RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gezelschap>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
お付き合い otsukiai (1) gezelschap; omgang; kameraadschap; [Belg.N.] compagnie; (2) sociale verplichting; sociale beleefdheid
アソシエーション asoshieeshon (1) vereniging; genootschap; gezelschap; bond; associatie; maatschappij; (2) [psych.] associatie
パーティー paatii (1) fuif; party; partijtje; feestje; (2) groep; gezelschap; ploeg; (3) partij
一党 ittou (1) bende; kliek; gezelschap; (2) [pol.] een partij; (3) [Jap.gesch.] samoeraiclan
一団 ichidan bende; groep; troep; gezelschap; kring; stel; partij; korps; [m.b.t. boeven] gang; [inform.] zootje
一座 ichiza (1) medeaanwezigheid; het medeaanzitten; (2) alle aanwezigen; aangezetenen; hele gezelschap; aanwezige mensen; (3) feestelijke bijeenkomst; partij; receptie; diner; feestmaal; banket; (4) troep acteurs; artiesten; gezelschap; groep; compagnie; kring; (5) één beeld; (6) één heiligdom; (7) één sessie; (8) één bundel kettingverzen; haiku's; (9) ereplaats; belangrijkste plaats
一群 ichigun groep; schare; schaar; gezelschap; troep; bende; kudde; [鳥の] vlucht; [犬の] meute
一行 ikkou gezelschap; groep; [i.h.b.] gevolg; consorten; [Belg.N.;spreekt.] compagnie; [veroud.;m.b.t. muz.;ton.] troep
付き合い tsukiai (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; gemeenschap; relatie; gezelschap; vriendschap; anschluss; [i.h.b.] verkering; kennissen; kennissenkring; (2) [meegaan enz. uit] sociale beleefdheid
仲間;中間 nakama (1) maat; partner; metgezel; genoot; makker; kameraad; gezel; compeer; compagnon; collega; deelgenoot; vriend; medestander; [inform.] kornuit; [fig.] gildebroeder; [fig.] medespeler; (2) gezelschap; compagnonschap; confrérie; groep; coterie; incrowd; bende; kring; club; consorten; stelletje; gang; [fig.] gilde; [inform.] kliek; (3) soortgenoot; slag
伴い tomonai (1) vergezelling; begeleiding; geleide; escorte; gezelschap; (2) gezel; metgezel; compagnon; partner; geleider; begeleider
具 gu (1) materiaal; gereedschap; gerei; uitrusting; [i.h.b.] boedel; uitzet; (2) [cul.] ingrediënt; (3) metgezel; partner; [i.h.b.] gezellin; gade; (4) [貴人の] gevolg; dienaar; gezelschap; [i.h.b.] gezelschapsheer; gezelschapsdame; (5) kledingstukken; (6) pastel; (7) [Jap.Barg.] gestolen geld; [Barg.] turf; (8) [maatwoord voor een set kledingstukken;ensembles;wapenrusting;stel instrumenten;schotels etenswaar]; (9) [maatwoord voor inrō;draagschrijnen]; (10) [maatwoord voor draagstoelen]; (11) [maatwoord voor zadels]; (12) [maatwoord voor boogschuttershandschoenen]; (13) [maatwoord voor bidsnoeren;paternosters]; (14) [maatwoord voor kammen]; (a) assorteren; toerusten; equiperen; stofferen; (b) gereedschap; materiaal; instrumentarium; (c) omstandig verslag; gedetailleerd
列 retsu (1) rij; gelid; reeks; sliert; file; queue; [Belg.N.] rang; (2) gezelschap; gelederen; groep
友;朋 tomo (1) vriend; gezel; -genoot; maat(je); kameraad; vrind; [veroud.] bestemaat; [in boektitel] gids voor ~; (2) gezelschap
