日蘭辭典+

192 resultaten voor ‘goed’
日蘭辭典 (trefwoord)
ii善、好、良、宜い
bn. (1) [良い] goed. (2) [美い] mooi; fraai. (3) [香、] lekker; aangenaam. (4) [比較して] beter; verkieselijk. i.w. (5) [許可] mogen. telw. (6) [十分] genoeg. ¶ いい事を話して上げよう ik heb je goed nieuws te vertellen. ¶ 彼女は仲々姿がいい zij is een mooi meisje. ¶ 天氣がいい het is mooi weer; het is lekker weer. ¶ 此の花は香が良い deze bloem ruikt lekker. ¶ 氣持ちが好い ik voel mij lekker; ik ben goed geluimd. ¶ 今朝は氣持ちが少し良い ik voel me wat beter van morgen. ¶ は梨子より林檎の方が好い ik houd meer van appels dan van peren. ¶ 彼が早く癒ればいい ik hoop, dat hij gauw beter wordt. ¶ 君は何時行ってもいい ge moogt gaan, wanneer ge wilt. ¶ 笑ったっていいぢゃないか waarom zou ik niet lachen?; mag ik soms niet lachen? ¶ 何かそれに良い藥はありませんか is daar een geneesmiddel tegen?; is er een middel, dat daar goed voor is? ¶ 明日は來なくてもいい je behoeft morgen niet te komen; niet noodig, dat je morgen komt. pp それは無くてもいい het is niet noodig; ik heb het niet noodig. ¶ それでいい laat maar; het is al genoeg.
anmin安眠
zn. diepe slaap m.; rustige slaap m. ¶ 安眠する rustig slapen; goed slapen. (俗) lekker slapen.
arai
(洗い) zn. wasch v.; wassching v. ¶ 此の染めは洗が利く deze kleur blijft goed in de wasch;
ada
zn. (1) [敵] vijand m. (2) [復讐] wraak v. (3) [怨み] vijandschap v.; wrok m.; haat m. ¶ 不倶戴天の doodsvijand. ¶ を返す zich wreken. ¶ 恩をで返す goed met kwaad vergelden.
ataridoshi當年
(當たり年) zn. goed jaar o.; gezegend jaar o.; jaar van goeden oogst; Noot: Niet verwarren met ‘tōnen’ (當年・當年 (zie aldaar).
ataru當る
(当たる・当る) i.w. (1) [接觸] aanraken; schaven (擦過). (2) [該當] overeenstemmen met; overeenkomen met. (3) [衝突] treffen; botsen; raken. (4) [的中] treffen. (想像等が) goed voorspellen; goed raden. (5) [當籤] winnen. (6) [成功] slagen. (7) [引受ける] ter hand nemen; aanvatten. (8) [探る] polsen. (9) [相當] slaan op; toepasselijk zijn op. (10) [中毒] vergiftigd zijn; ziek worden door. (11) [出會] ontmoeten. (12) [量る] meten. (13) [金額が] bedragen; komen op. (14) [日が當る] beschijnen; bestralen. (15) [火にあたる] zich warmen. (16) [方角] liggen in de buurt van. ¶ 一磅は約拾圓に當る een pond is ongeveer gelijk aan tien yen. ¶ 彈丸は當らなかった het schot raakte niet; het schot miste. ¶ 占が當る de voorspelling komt uit. ¶ 罸が當った het lot heeft gewonnen. ¶ 其の小説は當らなかった die roman had geen succes; het boek sloeg niet in. ¶ 事に當る hij neemt de zaak ter hand; hij bemoeit zich er mede. ¶ 先方の意向を當って見た ik heb hem eens gepolst. ¶ 各所で相場を當って見た方がよい het zou goed zijn op verschillende plaatsen naar den prijs te informeeren. ¶ 此の規則は右の場合に當る deze bepaling is in dit geval toepasselijk. ¶ 海老に中毒〔に當〕った de kreeft is mij slecht bekomen. ¶ 深さを當って見ると三尺あった de diepte bleek drie voet te bedragen. ¶ 此の窓に夕日があたる dit raam heeft de namiddagzon. ¶ 火に御あたりなさい warm u bij het vuur. ¶ 大阪は東京の西にあたる Osaka ligt westelijk van Tokio. ¶ 今や戦時に當り nu, dat het oorlog is. ¶ 局に當る者 autoriteiten, welke het aangaat; de betrokken autoriteiten. ¶ 何だか當てゝ御覧なさい raad eens wat het is.
ateruあてる
(当てる・當てる) t.w. (1) [命中] raken; treffen. (2) [充當] toewijzen. (3) [曝す] blootstellen aan. (4) [宛に出す] richten tot; adresseeren aan. (5) [解く] raden; gissen. (6) [病氣にする] ziek maken; vergiftigen. (7) [火に當てる] warmen; verwarmen. (8) [成功する] i.w. slagen. (9) [適用する] toepassen; aanwenden. ¶ うまくあてられた goed geraden. ¶ 穴に補布をあてる een stuk inzetten; een scheur herstellen. ¶ 鑛脈に堀り當てる een ader treffen.
akarui明るい
bn. (1) [明るい] licht; helder. ¶ に明るい goed op de hoogte van; bekwaam in. ¶ ......に明るい人 deskundige. (2) [潔白な] onschuldig.
aku
(悪) zn. kwaad o.; boosheid v.; slechtheid v.; zondigheid v.; verkeerdheid v. ¶ 惡に報いる善を以てする kwaad met goed vergelden.
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
tasshana達者な
bn. (1) [壯健] gezond; stevig; sterk; kras (老人の). (2) [巧者] bekwaam. ¶ 口が達者である goed kunnen praten. ¶ 達者に蘭語を話す vloeiend Hollandsch spreken.
dekiru出來る
(出来る) i.w. (1) [仕上がる] gereed zijn; voltooid zijn. (2) [製造] gemaakt zijn; vervaardigd zijn. (3) [生長] groeien. (4) [出産] geboren zijn. (5) [發生] voorkomen; gebeuren; voortspruiten uit. (6) [熟達] bekwaam zijn in; goed kennen. (7) [能] kunnen; in staat zijn. ¶ 出來るなら zoo mogelijk. ¶ 出來るだけ zoo veel mogelijk. ¶ 出來る限りで met alle macht. ¶ 御飯が出來ました het eten is klaar. ¶ 此の卓子は能く出來て居る deze tafel is goed gemaakt. ¶ 松はことによく出來る denneboomen groeien hier goed. ¶ コレラ患者に出來た er is een geval van cholera aan boord voorgekomen. ¶ 蘭語出來る hij kent Hollandsch. ¶ 十步くことが出來る tien mijl kunnen lopen.
karada
(体) zn. (1) [身體] lichaam o.; lijf v. (2) [體質] gestel o. ¶ 體に好い goed voor de gezondheid. ¶ 體の lichamelijk. ¶ 體中 over het geheele lichaam. ¶ あの人は體が丈夫だ hij heeft een sterk gestel. ¶ 體附き gestalte; houding; figuur.
tadashii正しい
bn. (1) [正當な] rechtvaardig; billijk. (2) [正直な] eerlijk. (3) [眞實な] waar. (4) [適當] juist. ¶ 正しい eerlijk man. ¶ 正しき語法 juist gebruik van woorden. ¶ 正しい方法 de goede manier; de ware weg. ¶ 血統の正しい van zuiver bloed.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
dōyaraどうやら
bw. vermoedelijk; wel. ¶ どうやら天氣になりそうだ het zal wel goed weer worden. ¶ どうやらかうやら op de een of andere manier; zoo goed en zoo kwaad mogelijk.
tsukaeru使へる
(使える、遣える) i.w. dienen tot; goed zijn voor; bn. nuttig; bruikbaar; geschikt.
dōnari-kōnariどうなりこうなり
bw. op de een of andere manier; zoo goed en zoo kwaad mogelijk.
dōkakōkaどうかかうか
kakeru書ける
t. & i.w. kunnen schrijven; schrijven. ¶ 其の萬年筆よく書けますか schrijft die vulpen goed?
kōjiki好時機
zn. goed moment n.; het juiste oogenblik o.; goede gelegenheid.
kokoro-e心得
zn. (1) [知識、會得] kennis v.; begrip o. (2) [準則] aanwijzing v. mv. (3) [規則] voorschriften v. mv. (4) [覺悟 ] voorbereid v. (5) [官職の心得] vervanger m. ¶ 局長心得 waarnemend directeur. ¶ 一通り科料を心得て居る zij kan goed koken. ¶ 商人の心得 voorschriften voor kooplieden; wat een koopman behoort te weten.
kōhyō好評
zn. gunstige beoordeeling v.; goede critiek v.; goede recensie v.
kanji感じ
zn. (1) [感覺] gewaarwording v.; gevoel o. (2) [印象] indruk m. (3) [效驗] resultaat o.; effect o. (4) [感應] invloed m. ¶ 感じがなくなる gevoelloos worden. ¶ 感じを與へる een goeden indruk maken. ¶ 好い感じを持って居る welwillende gevoelens koesteren.
seikai正解
zn. goede oplossing v.
mottainai勿體ない
(勿体ない) bn. (1) [不敬] oneerbiedig. (2) [過分] te goed; te mooi; meer dan men verdient. zn. (3) [無駄] zonde; bn. oneconomisch. ¶ 神佛に對して勿體ない heilig schennend. ¶ そんなを戴いては勿體ない het geschenk is veel te mooi voor mij. ¶ こんなに廣い地所を遊ばして置くとは勿體ない het is zonde zoo’n groot stuk land ongebruikt te laten liggen.
jasei邪正

