
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kamitsuku・噛附く
(噛みつく,噛つく、咬みつく、咬つく,噛付く) t.w. bijten.
tsume・爪
zn. (1) [人の] nagel m. (2) [禽獸の] klauw m. (3) [蹄] hoef m. ¶ 爪を咬む nagels bijten. ¶ 爪の垢ほどもない volstrekt niet; hoegenaamd niet. ¶ 爪切鋏 nagelschaar.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bijten>
噛み付く kamitsuku (1) aanbijten; bijten; toebijten; happen; snappen; een beet nemen; zijn tanden zetten in; (2) uitvallen tegen; afsnauwen; afbekken; afbijten; te lijf gaan; aanvliegen; [veroud.;inform.] afjakkeren
噛む kamu (1) bijten; kauwen; [jachtt.] vangen; (2) [爪を〜] nagelbijten
染みる;沁みる;浸みる shimiru (1) doordringen; doortrekken; doordrenken; (2) [m.b.t. wind;kou] steken; scherp zijn; bijten; prikken; pieken; snerpen; pijn doen; (3) indruk maken op; ontroeren; treffen; pakken; aangrijpen; (4) [悪習に〜] gestijfd worden in; onder invloed komen van; (5) [身に〜] in gedachten verzinken
染む shimu (1) doordringen; doortrekken; doordrenken; (2) [m.b.t. wind;kou] steken; bijten; prikken; pijn doen; (3) indruk maken op; ontroeren; treffen; pakken; aangrijpen; (4) [悪習に] gestijfd worden in; onder invloed komen van
食い付く kuitsuku (1) aanbijten; toebijten; toehappen; bijten; happen; snappen; een beet nemen; zijn tanden zetten in; (2) zich vastbijten in; zich bijtende vasthechten; (3) [fig.] z'n tanden zetten in; serieus ingaan op; [fig.] toehappen; [fig.] toebijten; (4) iem. aanspreken over; [i.h.b.] z'n beklag doen bij
食う;喰う kuu (1) eten; [牛が生草を] grazen; afgrazen; (2) leven; zich voeden; (3) veel verbruiken; veel verteren; veel consumeren; (4) bijten; happen; de tanden zetten in; (5) ergens in trappen; zich om de tuin laten leiden; zich laten beetnemen; zich te grazen laten nemen; zich laten foppen; zich laten beduvelen; zich in het ootje laten nemen; (6) overwinnen; verslaan; (de tegenstander) opvreten
Tijd: 1.21 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 6 treffers (zoekopdracht: 'bijten').
2005-2026
