日蘭辭典+

52 resultaten voor ‘woord’
日蘭辭典 (trefwoord)
yakusoku約束
zn. belofte v.; overeenkomst v.; verbintenis v.; voorwaarde (條件) v. ¶ 約束の時間 het overeengekomen uur. ¶ 約束を守る belofte houden; woord houden. ¶ 約束を守る人 man van zijn woord. ¶ 約束する beloven; overeenkomen; zich verbinden; afspreken. ¶ 約束手形 promesse.
iu言ふ、云ふ
(言う、云う) t.w. (1) [言ふ] zeggen. (2) [告げる] vertellen. (3) [話す] spreken. (4) [呼ぶ] noemen. ¶ 云ひ條 zelfs al neemt men aan, dat. ¶ 言へない ik kan niet zeggen of ...... ¶ 言ふ迄もなく het spreekt van zelf; uit den aard der zaak; onnoodig te zeggen dat ...... ¶ 言ふ所の zoogenaamd. ¶ 言ふに言はれない onuitsprekelijk; onbeschrijfelijk. ¶ 言ふもかなり men kan gerust zeggen, dat ..... ¶ 言ふと同時に實行する de daad bij het woord voegen. ¶ 法律から言へば wettelijk gesproken. ¶ 言ふ聞く luisteren naar iemands woorden; doen wat een ander zegt. ¶ 言はぬが花 het is het beste erover te zwijgen. ¶ それは蘭語と云ひますか hoe zeg je dat in het Hollandsch?; wat is dat in het Hollandsch? ¶ に少し言ひ度いがある ik heb je wat te vertellen. ¶ それ見な言はぬことか wel, heb ik het je niet gezegd; wel heb ik je nietgewaarschuwd? ¶ 大きく言ふ overdrijven. ¶ 暗に言ふ te verstaan geven. ¶ 物を言へなくなる verstomd staan; met stomheid geslagen zijn. ¶ を悪く言ふ kwaad van iemand spreken. ¶ あのはスミットと云ひます die meneer heet Smit. ¶ スミットと云ふ een meneer, genaamd Smit; een zekere (meneer) Smit. ¶ 彼は恩知らずだと云はれる men zegt, dat hij ondankbaar is; men verwijt hem ondankbaarheid. ¶ とは言ふものの hoe het ook zij.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
hasei派生
zn. afleiding v. ¶ 派生する afgeleid zijn van. ¶ 派生語 afgeleid woord; verwante taal.
kuchi
zn. (1) [] mond m. (2) [言語] taal v. ; woord v. (3) [味感] smaak m. (4) [入] deur v.; ingang m. (5) [吸] mondstuk o. (6) [] opening v.; gat o. (7) [空位] vacature v.; vacante plaats v.; betrekking v. (8) [人數] aantal personen m. (9) [割前] aandeel o.; portie v.; (10) [部類] soort v.; artikel o.; merk o. ¶ 開く den mond opendoen. ¶ をきく spreken met. ¶ 出す zich mengen in; zich bemoeien met. ¶ がすべる zich verspreken. ¶ 惡い gemeene taal uitslaan. ¶ と腹とは違ふ niet meenen wat men zegt. ¶ 合ふ naar den smaak zijn. ¶ を探す een baantje zoeken. ¶ 此のは品切れになりました dit artikel is uitverkocht; deze soort hebben wij niet meer. ¶ にて mondeling.
shussho出所
zn. afkomst v.; herkomst v.; oorsprong m. ¶ 語の出所 afleiding van een woord. ¶ 報告の出所 bron van informatie.
hatsuon發音
(発音) zn. uitspraak v. ¶ 發音する uitspreken. ¶ どう發音するです hoe wordt dit woord uitgesproken?
ongen溫言
(温言) vriendelijke woorden o.mv.
ji

zn. letter v.; karakter o.; woord () o. ¶ うまい een schoonschrijver; iemand met een mooie hand. ¶ が讀めない ik kan niet lezen. ¶ 之は何と云ふですか hoe spreek je dit karakter uit?

ji

(辞) zn. woord o. ¶ 景色の美しさ表はすになし de schoonheid van het landschap gaat alle beschrijving te boven.

daijōfu大丈夫

zn. groot man m.; man van eer; man van zijn woord.