(→jashō) zn. goed en kwaad.

kotei固定

zn. stelligheid v.; vastheid v. ¶ 固定の vast gesteld; vast; vastgelegd. ¶ 固定財產 vaste goederen; onroerend goed. ¶ 固定さす vastzetten; vastleggen.

kōtō怡當

(怡当) zn. gepastheid v. ¶ 怡當なる gepast; geschikt; juist goed. ¶ 怡當する geschikt zijn; juist passen.

kotoba言葉

zn. (1) [言語] taal v.; woorden o.mv. (2) [語] woord o.; term v. (3) [地方語] dialect v. (4) [話] spraak v.; uitlating v.; opmerking v. (5) [言方] spreekwijze v.; uitdrukking v. ¶ 言葉通り woordelijk; letterlijk. ¶ 無益の言葉を費す woorden verspillen. ¶ 言葉を違へる zijn woord breken. ¶ 言葉を換へて云へば met andere woorden; m.a.w. ¶ 言葉を掛ける het woord richten; zich wenden. ¶ 言葉爭ひ woordenwisseling; redetwist. ¶ 言葉返し vinnig antwoord. ¶ 言葉書 uiteenzetting; epistel. ¶ 言葉敵 iemand om teegen te praten; aanspraak. ¶ 言質 eerewoord. ¶ 言質を與へる zijn woord verpanden. ¶ 言葉尻 verspreking. ¶ 言葉尻を取る iemand betrappen doordat hij zich verspreekt; iemand in zijn eigen woorden vangen. ¶ 言葉違へ inconsequentie; woordbreuk. ¶ 言葉違へをする zichzelf tegenspreken; inconsequent zijn; zich niet houden aan zijn woord; zijn woord breken. ¶ 言葉咎 critiek. ¶ 言葉添へをする een goed woordje doen. ¶ 言葉遣ひ uitdrukking; spreekwijze. ¶ 言葉多きは問少し holle vaten klinken het hardst; veel geschreeuw, weinig wol.

kō-tsugō好都合

zn. goede gelegenheid v.; gunstig oogenblik o. ¶ 好都合の gunstig; geschikt; gelegen.

kōzai功罪

zn. verdiensten en wandaden; goede en slechte daden.

kuchikiki口利

zn. (1) [辯舌家] goed spreker m. (2) [勢力家] man van invloed m.

kuchisaki口先

zn. lippen v.mv.; mond m. ¶ 口先の旨い人 iemand, die goed weet te praten; handig spreker. ¶ 彼は口先ばかりだ hij praat mooi maar doet niets. ¶ 口先丈けの友人 een vriend met den mond; onoprechte vriend.

kuchisakashii口賢しい

bn. goed ter tale; mooi pratend.

kudasaru下さる

t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [依賴の意] zoo goed zijn om; zoo vriendelijk zijn; de welwillendheid hebben. (3) [敬意として] u verwaardigen; mij de eer aandoen; als het u belieft; geliefen. ¶ 何か下さい geef mij iets. ¶ 此金は私に下さるのですか is dit geld voor mij bestemd? ¶ 聞いて下さい luister eens. ¶ 今少しお待ち下さい wees zoo goed nog even te wachten.

kuiawaseru食合せる

i.w. (1) [食物を] dingen eten, waar man niet tegen kan; voedsel eten dat iemand niet goed bekomt. (2) [楔形接目で] samenvoegen met zwaluwstaarten.

kuigoro食頃

zn. het goede seizoen om iets te eten.

