
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
aite・相手
zn. (1) [同僚] medewerker m.; makker; kameraad m. (2) [先方] tegenpartij v.; tegenstander m. ¶ 相手なき onvergelijkelijk; zonder weerga. ¶ 相手をする gezelschap houden. ¶ 相手方 (法) andere partij; partij ten andere.
enkai・宴會
(宴会) zn. feestelijke bijeenkomst v.; feestmaaltijd m.; gastmaal o.; partij
sakamori・酒盛
shakō・社交
zn. gezellig verkeer o.; sociale omgang m. ¶ 社交が上手 gezellig in den omgang. ¶ 社交的 gezellig; sociaal; maatschappelijk. ¶ 社交團 gezelschap. ¶ 社交術 kunst om zich gemakkelijk te bewegen; aangename omgangsvormen. ¶ 社交界 uitgaande kringen der hoogere standen. ¶ 社交期 het seizoen, waarin veel partijen gegeven worden. ¶ 社交性 gezellige neigingen; behoefte aan gezelligheid.
uchimata・內股
(内股) zn. kruis o.; binnenkant van de dij. ¶ 内股膏藥 iemand, die beide partijen te vriend wil houden; opportunist; mooiprater.
tsugō・都合
(都合) zn. (1) [便宜] gemak o.; voordeel o. (2) [事情] omstandigheden v.mv.; situatie v. (3) [場合] gelegenheid v. (4) [機會] geschikte gelegenheid v. bw. (5) [合計] totaal. ¶ 雙方に都合が好い voordeelig voor beide partijen. ¶ 都合により wegens omstandigheden. ¶ 其の時の都合で al naar het dan uitkomt. ¶ 都合次第に zoodra het schikt. ¶ 都合を待つ goede gelegenheid afwachten. ¶ 都合惡しき ongelegen; ongunstig. ¶ 都合よき gelegen; geschikt; gunstig. ¶ 都合よく gelukkig; het trof goed, dat..... ¶ 都合する schikken; regelen; regeling treffen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <partij>
お祭り;御祭;お祭 omatsuri (1) matsuri; een traditioneel Japans religieus festival; (2) festival; feest; festijn; festiviteit; partij; feestdag; grote dag
パーティー pātī (1) fuif; party; partijtje; feestje; (2) groep; gezelschap; ploeg; (3) partij
ムーブメント mūbumento (1) beweging; organisatie; stroming; partij; (2) [muz.] deel (van een muziekstuk); (3) mouvement; raderwerk; mechanisme; gangwerk in een uurwerk
ロット rotto kavel; kaveling; partij; gedeelte; perceel
一団 ichidan bende; groep; troep; gezelschap; kring; stel; partij; korps; [m.b.t. boeven] gang; [inform.] zootje
一座 ichiza (1) medeaanwezigheid; het medeaanzitten; (2) alle aanwezigen; aangezetenen; hele gezelschap; aanwezige mensen; (3) feestelijke bijeenkomst; partij; receptie; diner; feestmaal; banket; (4) troep acteurs; artiesten; gezelschap; groep; compagnie; kring; (5) één beeld; (6) één heiligdom; (7) één sessie; (8) één bundel kettingverzen; haiku's; (9) ereplaats; belangrijkste plaats
一戦 issen (1) [mil.] een slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; krachtmeting; (2) [sportt.] een wedstrijd; match; game; partij; ontmoeting; kamp
一方 ippō (1) zijde; ene kant; andere kant; (2) partij; ene partij; andere partij; (3) enkele reis [in tegenstelling tot een reis heen en terug]; (4) [in combinatie met een voorafgaand werkwoord dat niet in de verleden tijd staat] blijven …; niets anders doen dan …; enkel maar …; (5) aan de ene kant; enerzijds
一物 ichimotsu (1) één zaak; ding; voorwerp; (2) heimelijk motief; bijbedoeling; stille wens; (3) [euf. voor geslachtsdeel] zaakje; zwikje; geval; ding; gereedschap; instrument; partij; apparaat
