日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘pikken’
日蘭辭典 (trefwoord)
tsutsukuつつく
(突く) t.w. (1) [搔廻す] porren; poken. (2) [唆す] aanporren; opstoken. (3) [啄む] pikken. (4) [いぢめる] plagen; pesten. i.w. (5) [仲を裂く] oneenigheid stoken.
tsutsukuつつく

t.w. (1) [搔廻す] porren; poken. (2) [唆す] aanporren; opstoken. (3) [啄む] pikken. (4) [いぢめる] plagen; pesten. i.w. (5) [仲を裂く] oneenigheid stoken.

tsumami

zn. (1) [一撮] prise v.; klein beetje o. (2) [把手] knop m.; handvat o. ¶ 撮出す eruit pikken; eruit gooien. ¶ 彼奴を摘み出せ gooi dien vent eruit! ¶ 撮食する met de vingers eten; snoepen.

tsuibamu啄む

t.w. pikken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <pikken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
くすねる kusuneru (1) pikken; jatten; gappen; stelen; achteroverdrukken; afkapen; afdieven; afstelen; (2) in eigen zak steken; achterhouden; verduisteren; verdonkeremanen
ちょろまかす choromakasu (1) pikken; stelen; in eigen zak steken; gappen; jatten; snaaien; kapen; afkapen; achteroverdrukken; verdonkeremanen; verduisteren; ervandoor gaan met; aftroggelen; (2) smoesjes verkopen; uitvluchten zoeken
入れる ireru (1) plaatsen in; indoen; inzetten in; inbrengen in; (2) inschenken; ingieten; bijgieten; (3) toevoegen; bijvoegen; invoegen; (4) binnenlaten; laten binnenkomen; (5) [iemand;bv. patiënt;student;gast etc.] toelaten; onder zijn hoede nemen; (6) kunnen bevatten; plaats hebben voor; groot genoeg zijn voor; ruim genoeg zijn voor [een bepaald aantal personen]; (7) aanwerven; aanbrengen; in dienst nemen; ronselen; rekruteren; (8) luisteren naar [een advies;verzoek;visie van iemand anders etc.]; gehoor geven aan; (9) tolereren; dulden; aanvaarden; begrip hebben voor; begrijpen; pikken; (10) samengaan; kunnen samengaan; verenigbaar zijn; compatibel zijn; consistent zijn; (11) meerekenen; meetellen; incalculeren; inbegrepen zijn; (12) [茶;こーひーを] maken; zetten; (13) [すいっちを] aanswitchen; aansteken; aandraaien; aanzetten; aandoen; aanknippen; in werking stellen; zetten; inschakelen
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
呑む nomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform.;fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig.;sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig.;sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
堪らない tamaranai (1) ondraaglijk; onverdraaglijk; ondraagbaar; niet te (ver)dragen; torsen; onuitstaanbaar; onhoudbaar; onduldbaar; niet om uit te houden; verschrikkelijk; niet te harden; het wordt; is iem. te veel; niet (langer) pikken; [m.b.t. smaak;presentatie] onweerstaanbaar; (2) niet anders kunnen dan ~; wel moeten ~; niet kunnen laten
忍ぶ shinobu (1) verdragen; dulden; uitstaan; nemen; pikken; slikken; tolereren; (2) zich verbergen; zich verstoppen; zich verschuilen; zich gedekt houden; [人目を] ontkomen aan; zich onttrekken aan; ontduiken; (3) zich heimelijk; geniepig gedragen
掏る suru stelen; pikken; jatten; gappen; ontfutselen; ontvreemden; wegkapen; zakkenrollen; rollen; kaaien; [inform.] graaien; [inform.] kapen; [inform.] pietheinen; [inform.] ratsen; [inform.] snaaien; [inform.;volkst.] struinen; [gew.] gabben; [gew.] gabberen; [gew.] ratten; [gew.] sluimen; [Barg.] gannefen; [Barg.] snezen; [Barg.] handelen
採る toru (1) [een bep. houding;allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken;methoden;personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid;politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
掻っ払い kapparai (1) het jatten; pikken; jatwerk; gapperij; kruimeldieverij; kleine dieverij; (2) gapper; jatter; pikker; kruimeldief; tasjesdief
甘受する kanjusuru zich laten welgevallen; zich laten aanleunen; incasseren; pikken; nemen; slikken; gewillig; lijdelijk accepteren; gelaten aanvaarden; goedschiks ondergaan; het er bij laten zitten; over z'n kant laten gaan; verdragen; tolereren; gedogen; dulden; berusten in; zich neerleggen bij; zich resigneren bij; zich schikken in; voor lief nemen; [veroud.] gehengen
突っ突く tsuttsuku (1) pikken; bikken; plukken aan; pulken aan; (2) porren; aanstoten; een por geven; (3) aanzetten; aanporren; inciteren; opporren; opstoken; [gew.] opsteken; (4) vitten op; hakken op; afgeven op; bevitten
突つく tsutsuku (1) porren; aanstoten; een por geven; (2) pikken; bikken; (3) aanzetten; opstoken; ophitsen; aansporen; opporren; opjutten; ertoe bewegen; pressen; (4) plagen; jennen; sarren; treiteren; (5) iets aan te merken hebben op; aanmerken; bekritiseren; bevitten; vitten op; hakken op; hakketakken op
窃取する sesshusuru stelen; ontvreemden; pikken; ontstelen; wegnemen
納まる osamaru (1) bezorgd worden; besteld worden; geleverd; afgeleverd worden; (2) gesetteld raken; rust vinden; zich thuis gaan voelen; ingewerkt raken; (3) verdragen; slikken; nemen; pikken; genoegen; vrede nemen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.62 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'pikken'). 
2005-2026