
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kyoku・極
kotchō・骨頂
zn. toppunt o.
kyokuchi・極致
zn. toppunt o.; maximum o.; ideaal o. ¶ 美の極致 ideaal van schoonheid.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <toppunt>
ピーク pīku (1) piek; top; hoogste punt; spits; kruin; (2) [fig.] piek; toppunt; hoogtepunt; uitschieter; maximum; (3) Pieck; Peake
山 yama (1) berg; gebergte; beboste bergen; bergwoud; bergbos; [vliegert.] knots; (2) aardhoop; aardverhoging; terp; (kunstmatige) heuvel; ophoging; hoogte; [Mal.] boekit; (3) begraafplaats; kerkhof; tumulus; (keizerlijke) grafheuvel; grafterp; (4) mijn; kolenmijn; (5) hoop; stapel; tas; portie; [m.b.t. fruit] partij; [m.b.t. hooi] mijt; [m.b.t. steenslag] kits; [m.b.t. vlas] schelf; [m.b.t. slagroom] toef; zwelling (ten gevolge van een cauterisatiebehandeling); (6) top; bovendeel [bv. bol van een hoed;kop van een schroef;knop op een helm]; (7) hoogtepunt; climax; piek; uitschieter; spits; toppunt; apogeum; zenit; ontknoping [van een stuk]; apotheose; [m.b.t. vertoning] klapstuk; summum; culminatiepunt; keerpunt; uur van de waarheid; moment suprême; finest hour; momentum; beslissend ogenblik; het beste dat men kan doen; (8) wissel op de toekomst; speculatie; giswerk; gok [bv. op de gok blokken]; de sprong [wagen]; sprong in het duister; ongewisse; waagstuk; gissing; bluf; humbug; schijnvertoon; bombast; (9) hevigheid; intensiteit; ergheid; (10) massa; boel; bende; groot aantal; drom; menigte; (11) rots; toeverlaat; idool; voorbeeld; (12) praalwagen in de vorm van een berg; (13) valkuil om evers of herten te vangen; (14) lichtekooi; prostituee; (15) voorraadtekort [i.h.b. tekort aan levensmiddelen]; het uitverkocht zijn; het niet voorhanden zijn; (16) slangwoord voor "misdrijf"; (17) naam voor de Enryakuji 延暦寺 op de Hieizan 比叡山; [i.h.b.] de Hieizan; (18) [maatwoord voor bergen;en i.h.b. bergbossen en mijnen]; (19) [maatwoord voor een voorgeschotelde portie;stapeltje fruit enz.]; (a) berg-; wilde … [voorvoegsel aan een planten- of dierennaam dat aangeeft dat het de wilde variëteit of bergsoort van het grondwoord betreft]; (b) [schertsend;vrijwel betekenisloos achtervoegsel bij bepaalde werkwoorden en adjectieven;werd in de Edo-tijd onder bon-vivants gebruikt]
峠 tōge (1) (berg)kam; (berg)richel; (berg)rug; (berg)top; piek; col; [i.h.b.] bergpas; pas; (2) hoogtepunt; toppunt; keerpunt; piek; kritiek stadium; het ergste; het moeilijkste; [m.b.t. ziektetoestand] crisis; [m.b.t. ziektetoestand] acme
最中 monaka (1) midden; hart; binnenste; kern; (2) hoogtepunt; toppunt; climax; bloeitijd; bloeiperiode; beste tijd; (3) [cul.] twee ronde dunne knapperig gebakken rijstkoekjes met zoete bonenpasta ertussen
最高峰 saikōhō (1) hoogste berg; (2) [fig.] topfiguur; topper; prominente figuur; kopstuk; coryfee; sommiteit; de grootste …; (3) [fig.] toppunt; hoogtepunt
本番 honban (1) eigenlijke uitvoering; opvoering; [filmk.] echte opname; echte uitzending; (2) moment van de waarheid; wanneer het er echt op aan komt; (3) toppunt; hoogseizoen; volle bloei; (4) reële seks
極み kiwami toppunt; summum; uiterste; limiet; [Belg.N.] max
極度 kyokudo (1) hoogste graad; uiterste; extreem; maximum; (2) summum; hoogtepunt; toppunt; top; piek; zenit
極 kyoku (1) pool; (2) [fig.] hoogtepunt; toppunt; uiterste
灌頂 kanjō (1) [boeddh.] plechtige aanvaarding van de boeddha-staat door een bodhisattva; (2) [boeddh.] abhisheka [overkoepelende benaming voor drie soorten inwijdingen;initiaties in het Shingon-esoterisch boeddhisme]; (3) besprenkeling van de zerk bij een grafbezoek; (4) inwijding in de geheimenissen van een kunst [bv. waka;koto;Heike monogatari-voordrachtkunst]; (5) het eerste; het belangrijkste; toppunt; summum; (6) [boeddh.] gonfalon; neerhangende vaan; langwerpige banier; (7) [boeddh. priesterjargon] eigenzinnige; ongezeglijke vrouw
秀 ho (1) top; toppunt; summum; kruin; bovenrand; [波の] kam; (2) openbaarheid; tevoorschijn
絶頂 zetchō (1) top; hoogste punt; piek; spits; kruin; (2) toppunt; hoogtepunt; summum; zenit; hoogste niveau; maximum
至り itari (1) climax; hoogtepunt; toppunt; uiterste; (2) uitkomst; gevolg; resultaat; (3) aandacht; bezorgdheid; (4) eersteklas-; top-; (5) kritiek
至高 shikō (1) suprematie; summum; toppunt; piek; (2) [~の] opperst; opper-; hoogst; allerhoogst
重畳 chōjō (1) superpositie; het boven elkaar geplaatst-zijn; (2) summum; toppunt; apotheose; [Belg.N.] de max; (3) opgestapeld; opeengestapeld; op een stapel; opgehoopt; de ene over de andere; het een bovenop het ander; op elkaar gestapeld; geplaatst; (4) subliem; voortreffelijk; uitstekend; excellent; uitmuntend; schitterend; prachtig; grandioos
頂上 chōjō (1) top; kruin; apex; piek; spits; (2) hoogtepunt; toppunt; culminatiepunt; climax; summum; comble; zenit; apogeum; (3) top; hoogste echelon
頂点 chōten (1) toppunt; top; hoogste punt; kruin; apex; piek; spits; (2) hoogtepunt; toppunt; bekroning; culminatiepunt; climax; summum; zenit; moment suprême; apogeum; comble; (3) [wisk.] hoekpunt; [astron.] vertex
高潮 kōchō (1) hoogwater; vloed; hoog getijde; hoogtij; (2) hoogtepunt; toppunt; summum; climax
Tijd: 1.25 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'toppunt').
2005-2026