kusuri

(薬) zn. (1) [醫藥] geneesmiddel o.; medicijn v. (2) [化學的藥品] chemicaliën v.mv. (3) [釉藥] glazuur o.; email o. (4) [火藥] kruit o. (5) [有益] voordeel o.; goed o. ¶ 運動は身體に藥だ sport is goed voor de gezondheid. ¶ 一に養生二に藥 voorkomen is beter dan genezen. ¶ 藥屋 apotheker. ¶ 藥指 ringvinger.

kuwashiku詳しく

bw. (1) [詳細] omstandig; nauwkeurig; precies; uitvoerig; in bijzonderheden. i.w. (2) [熟知] goed op de hoogte zijn; goed met. ¶ 委しく述べる in bijzonderheden vertellen; precies vertellen. ¶ 彼は此邊の地理に詳しい hij is in deze streek goed bekend.

kyō

bn. (1)[強い] sterke; krachtige. bw. (2)[……餘] ruim; iets meer dan. ¶ 十哩強 ruim tien mijl; een goede tien mijlen.

kyōki强記

(強記) zn. goed geheugen o.

zuishō瑞祥

(瑞祥) zn. goed voorteeken o.

zuichō瑞兆
zonjiyori存寄

zn. meening v.; inzicht o.; opinie v. ¶ 存寄のない onverwacht; ongedacht. ¶ 御存寄を何ひ度も御陳じます wees zoo goed mij te zeggen, wat ge er van denkt.

zōbutsu贓物

zn. gestolen goed o. ¶ 贓物收受 heling. ¶ 贓物收受者 heler.

zenyō善用

zn. goed gebruik o. ¶ 善用する goed gebruikt; wel besteed.

zenrin善隣
zenryō善良

zn. goedheid v.; braafheid v.; deugd v. ¶ 善良な goed; braaf; deugdzaam. ¶ 善良な風俗に反する in strijd zijn met de goede zeden.

zennin善人

zn. braaf man m.; goed mensch m.

zenkō善行

zn. goed gedrag o. ¶ 善行證書 certificaat van goed zedelijk gedrag.

zen-i善意

zn. goede bedoeling v.; goede trouw v. ¶ 善意の te goeder trouw; bona fide (羅典語).

zen-in善因

zn. goede oorzaak v. ¶ 善因善果 wat men zaait zal men oogsten.

zenji善事

zn. goede daad v.; goede zaak v.

zenka善果
zendama善靈

(善霊) zn. goede geest m.; goede engel m.

zen

zn. goedheid v.; het goede o. ¶ 善を行ふ het goede doen. ¶ 善は終に惡に勝つ het goede overwint op den duur; ten slotte wordt de deugd beloond. ¶ 善は急げ smeed het ijzer als het heet is. ¶ 惡に報ゆるに善を以てする kwaad met goed vergelden.

zenaku善惡

(善悪) zn. goed en kwaad o.; deugd en ondeugd v. ¶ 善惡を知る木 boom der kennis van goed en kwaad.

ze

zn. (1) [正] juistheid v.; rechtmatigheid v. (2) [方針] politiek v.; gedragslijn v. ¶ 是とする billijk achten; goed vinden. ¶ 國是 nationale politiek. ¶ 黨是 programma eener partij.

zama

(様) zn. toestand m. ¶ それは何という樣だ wat zie je er uit! ¶ 樣見る net goed!; je hebt je verdiende loon.

zaimotsu財物

zn. artikelen van waarde; geld en goed.

yutaka

(豊) zn. overvloed m. ¶ 豐な overvloedig; rijk. ¶ 豐に暮す in goeden doen zijn; weelderig leven leiden.

yūshikisha有識者

(有識者) zn. man van ontwikkeling; iemand, die goed op de hoogte is; intellectueel m.

yūryō優良
yūretsu優劣

zn. kwaliteit v.; hoedanigheid v. ¶ 優劣を爭ふ zich met elkaar meten. ¶ 優劣なき van gelijke verdiensten; even goed; onbeslist.

yukikkiri ni行きつきりに

bw. voor goed; voor altijd.

yūken勇健
yūga優雅

zn. bevalligheid v.; bekooring v.; goede smaak m.; hoffelijkheid v.

yūfuku裕福

(裕福) zn. gegoedheid v. ¶ 裕福の gegoed; in goeden doen; gezeten. ¶ 裕福に暮す in goeden doen zijn; het goed kunnen doen.

yūbō有望

zn. goede vooruitzichten o.mv. ¶ 有望の hoopvol; veelbelovend.

yubiyori指折り

zn. telling met de vingers. ¶ 指折り數へる op de vingers aftellen. ¶ 指折りの niet veel voorkomend; zeldzaam; bijzonder goed.

yūben雄辯

(雄弁) zn. welsprekendheid v.; welbespraaktheid v. ¶ 雄辯に welsprekend; vloeiend. ¶ 雄辯家 goed redenaar. ¶ 雄辯會 dispuutgezelschap.

yosugiru好過ぎる

bn. al te goed; al te mooi.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

yoshi宜し

bn. goed; in orde.

yoshiashi善惡

(善悪) zn. goed en kwaad; hoedanigheid v.; kwaliteit v.

yoroshii宜しい

bn. goed; billijk; rechtvaardig. yoi ¶ を見よ.

yokuよく

bw. (1) [上手に] wel; goed; juist. (2) [屢々] dikwijls; menigmaal. (3) [非常に] zeer. ¶ よくなる beter worden. ¶ よくは知らぬ niet zeker weten. ¶ よく見ても op z’n best.

yokare-ashikare善かれ惡しかれ

(善かれ悪しかれ) bw. goed of slecht; of het goed is of niet.

yoi好い

bn. (1) [善良] goed. (2) [より良い] beter. (3) [美なる] mooi; fraai. (4) [好ましい] lief; aangenaam; prettig. (5) [十分] voldoende. (6) [正しい] juist; oprecht. (7) [許可] geoorloofd. i.w. (8) [構はぬ] komt er niet op aan; doet er niet toe; laat maar. ¶ 好い天氣 mooi weer. ¶ 胃によい goed voor de maag. ¶ しなくてもよい niet noodig om te doen; onnoodig. ¶ よい樣にする doen als men wil; eigen zin volgen. ¶ 外出してもよいか mag ik uitgaan? ¶ 今日來ればよいが ik hoop maar, dat hij vandaag komt. ¶ 君と一緒に行つてもよい ik heb er geen bezwaar tegen met je mee te gaan.

