
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
aite・相手
zn. (1) [同僚] medewerker m.; makker; kameraad m. (2) [先方] tegenpartij v.; tegenstander m. ¶ 相手なき onvergelijkelijk; zonder weerga. ¶ 相手をする gezelschap houden. ¶ 相手方 (法) andere partij; partij ten andere.
tomo・友
zn. vriend m.; makker m.; kameraad m. ¶ 友とする te vriend houden. ¶ ......と友になる bevriend worden met; vriendschap sluiten. ¶ 旅の友 reisgenoot; reismakker; reisgezelschap. ¶ お伴する begeleiden; gezelschap houden vergezellen.
tsure・連
zn. gezelschap o.; makker m.; kameraad m.; reisgenoot (旅の) m. ¶ いい連 goed gezelschap. ¶ 連になる gezelschap houden; meegaan. ¶ 連に外れる zijn gezelschap kwijtraken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kameraad>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
メイト meito maat; kameraad
メート meeto maat; kameraad
仲良し;仲好し nakayoshi (1) vriendschap; kameraadschap; camaraderie; koek en ei; het goed opschieten; (2) goede vriend; maatje; kameraad; hartsvriend; boezemvriend; dikke vriend
仲間;中間 nakama (1) maat; partner; metgezel; genoot; makker; kameraad; gezel; compeer; compagnon; collega; deelgenoot; vriend; medestander; [inform.] kornuit; [fig.] gildebroeder; [fig.] medespeler; (2) gezelschap; compagnonschap; confrérie; groep; coterie; incrowd; bende; kring; club; consorten; stelletje; gang; [fig.] gilde; [inform.] kliek; (3) soortgenoot; slag
伴侶 hanryo gezel; metgezel; compagnon; makker; deelgenoot; kameraad; partner; [verzameln.] gezelschap
伴 han (a) gezel; kameraad; (b) vergezellen; begeleiden; partner zijn
儕 sai kameraad; soortgenoot; gelijke; evenknie
共産党員 kyousantouin lid van de communistische partij; CP'er; communist; rode; rooie; kameraad
友;朋 tomo (1) vriend; gezel; -genoot; maat(je); kameraad; vrind; [veroud.] bestemaat; [in boektitel] gids voor ~; (2) gezelschap
友人 yuujin vriend; maat; makker; kameraad; [in Ind.] sobat
友達 tomodachi vriend; maat(je); kameraad; vrind; [in Ind.] sobat; [Barg.] gabber
同士 doushi (1) maat; kameraad; vriend; (2) mede-; collega-; -genoot; -broeder
朋輩 houbai collega; kameraad; ambtgenoot; genoot; gezel; metgezel; makker; maat; medearbeider; consorten; [i.h.b.] handlanger; complice
盟友 meiyuu gezworen vriend; kameraad; bondgenoot; spitsbroeder
相弟子 aideshi medeleerling; kameraad; [sumō-jargon] stalgenoot
相棒 aibou (1) dragers (van een palankijn; draagmat); (2) partner; compagnon; maat; makker; kameraad; gezel
遊び仲間 asobinakama (1) speelmakker; speelkameraad; speelgenoot; vriend met wie men samenspeelt; maat; makker; kameraad; (2) groep speelkameraadjes
遊び友達 asobitomodachi speelmakker; speelkameraad; speelgenoot; vriend met wie men samenspeelt; maat; makker; kameraad
部類 burui (1) categorie; afdeling; groep; (2) maat; metgezel; makker; kameraad
馴染み najimi (1) vertrouwdheid; vertrouwde omgang; sterke vriendschapsband; vriendschappelijkheid; (2) oude bekende; goeie vriend; kameraad; maatje; (3) vaste klant; stamgast; habitué; trouwe bezoeker; [prostitutiejargon] vast meisje; favoriete; (4) echtgenoot; echtgenote met wie men jarenlang getrouwd is
Tijd: 2.04 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'kameraad').
2005-2026