同伴 douhan vergezelling; gezelschap; begeleiding; geleide
同伴者 douhansha begeleider; gezel; gezelschap; metgezel; partner; geleider
同行 doukou (1) het meegaan; het vergezellen; (2) gezelschap; groep; partij; troep; [Belg.N.;spreekt.] compagnie; [inform.] complotje; (3) dezelfde bank; de bank waarvan sprake is
団体 dantai (1) groep; gezelschap; ploeg; korps; [sportt.] team; [sportt.] equipe; (2) organisatie; vereniging; groepering; corporatie; lichaam; associatie
団 dan groep mensen; gezelschap; stel; troep; [i.h.b.] bende; [i.h.b.] gang
客 kyaku (1) gast; (2) bezoeker; (3) verblijvende; logé; (4) klant; (5) gezelschap
徒 to (1) persoon; individu; (2) bende; kliek; (a) te voet gaan; (b) bezitloosheid; (c) lediggang; nietsdoen; nutteloosheid; (d) gezelschap; kliek; (e) leerling; discipel; (f) gevangenisstraf
界 kai (1) omsloten ruimte; gebied; terrein; veld; domein; zone; sector; rijk; (2) vereniging; gezelschap; gemeenschap; kring; wereld; (3) grens; scheiding; (4) [boeddh.] dhātu; (5) liniëring; lijn [op papier]; (6) hulplijn; hulpstreep; (7) [biol.] Rijk; regnum; (8) [geol.] groep [lithostratigrafische eenheid]; (a) scheiding; afbakening; grens; (b) ruimte; sfeer; groep; gemeenschap
相伴 shouban (1) gezelschap; (2) deelachtigheid
社交 shakou sociale omgang; sociaal contact; sociaal verkeer; gezelschap
社団 shadan vereniging; genootschap; gezelschap; verbond; corporatie; associatie; lichaam; maatschappij; [veroud.] sociëteit
組 kumi (1) klas (in een school); (2) gezelschap; groep; ploeg; team; bende; (3) set; paar; pak; assortiment; (4) (in de boekdrukkunst) het letterzetten; (5) [maatwoord voor klassen;groepen]
群れ mure groep; menigte; drom; schare; gezelschap; bende; horde; troep; meute; kudde; drift; kolonie; roedel; school; toom; vlucht; zwerm; tros; stoet; hoop; pak; kluit; rist; [lit.t.;scherts.] heer
聞こえ kikoe (1) gehoor; hoorbaarheid; akoestiek; sonoriteit; kwaliteit van ontvangst; (2) gerucht; praatje; mare; (3) reputatie; faam; roem; vermaardheid; weerklank; hoe iets klinkt; (4) gezelschap
退団 taidan het verlaten van een groep; gezelschap; ploeg; korps; [sportt.] team; organisatie; vereniging; groepering
連れ;連;ツレ tsure (1) gezelschap; (met)gezel; begeleider; (2) [no-term] tsure; tritagonist
連 ren (1) [paardenloterij] quinella; (2) gezelschap; bende; coterie; partij; aanhang; [Belg.N.] compagnie; metgezellen; maten; kameraden; (3) [plantk.] tribus; (4) en cie.; en co.; cum suis; [afk.] c.s.; (5) riem; [i.h.b.] 1.000 vel papier; [i.h.b.] 100 stuks karton; (6) [handelsmaat voor cellofaan: 500 m²]; (7) [maatwoord voor rijgsels;strengen;snoeren]; (8) [maatwoord voor risten (gedroogde) eetwaar]; (9) [maatwoord voor vlechtwerk]; (10) [maatwoord voor haviken;valken]; (a) op rijen staan; plaatsen; rijgen; opeenvolgen; betrekking hebben; (b) blijven duren; telkens herhalen; voortzetten; (c) gezelschap; bende; (d) bond; verbond
随伴 zuihan begeleiding; geleide; gezelschap; vergezelling
随行 zuikou begeleiding; geleide; gezelschap