yakudatsu役立つ
wazurawashii煩しい

bn. (1) [厄介な] lastig; hinderlijk; ergerlijk. (2) [繁雜な] ingewikkeld; verward. ¶ 煩はす lastig vallen; hinderen; plagen. ¶ 心を煩はす zich ongerust maken; tobben. ¶ 手を煩す last veroorzaken; hinderen. ¶ 御一報を煩はし度い zou u zoo goed willen zijn mij bericht te zenden?

wariai割合

zn. verhouding v.; reden v. ¶ 五對二の割合 verhouding van vijf tot twee. ¶ 割合に betrekkelijk; naar verhouding; in aanmerking genomen, dat…… ¶ 値の安い割合に品がよい de kwaliteit is goed voor den prijs.

wari

zn. (1) [割合] verhouding v.; koers m. (2) [利益] voordeel o.; winst v. (3) [比較] vergelijking v. (4) [割當] aandeel o. (5) [比率] percentage v. ¶ 俸給割で naar verhouding van het salaris. ¶ 年一割の利息 tien percent rente per jaar. ¶ 割に合はぬ niet winstgevend zijn; geen voordeel opleveren; niet betalen. ¶ 五割引 50% reductie. ¶ 年の割に丈夫 kras voor zijn leeftijd. ¶ 一時間九哩の割で走る negen mijl per uur loopen. ¶ 割に betrekkelijk; in aanmerking nemend, dat…… ¶ 雨が降つた割には可なりの聽衆でした voor zulk regenweer was de zaal goed bezet.

wakareru別れる

i.w. zich afscheiden; scheiden; heengaan; uiteengaan; afscheid nemen; zich splitsen (岐出); uit elkaar vallen (分散). ¶ 分れて afzonderlijk. ¶ 仲好く別れる als goede vrienden scheiden. ¶ 東京市は十五區に分れてゐる Tokyo is verdeeld in vijftien wijken.

uwabe上邊

(上辺) zn. buitenkant m.; oppervlakte v.; uiterlijk o. ¶ 上邊を飾る goed voorkomen geven; den schijn redden. ¶ 上邊の uiterlijk; schijnbaar; aan de oppervlakte; voor den schijn. ¶ 上邊だけの友達 een vriend in schijn.

utsuru映る

i.w. (1) [投影] beeld geven; weerspiegelen; zich afteekenen. (2) [調和する] harmonieeren; goed passen bij; goed staan. ¶ 月が水に映つてゐる de maan weerspiegelt zich in het water. ¶ 人の影が障子に映つてゐる men ziet een menschelijke schaduw op de schuifdeur. ¶ 寫眞はよく寫つてゐる het is een goede fotografie.

ureru賣れる

(売れる) i.w. (1) [賣が良い] gewild zijn; vlot verkocht worden; veel gevraagd worden. (2) [賣却し得る] verkoopbaar zijn. (3) [顏が] goeden naam hebben; wel bekend zijn; populair zijn. (4) [或値に] verkoopbaar zijn voor. ¶ 五圓で賣れる verkoopbaar zijn voor vijf yen; vijf gulden halen.

urekuchi賣口

(売口) zn. verkoop m.; vraag v.; afzetgebied o.; markt v. ¶ 賣口よき goed verkoopbaar; gewild; gevraagd.

ure

(売) zn. afzet m.; vraag v. ¶ 賣がよい vlot verkocht worden; veel gevraagd worden; zeer gewild zijn; goeden afzet vinden. ¶ 賣れ足が早い vlot van de hand gaan. ¶ 賣れ足の早い品物 gewild artikel. ¶ 賣高 verkochte aantal.

unうん

tw. hm; bw. ja; goed.

umai旨い

bn. (1) [美味な] lekker; smakelijk. (2) [上手な] knap; bekwaam. (3) [成功] uitstekend; tw. mooi zoo!; goed zoo!; bravo! bn. (4) [利得] voordeelig. ¶ 旨い物 lekkernij. ¶ 旨い趣向 gelukkig idee. ¶ 話をするのが旨い goed kunnen vertellen. ¶ うまく行けば als het goed gaat; als het meeloopt. ¶ 旨い汁を吸ふ het leeuwenaandeel nemen.

umare

zn. (1) [出生] geboorte v. (2) [出生地] geboorteplaats v. (3) [家系] afkomst v. (4) [うまれつき] aard m.; inborst v. ¶ 生れよき van goede familie. ¶ 生れ落ちた時から sinds zijn geboorte.

uketoru受取る

t.w. in ontvangst nemen; ontvangen; aannemen. ¶ 右金額正に受取申候也 bovenstaand bedrag in goede orde ontvangen. ¶ 本當とは受取れぬ ik kan niet aannemen, dat het waar is.

uji

zn. (1) [系統] familie v. (2) [家名] familienaam m. (3) [尊稱] de heer m.; mijnheer m. ¶ 氏なき niet van goede familie. ¶ 氏より育ち opvoeding is van meer belang dan goede geboorte.

tsutsuganaku恙なく

bw. in goede gezondheid; gezond en wel.

tsuriai釣合

(釣り合い) zn. evenwicht o.; balans v. ¶ 釣合のよい evenwichtig; goed gebalanceerd. ¶ 安定釣合 stabiel evenwicht. ¶ 不安定釣合 labiel evenwicht. ¶ 釣合惡しき onevenwichtig; slecht geproportionneerd. ¶ 釣合ふ tegen elkaar opwegen (平均する); in evenwicht zijn (均等を保つ); (恰好よし) in goede verhouding staan; overeenstemmen; goed passen bij elkaar; (對當する) zich met elkaar kunnen meten; aan elkaar gewaagd zijn.

tsure

zn. gezelschap o.; makker m.; kameraad m.; reisgenoot (旅の) m. ¶ いい連 goed gezelschap. ¶ 連になる gezelschap houden; meegaan. ¶ 連に外れる zijn gezelschap kwijtraken.

tsukusu盡す

(尽くす) t.w. (1) [消費] verbruiken; opgebruiken; uitputten. (2) [果す] volbrengen; vervullen; voleindigen; voltooien. i.w. (3) [盡力する] zich inspannen. ¶ 喰ひ盡す opeten. ¶ 國の爲に盡す zijn krachten geven aan het vaderland. ¶ 深切を盡す zich uitputten in vriendelijkheid. ¶ 百方手を盡す geen middel onbeproefd laten. ¶ 己の分を能く盡す zijn taak goed volbrengen. ¶ 言語に盡し難き onbeschrijfelijk.

tsukuri

(作り) zn. (1) [構造] maaksel o.; fabrikaat o. (2) [化粧] toilet o. (3) [產出] oogst m. ¶ 作りの堅固な goed gemaakt; stevig geconstrueerd.

tsuku附く

i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.