一部分 ichibubun deel; gedeelte; stuk; deeltje; part; partij; portie
側 gawa (1) kant; zijde; zij; wand; (2) partij; iems. aanhang; (3) [m.b.t. horloge] kast; omhulsel
催し moyōshi (1) manifestatie; evenement; meeting; samenzijn; (samen)treffen; feest; partij; plechtigheid; ceremonie; receptie; viering; festiviteit; (2) organisatorschap; sponsorschap; peetschap; auspiciën; bescherming; beschermheerschap; (3) aandrang; drang; neiging; behoefte; aanvechting; impuls; drift; opwelling
党内 tōnai partij-intern; binnen een partij; in een partij
党内の tōnaino partij-intern; binnen een partij; in een partij
党員 tōin partijlid; partijganger; partijman; aanhanger van een partij; [verzameln.] partij
党派 tōha (1) partij; politieke partij; (2) factie; groep; partijschap; (3) kliek; club; coterie
党派の tōhano partij-; partijgebonden
党 tō (1) partij; [i.h.b.] politieke partij; (2) [maatwoord voor partijen]
勝負 shōbu (1) overwinning of nederlaag; zege of nederlaag; winst of verlies; (2) wedstrijd; partij; spel; kamp; match; strijd; wedkamp
取り組み torikumi (1) [sportt.] wedstrijd; match; kamp; partij; strijd; gevecht; inspanning; (2) aanpak; benadering; insteek; (3) [hand.] koop en verkoop op markt; beurs; omzet; (4) [hand.] wisseltrekking
同行 dōkō (1) het meegaan; het vergezellen; (2) gezelschap; groep; partij; troep; [Belg.N.;spreekt.] compagnie; [inform.] complotje; (3) dezelfde bank; de bank waarvan sprake is
向こう mukou (1) overzijde; overkant; tegenoverliggende kant; gindse kant; gene zijde; overluchtse streken; buitenland; (2) wederpartij; tegenpartij; partij; partner; hij; zij; ze; (3) plaats van bestemming; (4) aanstaande; komende; eerstkomende; volgende
声部 seibu [muz.] zangstem; stem; zangpartij; partij
売れ口 urekuchi (1) afzetmogelijkheid; afzetmarkt; markt; débouché; vraag; (2) baan; werk; job; (3) huwelijkskandidaat; partij; potentiële huwelijkspartner
婿;聟;壻 muko (1) schoonzoon; [veroud.] behuwdzoon; [veroud.] zwager; [gew.] dochtersman; (2) bruidegom; bruigom; (3) partij; huwelijkskandidaat
宴 en (1) feest; banket; feestmaal; (2) partij; party; receptie; (a) feest; partij
山 yama (1) berg; gebergte; beboste bergen; bergwoud; bergbos; [vliegert.] knots; (2) aardhoop; aardverhoging; terp; (kunstmatige) heuvel; ophoging; hoogte; [Mal.] boekit; (3) begraafplaats; kerkhof; tumulus; (keizerlijke) grafheuvel; grafterp; (4) mijn; kolenmijn; (5) hoop; stapel; tas; portie; [m.b.t. fruit] partij; [m.b.t. hooi] mijt; [m.b.t. steenslag] kits; [m.b.t. vlas] schelf; [m.b.t. slagroom] toef; zwelling (ten gevolge van een cauterisatiebehandeling); (6) top; bovendeel [bv. bol van een hoed;kop van een schroef;knop op een helm]; (7) hoogtepunt; climax; piek; uitschieter; spits; toppunt; apogeum; zenit; ontknoping [van een stuk]; apotheose; [m.b.t. vertoning] klapstuk; summum; culminatiepunt; keerpunt; uur van de waarheid; moment suprême; finest hour; momentum; beslissend ogenblik; het beste dat men kan doen; (8) wissel op de toekomst; speculatie; giswerk; gok [bv. op de gok blokken]; de sprong [wagen]; sprong in het