
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
atehazure・當外れ
(当て外れ) zn. mislukking v.; teleurstelling v.
yarisokonai・遣損
fukekka・不結果
zn. mislukking v.; fiasco o. ¶ 不結果の mislukt; niet geslaagd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <mislukking>
おじゃん ojan mislukking; flop
しくじり shikujiri (1) mislukking; afgang; flop; (2) blunder; miskleun; flater
不合格 fugōkaku (1) het falen; het zakken; het niet halen; mislukking; afwijzing; (2) diskwalificatie
不成功 fuseikō wansucces; mislukking
不調 fuchō (1) mislukking; fiasco; misser; echec; debacle; [fig.] schipbreuk; (2) slechte conditie; slechte staat; slecht gedisponeerd; niet comme il faut; niet op dreef; niet fit; niet lekker; anders dan anders; niet zoals gewoonlijk
叩き hataki (1) het slaan; het kloppen; het meppen; [i.h.b.] het stoffen; (2) stoffer; [i.h.b.] plumeau; (3) slechte kritiek; slechte reputatie; slechte naam; (4) mislukking; flop; (5) verlies; strop; (6) [sumō-jargon] het neersmijten van de tegenstander
失敗 shippai mislukking; misser; misslag; misgreep; vergissing; flop; afgang; sof; echec; fiasco; debâcle; bévue; blunder; flater; miskleun; stommiteit; [inform.] uitglijer; [Barg.] raggeling; [Barg.] zeperd
崩れ kuzure (1) afbrokkeling; verbrokkeling; afkalving; instorting; ineenstorting; ineenzakking; inzakking; inzinking; verval; erosie; collaps; val; ondergang; ruïne; bouwval; puin; (2) ontregeling; verwarring; (3) ontbinding; het uiteengaan; (4) [beurst.] crash; krach; ineenstorting; debacle; keldering; (5) [mil.] desintegratie; (6) voormalige …; aan lager wal geraakte …; … die op zijn; haar retour is; … wiens ster verbleekt is; … die heeft afgedaan; … die zijn; haar beste tijd heeft gehad; (7) -flop; -mislukking; -debacle; -fiasco; -puinhoop
引け hike (1) sluiting; beëindiging; einde van de werktijd; het verlaten (van school; bedrijf); terugkeer naar huis; [i.h.b.] het te bed gaan; (2) achterstand; verlies; nederlaag; mislukking; (3) [beurst.] beurssluiting; slotkoers; slotnotering; (4) gêne; bedeesdheid; schroom; verlegenheid; minderwaardigheidsgevoel; (5) weeffout; (6) reductie; korting; rabat
敗因 haīn oorzaak van de nederlaag; mislukking
決裂 ketsuretsu breuk; mislukking
流産 ryūzan (1) miskraam; misgeboorte; misdracht; ontijdige bevalling; [geneesk.] abortus; fausse couche; [inform.] misje; [Belg.N.;niet alg.] misval; [gew.] poedel; (2) mislukking; het falen; het niet-slagen
破局 hakyoku fiasco; mislukking; echec; ramp; catastrofe; calamiteit; cataclysme
破綻 hatan mislukking; fiasco; ineenstorting; instorting; [fig.] bankroet; [fig.] failliet
空振り karaburi (1) [honkb.;bokssp.] misslag; slag die niet raak is; (2) [fig.] slag in het water; vruchteloze inspanning; mislukking
立消え tachigie (1) voortijdige uitdoving; (2) het met een sisser aflopen; het afspringen; mislukking; het stranden
腐り kusari (1) verrotting; rotting; bederf; verval; ontbinding; verwording; (2) rot; (3) lusteloosheid; matheid; (4) mislukking; debacle; echec; fiasco
落 raku (a) val; daling; (b) [fig.] val; ineenstorting; (c) mislukking; verlies; uitval; het tekortschieten; (d) voltooiing; afloop; ontknoping; (e) nederzetting; (f) omheining; (g) ontspanning; relaxedheid; (h) [Skt.] transliteratie van raka रक
落第 rakudai (1) het sjezen; het zakken; het afleggen; (2) het zittenblijven; doublure; (3) het ongeschikt zijn; het ongekwalificeerd zijn; het incapabel zijn; het incompetent zijn; het onbekwaam zijn; mislukking
躓き tsumazuki (1) struikeling; misstap; verkeerde stap; (2) misstap; dwaling; fout; mislukking; fiasco
黒星 kuroboshi (1) zwarte stip; zwarte ronde plek; [m.b.t. typografie] zwarte ster (★); zwarte bol (●); (2) roos (van een schietschijf); (3) doel; doelwit; mikpunt; (4) pupil; (5) [sumō-jargon] verloren kamp; nederlaag [op een uitslagenbord;uitslagenblad doorgaans met het symbool ● weergegeven]; (6) [fig.] mislukking; blunder; het falen; (7) maîtresse; mekake die na verlating van haar minnaar terug bij haar ouders intrekt; (8) [Kioto-Osaka-regiolect] ex-prostituee; ex-courtisane
Tijd: 1.63 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'mislukking').
2005-2026