tsukamaru捉まる

(捕まる) i.w. gegrepen worden; gepakt worden; in handen vallen; (物によつて體を支へる) zich vastklemmen aan; goed vasthouden; vastklampen.

tsūjiru通じる

i.w. (1) [通過] passeeren; voorbijgaan. (2) [精通] grondig op de hoogte zijn; t.w. kennen. i.w. (3) [了解] verstaan worden; gangbaar zijn. (4) [姦通] onzedelijke betrekkingen hebben; liaison hebben. (5) [內應] in ’t geheim in verbinding staan t.w. (6) [通過さす] laten passeeren; doorlaten. (7) [連絡] verbinden. (8) [知らす] laten weten; bekend maken. ¶ 都市には鐵道が通じてゐます de voornaamste steden zijn door spoorwegen verbonden. ¶ 蘭語に通じる goed Hollandsch kennen. ¶ 英語の通じない處はない Engelsch wordt overal verstaan. ¶ 敵に通じる in geheime relatie staan met den vijand. ¶ 女と通じる scharrelen met een vrouw. ¶ 橋を通じる door een brug verbinden; brug slaan. ¶ 電流を通じる stroom sluiten. ¶ 意志を通じる bedoeling bekend maken. ¶ 電話が通じない de telefoon geeft geen gehoor.

tsugō都合

(都合) zn. (1) [便宜] gemak o.; voordeel o. (2) [事情] omstandigheden v.mv.; situatie v. (3) [場合] gelegenheid v. (4) [機會] geschikte gelegenheid v. bw. (5) [合計] totaal. ¶ 雙方に都合が好い voordeelig voor beide partijen. ¶ 都合により wegens omstandigheden. ¶ 其の時の都合で al naar het dan uitkomt. ¶ 都合次第に zoodra het schikt. ¶ 都合を待つ goede gelegenheid afwachten. ¶ 都合惡しき ongelegen; ongunstig. ¶ 都合よき gelegen; geschikt; gunstig. ¶ 都合よく gelukkig; het trof goed, dat..... ¶ 都合する schikken; regelen; regeling treffen.

tsugunai

(償い) zn. vergoeding v.; schadeloosstelling v.; compensatie v.; indemniteit v.; boetedoening (贖罪) v.; zoengeld o. ¶ 償ふ vergoeden; schadeloosstellen; vergoeding geven; boete doen. ¶ 償ひ難き onherstelbaar; niet goed te maken. ¶ 損害を償ふ verlies vergoeden. ¶ 出費を償ふ de kosten dekken; zich bedruipen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
haiはい
(tussenwerpsel) (1) [reactie die instemming betuigt met een voorafgaande uiting die bevestigend is of bevestiging impliceert] ja; jawel; jazeker; ik snap het; oké; akkoord. [reactie die instemming betuigt met een ontkennende vraag] nee; dat is [niet] zo; klopt. ¶ 「分かりますか」「はい、わかります」 ‘wakarimasu ka?’ ‘hai, wakarimasu’ ‘begrijp je het?’ ‘Ja, ik begrijp het’. ¶ 「分かりませんか」「はい、分かりません」 ‘wakarimasen ka?’ ‘hai, wakarimasen’ ‘begrijp je het niet?’ ‘nee, ik begrijp het niet’. ¶ 「入ってよろしいですか」「はい、どうぞ」 ‘haitte yoroshii desu ka?’ ‘hai dōzo’ ‘mag ik binnenkomen?’ ‘ja, alsjeblieft’. ¶ 「あなた達は学生ですか」 「はい、そうです」 anatatachi wa gakusei desu ka?’ ‘hai, sō desu’ ‘zijn jullie studenten?’ ‘ja, dat klopt’. ¶ 「今日来ませんか」 「はい‘kyō wa kimasen ka?’ ‘hai ‘komt hij vandaag niet?’ ‘nee’. ¶ 「明日も来てくれませんか」 「はい、伺います」 ashita mo kite kuremasen ka?’ ‘hai, ukagaimasu’ ‘[waarom] kom je morgen ook niet?’ ‘dat is goed, ik zal komen’. (2) [om aan te geven dat men luistert] oh?; ah; oh ja? (3) [om aan te geven dat men aanwezig is] hier ben ik! present! (4) [om de aandacht te trekken wanneer men iets wil geven of gaan zeggen of vragen] ¶ 「はい。こちらがレシートです」 hai. kochira ga reshiito desu’alstublieft, hier is uw bon’. ¶ 「はい、百円のおつりです」 hai, hyaku en no otsuri desu’alstublieft, 100 Yen wisselgeld’. ¶ 「はい、あなたの鍵です」 hai, anata no kagi desu’hier, je sleutels’. ¶ 「はい」「何ですか」 「ちょっと質問があるんですが」 hai’ ‘nan desu ka’ ‘chotto shitsumon ga arun desu ga’ ‘meneer?’ ‘wat is er?’ ‘ik wil iets vragen ...’
yoroshikuよろしく、宜しく
bw. (1) goed; behoorlijk; geschikt; passend (2) [groeten overbrengen] ¶ ご家族によろしくお伝え下さいGokazoku ni yoroshiku otsutae kudasai. Doe alsjeblieft de groeten aan je gezin [familie]. ¶ お父さんによろしく。Otōsan ni yoroshiku. Doe de groeten aan je Pa. (3) [introducties, zorgen voor] ¶ こんにちは。は田中一郎です。よろしくお願いします。♂ Konnichi wa. Boku wa Tanaka Ichirō desu. Yoroshiku onegaishimasu. Hallo! Ik ben Ichiro Tanaka. Leuk jullie te ontmoeten (lett. [behandel] mij behoorlijk). ¶ 息子をよろしくお願いします。 Musuko wo yoroshiku onegaishimasu. Zorg alstublieft goed voor mijn zoon.
nihongo‚ nippongo日本語