duister; ongewisse; waagstuk; gissing; bluf; humbug; schijnvertoon; bombast; (9) hevigheid; intensiteit; ergheid; (10) massa; boel; bende; groot aantal; drom; menigte; (11) rots; toeverlaat; idool; voorbeeld; (12) praalwagen in de vorm van een berg; (13) valkuil om evers of herten te vangen; (14) lichtekooi; prostituee; (15) voorraadtekort [i.h.b. tekort aan levensmiddelen]; het uitverkocht zijn; het niet voorhanden zijn; (16) slangwoord voor "misdrijf"; (17) naam voor de Enryakuji 延暦寺 op de Hieizan 比叡山; [i.h.b.] de Hieizan; (18) [maatwoord voor bergen;en i.h.b. bergbossen en mijnen]; (19) [maatwoord voor een voorgeschotelde portie;stapeltje fruit enz.]; (a) berg-; wilde … [voorvoegsel aan een planten- of dierennaam dat aangeeft dat het de wilde variëteit of bergsoort van het grondwoord betreft]; (b) [schertsend;vrijwel betekenisloos achtervoegsel bij bepaalde werkwoorden en adjectieven;werd in de Edo-tijd onder bon-vivants gebruikt]
座敷 zashiki (1) vertrek in Japanse stijl; ontvangkamer; salon in Japanse stijl; (2) feestje; partij; partijtje; (3) [geisha-jargon] klant
戦い;闘い;戦;闘 tatakai (1) strijd; gevecht; vechtpartij; kamp; oorlog; treffen; worsteling; bestrijding; (2) slag; veldslag; (3) competitie; wedstrijd; match; partij; [i.h.b.] duel
政党 seitō politieke partij; staatspartij; partij
族 yakara (1) geslacht; clan; familie; [Barg.;volkst.] troep; (2) kliek; clique; coterie; partij; bende; gang; [pej.] zootje; stelletje
派 ha (1) groep; kamp; groepering; club; (2) partij; fractie; (3) school; volgelingen; stroming; beweging; (4) gezindte; denominatie; (5) factie; coterie; [pej.] kliek; [pej.] clique
番 ban (1) volgorde; rangorde; orde; plaatsing (in een volgorde); plaats; (2) beurt; speelbeurt; (3) nummer; nr.; (4) wacht; het waken; het oppassen; bewaking; hoede; uitkijk; waak; [arch.] wake; (5) dienst; werkbeurt; (6) wacht; bewaker; hoeder; wachter; oppasser; (7) partij; spel; wedstrijd; rondje; potje
穏健派 onkenha [pol.] de gematigden; centrum; gematigde groepering; partij; factie; fractie
試合;仕合 shiai (1) wedstrijd; partij; match; spel; potje; [sportt.] nummer; treffen; [i.h.b.] concours; toernooi; (2) [fig.] strijd; worsteling; gevecht; (3) [maatwoord voor wedstrijden]
連中 renjū (1) gezellen; metgezellen; maten; kameraden; groep; bende; volkje; partij; (2) [muz.;theat.] gezelschap; groep; formatie; [veroud.] troep; (3) [muz.;theat.] fan; vaste bezoeker; vast publiek
連 ren (1) [paardenloterij] quinella; (2) gezelschap; bende; coterie; partij; aanhang; [Belg.N.] compagnie; metgezellen; maten; kameraden; (3) [plantk.] tribus; (4) en cie.; en co.; cum suis; [afk.] c.s.; (5) riem; [i.h.b.] 1.000 vel papier; [i.h.b.] 100 stuks karton; (6) [handelsmaat voor cellofaan: 500 m²]; (7) [maatwoord voor rijgsels;strengen;snoeren]; (8) [maatwoord voor risten (gedroogde) eetwaar]; (9) [maatwoord voor vlechtwerk]; (10) [maatwoord voor haviken;valken]; (a) op rijen staan; plaatsen; rijgen; opeenvolgen; betrekking hebben; (b) blijven duren; telkens herhalen; voortzetten; (c) gezelschap; bende; (d) bond; verbond
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'partij').
2005-2026
