
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
ji・寺
zn. tempel m.
ji・柱
zn. brug van een strijkinstrument.
ji・痔
zn. aambeien v.mv.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ji>
じ ji (1) [flexiemorfeem van negatieve twijfel of veronderstelling]; (2) [flexiemorfeem van negatieve wil]
事 ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen;praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
児 ji (1) kind; (2) jongen; (3) ik [= zelfreferentie van een kind in betrekking tot zijn ouder]; (a) kind; kindje; (b) kroost; (c) jongere; jongen
地 ji (1) grond; aarde; bodem; (2) streek; land; (3) basis; fundering; grondslag; (4) natuurlijke huid; (5) ondergrond; grondlaag; fond; veld; (6) stof; weefsel; textiel; (7) aard; karakter; (8) grondtekst; (9) werkelijkheid; realiteit; feit; (10) [go] ingenomen gebied; (11) muzikale begeleiding bij Japanse dans; (12) [Jap.muz.] motief; (13) [shamisen-muz.] grondtoon; (14) [nō-theater] koorgezang; koorzang; koorlied; koorstuk; (15) jiai-recitatie [= intonering onder shamisen-begeleiding]; (a) grond; aarde; land; (b) streek; plaats; (c) [boeddh.] bhūmi [= stadium binnen iems. religieuze ontwikkeling]; (d) grondstof; onbewerkt materiaal; (e) aard; karakter; natuur
字 ji (1) letter; letterteken; schriftteken; (2) kanji; karakter; (3) schrift; handschrift; hand
寺 ji (1) -tempel; (2) [kwantor voor tempels]
弐 ji verraden
持 ji (a) in de hand nemen; (b) vasthouden; bewaren; (c) onbesliste; gelijke stand
時 ji ~ uur; [veroud.] (te) klokke ~
次 ji (1) [veroud.] volgorde; rangorde; (2) volgend; eerstvolgend; eerstkomend; aanstaand; naast; (3) [chem.] [= duidt aan dat het oxidatiegetal substandaard is]; (4) [maatwoord voor frequentie;aantal keren;volgorde;rangorde;graad]; (a) volgen; volgend; tweede; (b) volgorde; rangorde; (c) onderweg; halverwege; (d) aantal keren; frequentie; (e) verblijven; verblijfplaats; (f) sterrenbeeld; constellatie
治 ji (a) orde handhaven; besturen; (b) genezen
滋 ji (a) weldadig zijn; voedzaam zijn; (b) welig groeien; tieren; gedijen
璽 ji (1) rijkszegel; zegel van de keizer; geheimzegel; (2) halvemaanvormig rijksjuweel [= Yasakanomagatama;één van de drie Japanse rijksinsignes]
痔 ji [geneesk.] aambeien; hemorroïden
磁 ji (a) magnetisch materiaal; (b) keramiek
自 ji (a) ik; mezelf; (b) eigen; zelf; zichzelf; (c) vanzelf; uit zichzelf; (d) vanaf
路 ji (1) -weg; -pad; -route; (2) weg langs; via …; de streek van …; (3) reisduur van … dagen; (4) -tig [maatwoord voor leeftijden per eenheid van tien jaar]
辞 ji (1) woord; woorden; tekst; rede; toespraak; (2) lyrische poëzie; beschrijving; (3) [Hashimoto-gramm.] gebonden woord; bindwoord; (4) [Tokieda-gramm.] moneem; (a) woorden; tekst; (b) weigeren; ophouden; (c) vaarwelzeggen; (d) lyrische poëzie
Tijd: 2.2 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'ji').
2005-2026