[taal] Japans; het Japans; de Japanse taal. ¶ 彼女は日本語が話せます。Kanojo wa nihongo ga hanasemasu. Zij kan Japans spreken [TTC] ¶ 日本語のソフトを落とすコツ・いいサイトありませんか? Nihongo no sofuto wo otosu kotsu / ii saito arimasen ka? Zijn er geen foefjes of goede websites om Japanse software binnen te halen? [TTC] ¶ 日本語版があったらいいな。 Nihongohan ga attara ii na. Het zijn zou fijn zijn als er een Japanse uitgave [editie] was. [TTC]

seikai正解
(znw) (1) het juiste antwoord; de juiste verklaring [interpretatie]; correct; juist; goed. ¶ 正解をまるで囲みなさいSeikai wo maru de kakominasai. Omcirkel het juiste antwoord alsjeblieft. (TTC) ¶ そっか!!それ正解だよね Sokka! Sore ga seika da yo ne! Ja toch! Zo is het toch! (twitter) (2) (als evaluatie achteraf) de juiste beslissing; de juiste keuze. ¶ どんどんひどくなっていく今日は出かけなくて正解だったAme ga dondon hidoku natte iku. Kyō wa dekakenakute seikai datta. De regen wordt steeds erger. Ik ben blij dat we niet weg zijn gegaan. (yamasv)
pittariぴったり
(1) zonder tussenruimte; strak; nauw; naadloos; hermetisch. ¶ 全部ぴったり閉まってたのにどうやってそのに入ったんだろうMado wa zenbu pittari shimatte ta no ni, dō yatte sono neko wa ie no naka ni haittan darō. Dat ondanks dat alle ramen potdicht waren die kat toch is binnengekomen. Ik vraag me af hoe. ¶ はぴったりしたジーンズが好きですWatashi wa pittarishita jīnzu ga suki desu. Ik houd van strakke spijkerbroeken. (yamasv) (2) precies; exact. ¶ 2つの指紋がぴったり一致した。つまりが殺人犯だ。 Futatsu no simon ga pittari itchishita. Tsumari kare ga satsujinhan da. De twee vingerafdrukken zijn een exacte match. Dat betekent dat hij de moordenaar is. ¶ 日本電車いつもぴったりの時間来るNihon no densha wa itsu mo pittari no jikan ni kuru. Treinen in Japan zijn altijd precies op tijd. (yamasv) (3) past; past goed bij; geschikt [voor, om]. ¶ この料理はこのワインにぴったりだ。 Kono Ryōri wa kono wain ni pittari da. Dit gerecht past goed bij deze wijn. ¶ 温泉はリラックスするのにぴったりの場所だ。 Onsen wa rirakkususuru no ni pittari no basho da. Hete (natuur)baden zijn heel geschikte plaatsen om te ontspannen. (yamasv) ¶ その帽子彼女にぴったりだ。 Sono bōshi wa kanojo ni pittari da. Die hoed [muts, pet] staat haar precies goed. ¶ ぴったり合うどうか、この新調のを着てみなさいPittari au ka dō ka, kono shinchō no fuku wo kite minasai. Probeer eens of dit nieuwe pak goed past. (TTC) (4) opeens; plotsklaps (stoppen).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <goed>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
いで ide (1) komaan; vooruit; allee; welaan; kom op; ju; [veroud.] tsa; (2) zo; goed; bon; (3) jee; jeetje; ai; (4) nee; (5) wel; nu; nou; goed
うん un ja; goed; hm
きちんと kichinto netjes; precies; exact; goed
ぎゅっと gyutto stevig; goed; stevig vast; krachtig
しっくり shikkuri precies; tot in de puntjes; als gegoten; volmaakt; exact; perfect; keurig; goed
ちゃんと chanto (1) netjes; fatsoenlijk; keurig; zoals het hoort; goed; prompt; wel; degelijk; fatsoenlijk; terdege; deugdelijk; behoorlijk [vaak door shita した gevolgd]; (2) zeker; precies; exact; perfect
とっくり tokkuri [~と] zorgvuldig; ernstig; voldoende; goed; grondig; diep; rijpelijk
ねた neta (1) materiaal; stof; ingrediënt; (2) fonds; middel; instrument; (3) gegevens; data; informatie; materiaal; (4) goed; waar; spul; artikel; product; (5) apparaat; mechaniek; toestel; instrument; (6) [volkst.] bewijs; spoor; bewijsmateriaal; (7) [Jap.barg.] maaltijd; maal; eten; voedsel; (8) [cul.] sushi-ingrediënt; [i.h.b.] vis
ふん fun (1) ja; goed; hm; (2) poeh; poe; pfuh; pfoe; phoe; pf; bah; foei [= uitroep van spot;minachting]
ウエア uea goed; kleding; kleren; tenue
オーケー;OK ookee (1) goedkeuring; akkoord; fiat; inwilliging; instemming; toestemming; (2) succes; (3) OK; oké; goed; het is in orde; akkoord; afgesproken; ja; komt voor mekaar; all right
グッド guddo (1) goed; (2) Goode
サバ saba (1) [dierk.] makreel; Scomber scombrus; (2) Sabah; (3) goed; OK
フン fun (1) Hun; Hunnen; (2) ja; goed; hm; (3) poeh; poe; pfuh; pfoe; phoe; pf; bah; foei [= uitroep van spot;minachting]
一張羅;一挺羅;一丁羅 itchoura (1) zondagse kleren; goed; kledij; zondagskleren; zondagsgoed; zondagskostuum; zondagspak; zondagsdos; beste kleren; beste gewaad; (2) enige kleren; enige kledij
ue (1) bovenste gedeelte; bovenkant; bovendeel; (2) gebied boven iets; (3) top van een berg; bovenverdieping van een huis; (4) superioriteit; summum; het beter zijn in iets; het meer getalenteerd zijn in iets; het meer begaafd zijn in iets; het kundiger zijn in iets; autoriteit; (5) superieure positie; hoge(re) rang; betere stand; betere maatschappelijke positie; (6) keizer; vorst; soeverein; (7) hoger; (8) in leeftijd ouder; (9) superieur; hoger in rang; hoger qua maatschappelijke positie; (10) goed; beter; kundig(er); begaafd(er); (meer) getalenteerd; bekwaam; bedreven; capabel; (11) bovenop; als klap op de vuurpijl; op de koop toe; behalve; (12) na; achter; als resultaat van; ten gevolge van; als uitkomst van; (13) wat betreft; (14) nu dat; nadat; (15) aangezien
不良品 furyouhin (1) goederen van mindere kwaliteit; minderwaardig fabrikaat; goed; (2) afgekeurd product; goed; artikel; slechte; ondeugdelijke waar; slecht stuk
了解 ryoukai (1) begrip; verstandhouding; verstand; bevatting; bevattingsvermogen; comprehensie; (2) instemming; toestemming; goedkeuring; akkoord; bewilliging; (3) [fil.] verstaan; Verstehen; (4) oké; [afk.] OK; begrepen; goed; in orde; akkoord; afgesproken; ja; all right; [無線通信で] Roger; ontvangen en begrepen
