日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘half’
日蘭辭典 (trefwoord)
yarikake遣掛
(遣り掛け; 遣りかけ) zn. begin o. ¶ 遣掛の begonnen; half afgedaan; onafgedaan; aanvankelijk. ¶ 遣掛ける beginnen; een aanvang maken; bezig zijn met.
ji

zn. (1) [] tijd m. (2) [時間] uur o. ¶ 三 half vier. ¶ 何時に om hoe laat? ¶ 分 kwart voor negen.

kowareru毀れる

(壊れる) i.w. breken; gebroken zijn; beschadigd zijn; vernield zijn. ¶ 毀れ易い breekbaar; teer. ¶ 毀れかかった half kapot; vervallen.

kuikake no食掛の

bn. half opgegeten.

usukuragari薄暗がり

zn. schemerlicht o.; half donker o.

usumekurano薄盲の

bn. half blind.

SUPPLEMENT (trefwoord)
hantsuki半月
zn.; na-adj. (Uitspraak ook wel hangetsu) (1) halve maan. (2) halve maand. (3) halve cirkel. NB samenstellingen volgen hangetsu.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <half>
センターハーフ sentāhāfu [voetb.;hockey] centrale middenvelder; middenspeler; middenveldspeler; midhalf; voorstopper; centrumverdediger; centerhalf; spil; kanthalf; half
ハーフ hāfu (1) helft; half; (2) [sportt.] halfback; half; (3) [sportt.] helft van de speelduur; speelhelft; (4) halfbloed; kind van gemengd bloed; (5) kaf [= elfde letter uit het Hebreeuws alfabet]
一半 ippan helft; half; halfje
中途半端に chūtohanpani halverwege; halfweg; half; halfslachtig; onvolledig; onvolkomen; gedeeltelijk
半ば nakaba (1) half; helft; (2) half; [inform.] bijna; semi-; (3) deels; gedeeltelijk; eensdeels ~ anderdeels; partieel; (4) middenin; in het midden van; te midden van; medio ~; halverwege; halfweg
han (1) half; (2) oneven getal; (3) half-; hemi-
好い加減 īkagen (1) gematigd; matig; (2) juist; gepast; geschikt; passend; adequaat; aangewezen; geëigend; (3) lukraak; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; gratuit; boud; (4) niet erg overtuigend; twijfelachtig; onvolkomen; halfslachtig; half; halfbakken; met de Franse slag gedaan; lauw; mat; lauwhartig; niet erg enthousiast; halfhartig; vrijblijvend; vaag; onbestemd; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig; zozo; maar net aan; (5) enigszins; tamelijk; redelijk; nogal; vrij
好い加減な īkagenna (1) gematigd; matig; (2) juist; gepast; geschikt; passend; adequaat; aangewezen; geëigend; (3) lukraak; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; gratuit; boud; (4) niet erg overtuigend; twijfelachtig; onvolkomen; halfslachtig; half; halfbakken; met de Franse slag (gedaan); lauw; mat; lauwhartig; niet erg enthousiast; halfhartig; vrijblijvend; vaag; onbestemd; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig
殆ど hotondo (1) merendeel; gros; hoofdmoot; meest; (2) op een haar na; net niet; net nog; (3) bijna; bijkans; haast; nagenoeg; schier; welhaast; vrijwel; zo goed als; zowat; half-en-half; praktisch; nauwelijks
nama (1) lef; brutaliteit; vrijpostigheid; onbeschaamdheid; insolentie; schaamteloosheid; impertinentie [verkorting van namaiki 生意気]; (2) tapbier; tappils; bier van het vat; bier uit de tap [verkorting van namabīru 生ビール]; (3) contanten; klinkende munt; contant geld; baar geld; gereed geld; gerede penningen [verkorting van gennama 現生]; (4) rauw; ongekookt; (au) naturel; ongebakken; onbereid; niet gaar; [m.n. van brandhout] groen; [m.n. van uitzending;optreden] live; [m.n. van manuscript] origineel; [m.n. van grondstof] onbewerkt; ruw; ongeraffineerd; [van mening] spontaan; [van informatie] eerstehands; (5) groen; onrijp; onervaren; onbedreven; ongeoefend; primitief; (6) half-; would-be ~ [prefix voor yōgen;ren'yōkei-vormen en meishi]
腹違いの harachigaino ~ van een andere moeder; half-
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.25 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'half'). 
2005-2026