bakken bij; aap; wat heb je mooie jongen spelen
貰う morau (1) krijgen; ontvangen; verkrijgen; bekomen; verwerven; behalen; boeken; scoren; in ontvangst nemen; winnen; [in zijn gezin] opnemen; [tot vrouw] nemen; tot zijn eigendom maken; [een infectie] opdoen; oplopen; (2) laten ~; doen ~; gedaan krijgen
質問する shitsumonsuru vragen; een vraag stellen; doen; ondervragen; interrogeren; [pol.] interpelleren
足す tasu (1) optellen; een optelling maken; (2) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (3) aanvullen; volledig maken; [form.] suppleren; [m.b.t. tekort] bijleggen; (4) zich kwijten van; doen; verrichten; uitvoeren; vervullen; volbrengen
蹂躙する juurinsuru (1) onder de voet lopen; (2) inbreuk plegen; doen; maken op; schenden; geweld aandoen; [fig.] met voeten treden; [fig.] vertrappen
遊ばす asubasu (1) [♀] [honoratieve variant van suru] doen; verrichten; (2) [♀] […お~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
遣らかす yarakasu (1) doen; flikken; begaan; bedrijven; plegen; (2) eten; nuttigen; (3) drinken; tot zich nemen
遣る yaru (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen;gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) [水を] gieten; begieten; water geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) bedriegen; (13) kastijden; doodslaan; (14) uithuwelijken; aan de man brengen; (15) nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) leven; een bestaan leiden; (17) doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen ; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) het doen; gemeenschap hebben; vrijen; (19) [een handeling doen;verrichten]; (20) [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (21) [drukt de beëindiging van een handeling uit;vaak vergezeld van een negatie]; (22) [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.71 sec. jiten.nl: 105 treffers, warandict: 59 treffers (zoekopdracht: 'doen'). 
2005-2026