rei (1) bevel; order; (2) regel; wet; (3) [Meiji-periode] gouverneur; prefect (1871-1886); (4) [Kamakura-periode] subhoofd van het Mandokoro 政所; (5) [ritsuryō] kwartiermeester; wijkmeester; buurtmeester; (6) [Chin.gesch.] gouverneur; prefect; (a) opdragen; bevelen; order; (b) regel; wet; (c) hoofd; chef; (d) goed; gelukkig; (e) [uit respect voor andermans familie]
体によい karadaniyoi goed; bevorderlijk voor de gezondheid; gezond; heilzaam
dore (1) welke (ervan); wat; (2) nu dan; welnu; zo; nou; wel; goed
優しい;恥しい yasashii (1) zacht; [m.b.t. stem] rustig; teder; mild; braaf; suave; zoet [als een lammetje]; (2) gracieus; bevallig; elegant; sierlijk; (3) vriendelijk; aardig; lief; liefdevol; minzaam; lieflijk; zachtaardig; goedaardig; goed; -vriendelijk [b.v. klantvriendelijk]; (4) attent; zorgzaam; begaan met; medelevend met; oplettend; bezorgd; voorkomend; gedienstig; (5) zich klein voelen; zich nietig voelen; zich schamen; zich generen; beschaamd zijn; zich opgelaten voelen; zich niet op zijn gemak voelen; in verlegenheid gebracht zijn [meestal 恥しい gespeld]; (6) nederig; teruggehouden; ootmoedig; modest; deemoedig; braaf [meestal 恥しい gespeld]
優遇される yuuguusareru hartelijk ontvangen worden; hartelijk; welwillend bejegend worden; warm; gastvrij onthaald worden; gastvrijheid genieten; hartelijk verwelkomd worden; goed; vriendelijk; correct behandeld worden; begunstigd worden; voorgetrokken worden; [i.h.b.] goed betaald worden
優遇する yuuguusuru hartelijk ontvangen; hartelijk; welwillend bejegenen; warm; gastvrij onthalen; hartelijk verwelkomen; goed; vriendelijk; correct behandelen; begunstigen; voortrekken; [i.h.b.] goed betalen
koku (a) te boven komen; overwinnen; (b) goed; voldoende
勘考する kankousuru goed; zorgvuldig nadenken over; rijpelijk overleggen; overwegen; overdenken; wikken en wegen
吉祥 kichijou (1) goed; gunstig omen; gelukkig voorteken; geluksteken; (2) [Jap.gesch.] poortwachter; poortwacht
吉祥 kisshou (1) goed; gunstig omen; gelukkig voorteken; geluksteken; (2) [Jap.gesch.] poortwachter; poortwacht
否や inaya (1) bezwaar; niet-instemming; afkeuring; weigering; (2) goed- of afkeuring; aanvaarding of weigering; (3) […や~] meteen als; toen; zodra; (4) […や~] wel of niet; al dan niet; (5) neenee; nee toch; (6) nee toch
否応 iyaou goed- of afkeuring; toestemming of verwerping
品物 shinamono (1) goed; waar; spul; artikel; [verzameln.] goederen; waren; (2) [i.h.b.] handelsartikel; product
shina (1) goed; waar; spul; [m.b.t. handel] artikel; [verzameln.] goederen; [verzameln.] waren; [i.h.b.] voorraad; (2) kwaliteit; (3) iets; ding; [i.h.b.] gift; [i.h.b.] cadeau; [m.b.t. menu] gerecht
hin (1) goed; artikel; waar; [cul.] gang; (2) (mate van) verfijning; waardigheid; fatsoen; kwaliteit; oorbaarheid
zen goed; het goede; goeds
善い ii goed
善哉 zenzai (1) goed gedaan!; prima!; klasse!; bravo!; schitterend!; (2) goed; puik; prima; (3) [cul.] dikke zoete azukibonensoep met rijstedeegballetjes
善良 zenryou goed; braaf; deugdzaam; eerlijk; [gew.] deugdelijk
善良な zenryouna goed; braaf; deugdzaam; eerlijk; [gew.] deugdelijk
大人しい otonashii (1) zacht; (2) rustig; bedaard; kalm; stil; (3) gehoorzaam; volgzaam; gedwee; gewillig; zoet; gezeglijk; meegaand; inschikkelijk; (4) [m.b.t. dieren] tam; getemd; mak; niet wild; (5) zoet; braaf; goed; niet stout; (6) bescheiden; nederig; ingetogen
kou (1) schoonheidskenmerk; lakṣaṇa; [boeddh.] secundair fysiek kenmerk van Boeddha; (2) goed; gunstig; (a) houden van; verkiezen; (b) knap; (c) uitstekend; prima; (d) goed; gunstig; (e) vriendschap; (f) meug; voorkeur
宜しい yoroshii (1) passend; gelegen (komend); goed te keuren; geoorloofd; geschikt; (2) goed; (3) akkoord; nou goed; (4) neen; bedankt
宜しく;宜敷 yoroshiku (1) goed; zoals het hoort; gepast; op de juiste manier; geschikt; in orde; passend; naar eigen goedvinden; (2) de groeten aan ~; (3) als ware ~; alsof ~; (4) aangenaam (met u kennis te maken); (5) laten we goed met elkaar opschieten
gi (1) het passend-zijn; het geschikt-zijn; passendheid; geschiktheid; (a) geschikt; passend; gepast; goed; juist
巧み takumi vakkundig; ervaren; deskundig; kundig; bekwaam; vaardig; slagvaardig; bedreven; goed; onderlegd; handig; behendig; ingenieus; vernuftig; kunstig; knap; slim; vindingrijk; spitsvondig; listig; sluw
巧みな takumina vakkundig; ervaren; deskundig; kundig; bekwaam; vaardig; slagvaardig; bedreven; goed; onderlegd; handig; behendig; ingenieus; vernuftig; kunstig; knap; slim; vindingrijk; spitsvondig; listig; sluw
nuno (1) stof; doek; goed; weefsel; textiel; (2) [bouwk.] horizontaal; waterpas; streks; liggend
当たり年 ataridoshi (1) goed; gunstig; uitstekend; prima jaar; topjaar; [Belg.N.] boerenjaar; (2) geluksjaar
愉快 yukai (1) aangenaamheid; behagen; genoegen; genot; vermaak; behaaglijkheid; vreugde; plezier; schik; pret; aardigheid; leukheid; welgevallen; welbehagen; verblijding; jolijt; (2) aangenaam; prettig; plezierig; leuk; fijn; plezant; genoeglijk; genietelijk; vermakelijk; goed; aardig; jolig; welgevallig; behaaglijk; weldadig; leutig
