日蘭辭典+

54 resultaten voor ‘punt’
日蘭辭典 (trefwoord)
abunaku危く
(危なく) bw. (1) [危險] gevaarlijk. (2) [殆ど] bijna; op het punt van. ¶ 危くなる gevaar loopen. ¶ 危くする op het spel zetten; wagen. ¶ 命を危くして met gevaar voor zijn leven; met levensgevaar.
ataerareta與へられた
(与えられた) bn. gegeven. ¶ 與へられた点 een gegeven punt.
yasaki矢先
zn. pijlpunt v. (間際) oogenblik o.; punt o. ¶ 外出しようとする矢先へが來た juist toen ik op het punt stond om uit te gaan kwam er bezoek.
araあら
zn. (1) [魚等の] afval v. (2) [缺點] gebrek o.; fout v.; zwakke punt v.
tokoro處、所

(処) (1) [場所] plaats v. (2) [住所] woonplaats v.; verblijfplaats v. (3) [位置] positie v. (4) [土地] streek v. (5) [] punt o. (6) [] ding o. (7) [] moment o. (8) [場合] gelegenheid v. ¶ hoewel. ¶ では voor zoover; in zooverre als. ¶ 僕の見るでは naar mijn oordeel; mijns inziens.

ichiri一理
zn. een zekere mate van redelijkheid; eenige grond m. ¶ 其れも一理ある daar is wel iets van aan.
shōbu勝負
zn. (1) [勝敗] overwinning of nederlaag; beslissing v. (2) [競技] wedkamp v.; wedstrijd m. ¶ 面白い勝負 spannende strijd. ¶ 勝負する zich met elkaar meten; wedstrijd houden. ¶ 勝負表 het aantal punten; de score (英語). ¶ 勝負なし onbesliste strijd. ¶ 勝負spel; wedstrijd; weddenschap.
gaiyō槪要
(概要) zn. samenvatting v.; kort overzicht v.; de voornaamste punten o.mv
chōgi長技
jakuten弱點

(弱点) zn. zwak punt o.; zwak o.; gebrek o.

tosshutsu suru突出する

i.w. uitpuiling v.; uitval (の) m. ¶ 突出眼 uitpuilende ogen. ¶ 突出する uitsteken; uitpuilen; uitspringen. ¶ 突出點 uitstekende punt.

giten疑點

(疑点) twijfelachtig punt o.

kōsho高所

zn. hoog punt o.; hoogte v.

kōten光點

(光点) zn. lichtend punt o.

kugiri句切り

zn. (1) [句讀] interpunctie v.; indeeling van zinnen. (2) [終結] einde v. ¶ 句切點 punt.

kyo

(虚) zn. (1)[弱點] zwak punt o. (2)[僞] leugen v. (3)[空虛] ledigheid v.

zettan舌端

zn. punt van de tong.

zetchō絶頂

zn. top m.; hoogste punt o.; toppunt o.

yowami弱味

zn. zwakte v.; zwakheid v.; het zwakke punt o.

yōten要點

(要点) zn. hoofdzaak v.; punt, waar het op aan komt. ¶ 要點を略述する beknopt samenvatten; hoofdinhoud in 't kort weergeven.

yōshō要衝

zn. strategisch punt o.

yōsho要處

(要処) zn. gewichtig punt o.

yōryō要領

zn. hoofdzaak v.; hoofdinhoud m.; punt, waar het op aan komt. ¶ 要領を得る ter zake dienend zijn. ¶ 要領を得た事を云ふ dingen zeggen, die van belang zijn. ¶ 要領を得ない vaag; niet ter zake dienende; niet duidelijk.

yōkō要項

zn. hoofdzaak v.; punt, waar het op aan komt.

