日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘aftrekken’
日蘭辭典 (trefwoord)
hagasu剥がす
t.w. afscheuren.
uchisuteru打捨てる

t.w. aan zijn lot overlaten; i.w. zich niet bemoeien met; de handen aftrekken van; t.w. in eigen sop laten gaarkoken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aftrekken>
剥がす hagasu afhalen; losmaken; aftrekken; lostrekken; wegnemen; afstrippen; afritsen; afscheuren
剥ぎ取る hagitoru (1) wegnemen; afhalen; afnemen; ontnemen; ontdoen van; verwijderen; ontbloten; ontkleden; uitkleden; [皮を] van het vel ontdoen; onthuiden; villen; stropen; afstropen; afschillen; schillen; strippen; [壁紙を] afscheuren; (2) [衣服を] afrissen; rissen; afrukken; aftrekken; trekken van; beroven
剥ぐ;禿ぐ hagu (1) ontdoen van; afhalen; aftrekken; [皮を] villen; stropen; afstropen; [樹皮を] ontschorsen; [着物を] uittrekken; strippen; (2) [位を] ontzetten uit; beroven; ontnemen; benemen; depriveren
加減乗除 kagenjōjo [rekenk.] optellen; aftrekken; vermenigvuldigen en delen
千切る chigiru (1) verscheuren; aan flarden; stukken rijten; in repen scheuren; stukscheuren; (2) afscheuren; scheuren; afrijten; losrukken; losrijten; losscheuren; [m.b.t. bessen;druiven enz.] afristen; afplukken; aftrekken
天引きする tenbikisuru aftrekken; inhouden; in mindering brengen; eraf doen
引き剥がす hikihagasu afrukken; aftrekken; afscheuren; afstrippen; afritsen; krachtig afhalen; afstropen; afpellen; afrepen; afvillen
引き千切る hikichigiru afrukken; afscheuren; aftrekken; uitscheuren; uitrukken; uittrekken; verscheuren; [花を] plukken
引き取る hikitoru (1) terugnemen; (terug) overnemen; (2) vorderen; opvorderen; terugvorderen; terugeisen; reclameren; aanspraak maken op; claimen; opvragen; (3) zich belasten met; verantwoordelijkheid opnemen voor; onder z'n hoede nemen; zorgen voor; instaan voor; [話を] beantwoorden; antwoorden op; (4) [息を] sterven; z'n laatste adem(tocht) uitblazen; de laatste snik geven; de geest geven; (5) weggaan; zich terugtrekken; zich verwijderen; heengaan; verlaten; vertrekken; (6) [mil.] zich terugtrekken; aftrekken; de aftocht blazen; afrukken
引き算する;引算する hikizansuru aftrekken
引く hiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel;de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn;een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
引っ剥がす hippagasu afrukken; aftrekken; afscheuren; afstrippen; afritsen; krachtig afhalen; afstropen; afpellen; afrepen; afvillen
扱く koku (1) afristen; afrissen; aftrekken; afhalen; stropen; [葉を] ontbladeren; [稲を] hekelen; (2) oprollen; afrollen; opstropen; afstropen; (3) uittrekken; (4) slaan; ranselen; dorsen; (5) [力;技を] uitoefenen; gebruiken; aanwenden
抽出する chūshutsusuru aftrekken; extraheren; onttrekken; uitdistilleren; eruit halen
捲る mekuru (1) omdraaien; omkeren; omleggen; [ページを] omslaan; [本を] doorbladeren; doorlopen; doorkijken; (2) afhalen; wegnemen; weghalen; [カレンダーを] afscheuren; [床板を] uittrekken; [壁紙を] aftrekken; afristen
控除する kōjosuru aftrekken; inhouden; afhouden
撤退する tettaisuru (zich) terugtrekken; aftrekken; afdeinzen; een gebied ontruimen; zich evacueren
煎じる senjiru [茶を] zetten; bereiden; laten trekken; [薬を] afkoken; aftrekken
負ける makeru (1) verliezen; [sportt.] onderuitgaan (tegen); het afleggen tegen; een nederlaag lijden; klop krijgen; [i.h.b.] succumberen; [Belg.N.] de duimen leggen; het onderspit delven; in het stof bijten; in het zand bijten; aan het kortste eind trekken; [uitdr.] voorgaats gaan; [uitdr.;volkst.] de vellen krijgen; (2) zwichten; bezwijken voor; onderdoen voor; de mindere zijn van; achterstaan bij; toegeven aan; de wijste zijn; wijken voor; buigen; opzij gaan voor; zich onderwerpen; zich overgeven aan; zich neerleggen; (3) [vol uitslag enz.] komen te zitten; [uitslag e.d.] krijgen; reageren op; een fysieke reactie vertonen op; (4) afprijzen; de prijs verminderen; in prijs verlagen; korting geven; reductie geven; goedkoper geven; er wat afdoen; [x% van de prijs enz.] aftrekken; in mindering brengen; [i.h.b.] toegeven; extra geven; (5) door de vingers zien; oogluikend toelaten; over zijn kant laten gaan
退く shirizoku (1) zich terugtrekken; zich verwijderen; aftrekken; zich retireren; verlaten; (2) teruggaan; achteruitgaan; wijken; [fig.] toegeven
退陣する taijinsuru (1) (een kamp) opbreken; decamperen; aftrekken; (zich) terugtrekken; afrukken; (2) aftreden; ontslag nemen; uittreden; het veld ruimen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.62 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'aftrekken'). 
2005-2026