愉快な yukaina aangenaam; prettig; plezierig; leuk; fijn; [Belg.N.;spreekt.] plezant; genoeglijk; [veroud.] genietelijk; vermakelijk; goed; aardig; jolig; welgevallig; behaaglijk; weldadig; [gew.] leutig
慮る omonpakaru (1) goed; ernstig nadenken over; overdenken; overpeinzen; (2) in beraad; aanmerking nemen; in bedenking; overweging houden
晴れ着 haregi (1) zondagse kleren; goed; kledij; pak; zondagskleren; zondagsgoed; zondagskostuum; zondagspak; zondagsdos; beste kleren; beste gewaad; [inform.] apenpak; (2) prachtkleren; prachtig gewaad
有無を言わせず umuwoiwasezu of men wil of niet; of hij; zij het wil of niet; zin of geen zin; willens nillens; willens of onwillens; willen of niet; goed- of kwaadschiks; noodgedwongen
正しい tadashii (1) correct; juist; goed; zuiver; waar; recht; [m.b.t. antwoord e.d.] kloppend; (2) correct; juist; gepast; aangewezen; terecht; passend; gerecht; billijk; gerechtvaardigd; rechtmatig; (3) braaf; goed; deugdzaam; rechtschapen
然る可く shikarubeku naar behoren; fatsoenlijk; behoorlijk; goed; op de juiste manier; zoals het moet
物品 buppin artikel; koopwaar; handelswaar; product; goed; [verzameln.] goederen; waren
motsu zaak; ding; waar; goed; spul
mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
畏まりました kashikomarimashita goed!; begrepen!; OK!
gi [aangehecht aan naamwoorden] -kleding; -plunje; -tenue; -goed
確り;聢り shikkari (1) stevig; goed vastgemaakt; hecht; vast; strak; (2) [m.b.t. het onthouden] stevig; goed; deugdelijk; [m.b.t. studeren] hard; intens
福音 fukuin (1) goed; verheugend; heuglijk nieuws; goede; verblijdende tijding; [arch.] blijmare; (2) [chr.] blijde boodschap; goede boodschap; evangelie; [veroud.] blijmare
程好い hodoyoi (1) juist; passend; geschikt; gunstig; (vrij) goed; (2) matig; gematigd; redelijk
精通する seitsuusuru goed; als zijn broekzak kennen; door en door kennen; wel kunnen dromen; goed ingelicht zijn (over); op de hoogte zijn (van); bekend zijn (met); geverseerd zijn (in); goed thuis zijn (in); bedreven zijn (in); onderlegd zijn (in); ingewijd zijn (in)
結構 kekkou (1) structuur; constructie; bouwsel; bouw; geraamte; kader; (2) steun; stut; spant; (3) opbouw (van een verhaal); plot; verwikkeling (van een verhaal); (4) goed; fijn; mooi; (5) prachtig; magnifiek; schitterend; (6) lekker; heerlijk; (7) ten zeerste; zeer; erg; geweldig; in hoge mate; ruimschoots; rijkelijk; overvloedig; buitengewoon; buitengemeen; enorm; geweldig; (8) aardig; nogal; tamelijk; vrij; vrij wat; redelijk; in redelijk hoge mate; behoorlijk; best
美く;甘く;旨く;巧く;上手く umaku (1) lekker; goed; smakelijk; (2) goed; vakkundig; knap; uitstekend; handig; bedreven; kundig; vaardig; behendig; (3) geslaagd; voorspoedig; succesvol; naar genoegen; bevredigend; gelukkig; gelukkigerwijs
美味しい oishii smakelijk; lekker; goed
耳聡い mimizatoi scherphorend; met een scherp; goed; fijn gehoor
聖域 seiiki (1) heilig gebied; gewijde plaats; sacrarium; (2) vrijplaats; asiel; toevluchtsoord; [fig.] onaantastbaar recht; goed; heilig huisje; heilige koe
ryou (1) [onderw.] goed; ruim voldoende; B; (a) goed; prima; bene-; eu-; (b) gedwee; (c) fortuinlijk
良い;好い;宜い ii goed; kostbaar; mooi; fraai; gunstig; aangenaam; fijn; lekker; mogelijk; toegelaten; OK; genoeg; voldoende
良い;善い;好い;吉い;佳い;快い yoi (1) goed; juist; correct; (2) goed; knap; uitstekend; mooi; welgevallig; (3) geschikt; passend; (4) acceptabel; aanvaardbaar; geoorloofd; (5) makkelijk te ~; eenvoudig
良き yoki (1) iets goeds; het goede; (2) goed
良く;好く;善く;能く yoku (1) goed; voldoende; aandachtig; nauwkeurig; zorgvuldig; (2) vlot; kundig; vaardig; behendig; (3) erg; heel; zeer; (4) vaak; dikwijls; (5) hoe ~!; wat ~! [uiting van bewondering;lof;vreugde;afgunst]; (6) hoe ~!; wat ~! [pejoratieve betekenis]
良し;好し yoshi goed; fijn; in orde; oké; OK; [Belg.N.;spreekt.] bon
良好 ryoukou goed; mooi; fraai; fijn; keurig; deugdelijk
良好な ryoukouna goed; mooi; fraai; fijn; keurig; deugdelijk
kusuri (1) geneesmiddel; medicijn; medicament; artsenij; (2) scheikundige stoffen; chemicaliën; (3) glazuur; email; (4) buskruit; kruit; (5) voordeel; nut; heil; baat; goed; (6) greintje; grein; beetje; kleine hoeveelheid
親切 shinsetsu (1) iets aardigs; vriendelijke daad; gunst; goedheid; welwillendheid; vriendelijkheid; voorkomendheid; (2) aardig; vriendelijk; goed; beminnelijk; attent; voorkomend; lief; gemoedelijk; humaan
財産 zaisan eigendom; bezitting; bezit; goed; fortuin; vermogen; rijkdom
資本 shihon (1) kapitaal; hoofdsom; (2) goed; [fig.] waardevol bezit
達者 tassha (1) meester; expert; deskundige; vakman; specialist; kenner; (2) goed; knap; sterk; thuis in; vaardig; bedreven; behendig; deskundig; doorkneed; geverseerd; vertrouwd; ervaren; kundig; vakkundig; bekwaam; capabel; geroutineerd; routineus; habiel; (3) uitstekend; prima; fris en gezond; tiptop; kerngezond; fit; kranig; kras; fiks; flink; springlevend; (4) gewiekst; leep; bijdehand; gehaaid; uitgekookt
風俗 fuuzoku (1) manieren; sociale gewoonten; goed; beleefd gedrag; mores; (2) zeden; openbare zedelijkheid; publieke moraliteit; (3) volwassenenentertainment; seksindustrie
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 110 treffers, warandict: 82 treffers (zoekopdracht: 'goed'). 
2005-2026