tsukedokoro著所

(付け所) zn. punt o. ¶ 目の附所 gezichtspunt. ¶ 手の附所 punt van uitgang.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <punt>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ドット dotto (1) punt; (2) [comp.] dot; printpuntje; (3) polkadot; stippel; (4) [muz.] punt (achter een muzieknoot); (5) Dot
ポイント pointo (1) punt; cijfer; score; (2) [rekenk.] decimaalpunt; decimaalteken; komma; (3) punt; clou; pointe; essentie; kern; (4) [spoorw.] puntwissel; wissel; (5) [drukw.] punt; (6) [maatwoord voor punten]
マーク maaku (1) merk; teken; kenteken; merkteken; onderscheidingsteken; (2) merk; handelsmerk; (3) punt; cijfer
一項 ikkou een bepaling; clausule; punt; artikel; item; onderdeel
個所;箇所 kasho plek; plaats; punt
先っぽ sakippo tip; punt; top; uiteinde; spits; uiterste deel; gedeelte
saki (1) (puntig) uiteinde; eind; punt; spits; tip(je); top(je); [m.b.t. processie enz.] kop; hoofd; (2) toekomst; wat komen moet; wat te wachten staat; vooruitzicht; aspect; verschiet; wat de toekomst in petto heeft; [fig.] voorland; (3) vervolg; wat volgt; wat later komt; volgende gebeurtenis; (4) wat verder; wat voorop; (5) plaats van bestemming; -bestemming; (6) wederpartij; (onderhandelings)partner; de ander; (7) [attr.] vorig; voormalig; vroeger; voorgaand; voorafgaand
勝ち星 kachiboshi [sportt.] overwinning; zege; punt
区切り;句切り kugiri (1) eind; einde; (2) pauze; punt; (3) interpunctie; het interpungeren; punctuatie; (4) [maatwoord voor pauzes]
地点 chiten punt; plaats; plek
岬;崎;碕 misaki (1) kaap; voorgebergte; klip; (2) landpunt; landtong; hoek; nes; punt; [Mal.] tandjoeng
成績 seiseki resultaat; prestatie; uitslag; [als beoordeling van schoolwerk] (rapport)cijfer; punt; [m.b.t. wedstrijd] score; [sportt.;meton.] palmares; [i.h.b.] verdienste
dokoro (1) …(e) plek; …(e) punt; (2) streek waar veel …-productie is; (3) -waard(ig); de capaciteiten bezittend om … genoemd te worden; (4) [~ではない] verre van; allesbehalve; bijlange na niet; integendeel; niet het minst; laat staan; om nog maar te zwijgen over
最深部 saishinbu diepste plaats; plek; punt; deel
案件 anken (1) kwestie; zaak; geding; voorwerp van bespreking; (2) vraagpunt; discussiepunt; punt
se (1) ondiepte; wad; voord; voorde; (2) stroomversnelling; krachtige stroom; snelle vliet; (3) stroming; getijdestroming; (4) positie; situatie; (5) kans; gelegenheid; (6) aspect; punt
ten (1) punt; stip; stippel; [als decimaalteken] komma; [Lat.] punctum; (2) puntje; stipje; tittel; [op letterteken;veroud.] tip; (3) punctuatie; interpunctie; interpunctieteken; [taalk.;veroud.] sluitteken; (4) punt; waarderingspunt; waarderingscijfer; cijfer; [m.b.t. een Japans dichtwerk] waarderingsteken; (5) punten; score; [voetbal] doelpunt; treffer; [cricket;honkbal] run; (6) punt; kwestie; opzicht; standpunt; gezichtspunt; oogpunt; (7) [maatwoord voor punten;runs]; (8) [maatwoord voor stuks;artikelen]
mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
石突き ishizuki (1) [すてっき;傘;杖;ぴっけるの] metalen dop; punt; taats; beslag; (2) [槍;長刀の] uiteinde; kolf; (3) [きのこの] steelvoet; (4) [bouwk.] het leggen van de grondslag
ka (1) [boeddh.] vraagstuk; (2) [onderw.] vak; onderdeel; les; (3) [onderw.] afdeling; departement; onderzoekseenheid; sectie; vakgroep; [mil.] component; (4) item; punt; (5) [biol.] familie; (6) [jur.] onderdeel; punt van een aanklacht; onderdeel van een tenlastelegging; beschuldiging; (7) [Chin.gesch.] examenvak voor ambtenaren; examenstof; (8) [Barg.] strafblad; strafregister; eerdere veroordeling; (9) gat; hol; kuil; (a) onderverdeling; rang; soort; (b) [biol.] familie; (c) strafbaar feit; fout; schuld; (d) [theat.] het acteren
hashi (1) uiteinde; tip; top; punt; spits; eind; (2) kant; boord; rand; zoom; uithoek; uiterste; buitenrand; buitenkant; grens; (3) stukje; flard; snipper; splinter
箇条;個条 kajou item; post; punt; artikel; bepaling
fushi (1) [plantk.] knoop; nodus; [i.h.b.] stengelknoop; knorf; kwast; knoest; war; noest; kwar; knobbel; gewricht; gewrichtsknobbel; geleding; kneukel; knokkel; knokel; kluwen; knot; knoedel; (2) punt; plek; plaats; passage; locus; (3) moment; gewichtige gebeurtenis; tijdsgewricht; overgangspunt; sluitstuk; (4) [muz.] melodie; toon; noot; [muz.] passage; (5) intonatie; klemtoon; accent; (6) gedroogde bonito (Katsuwonus pelamis); (7) [maatwoord voor knopen;kneukels]
要点 youten hoofdpunt; kern; kernpunt; kardinaal punt; levenspunt; punctum saliens; hoofdzaak; hoofdgedachte; punt; hoofdinhoud; allerbelangrijkste; essentie; pointe; waar het om gaat; punt waarop alles aankomt
要領 youryou (1) hoofdpunt; kern; kernpunt; hoofdzaak; hoofdgedachte; punt; hoofdinhoud; allerbelangrijkste; essentie; pointe; waar het om gaat; (2) kneepje; het fijne; truc; handigheidje; slag
評点 hyouten cijfer; rapportcijfer; waarderingscijfer; punt
論点 ronten geschilpunt; twistpunt; vraagpunt; punt; argument; strijdvraag; kwestie
項目 koumoku (1) hoofd; hoofding; titel; (2) artikel; clausule; afzonderlijke bepaling in een contract; (3) item; artikel; punt; ingang; lemma; [予算~] post; (4) [maatwoord voor artikels;items]
kou (1) item; artikel; punt; [jur.] lid; rubriek; (2) [wisk.] term; element; (3) [anat.] achterkant van de nek; nucha; (a) nek; (b) item; punt; (c) [wisk.] term
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.58 sec. jiten.nl: 25 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'punt'). 
2005-2026