kosuru擦る

t.w. wrijven. ¶ 擦り取る afwrijven; wegkrabben. ¶ 字を擦り消す een woord uitvlakken. ¶ 泥を擦り落す modder afkrabben.

koto

zn. woord o. kotoba ¶ を見よ.

kotoba言葉

zn. (1) [言語] taal v.; woorden o.mv. (2) [語] woord o.; term v. (3) [地方語] dialect v. (4) [話] spraak v.; uitlating v.; opmerking v. (5) [言方] spreekwijze v.; uitdrukking v. ¶ 言葉通り woordelijk; letterlijk. ¶ 無益の言葉を費す woorden verspillen. ¶ 言葉を違へる zijn woord breken. ¶ 言葉を換へて云へば met andere woorden; m.a.w. ¶ 言葉を掛ける het woord richten; zich wenden. ¶ 言葉爭ひ woordenwisseling; redetwist. ¶ 言葉返し vinnig antwoord. ¶ 言葉書 uiteenzetting; epistel. ¶ 言葉敵 iemand om teegen te praten; aanspraak. ¶ 言質 eerewoord. ¶ 言質を與へる zijn woord verpanden. ¶ 言葉尻 verspreking. ¶ 言葉尻を取る iemand betrappen doordat hij zich verspreekt; iemand in zijn eigen woorden vangen. ¶ 言葉違へ inconsequentie; woordbreuk. ¶ 言葉違へをする zichzelf tegenspreken; inconsequent zijn; zich niet houden aan zijn woord; zijn woord breken. ¶ 言葉咎 critiek. ¶ 言葉添へをする een goed woordje doen. ¶ 言葉遣ひ uitdrukking; spreekwijze. ¶ 言葉多きは問少し holle vaten klinken het hardst; veel geschreeuw, weinig wol.

kozetsu口舌

zn. woorden o.mv. ¶ 口舌の爭 woordenwisseling; redetwist.

zn. (1) [天空] lucht v.; hemel m. (2) [空虛] ledigheid v. (3) [眞空] vacuum o.; luchtledigheid o. (4) [幻想] ijdelheid v.; ijdele waan m. ¶ 空に上る in de lucht opstijgen; de lucht in gaan. ¶ 空な ledig; ijdel; zinnenloos; doelloos; zinledig. ¶ 空な話 zinledige geklets; ijdele woorden. ¶ 一切空 alles is ijdelheid. ¶ 空に te vergeefs; voor niets. ¶ 空の空 ijdelheid der ijdelheden.

kuchigitanai口穢い

bn. ruw; gemeen; onbeschoft. ¶ 口汚く罵る met gemeene woorden uitschelden.

kuchikazu口數

(口数) zn. (1) [人數] aantal personen m.mv. (2) [言葉] woorden. ¶ 口數が多い welbespraakt.

kūgen空言

zn. kletspraat v.; ijdele woorden o.mv.

kujū口受

zn. mondeling onderricht o.; het levende woord o.

-zume

bn. gepakt in. ¶ 行李詰の gepakt in een mand. ¶ 一行十字詰 tien woorden per regel.

zonzainaぞんざいな

bn. ruw; slordig; onverzorgd; onnauwkeurig. ¶ ぞんざいな譯 slechte vertaling. ¶ ぞんざいな言葉 onbeleefde woorden.

zōgo造語
zendaku然諾

zn. toezegging v.; goedkeuring v.; belofte v. ¶ 然諾を重んずる woord houden; belofte gestand doen.

zengen前言

zn. (1) [以前の言葉] voorafgaande woorden; wat vroeger gezegd is. (2) [豫言] voorspelling v. (3) [古人の言] oude spreuk v.; oud gezegde v. ¶ 前言を取消す zijn woorden intrekken.

zeigen贅言

zn. overtollig woord o.; pleonasme o. ¶ 贅言多き langdradig; in herhalingen vervallend.

yurai由來

(由来) zn. (1) [根元] herkomst v.; oorsprong m. (2) [原因] oorzaak v. (3) [來歷] geschiedenis v.; afleiding v. ¶ 由來する komen van; afkomstig zijn; ontstaan uit; afgeleid zijn van. ¶ 由來語 afgeleid woord.

yūigon遺言

zn. testament o.; laatste wil m.; laatste woorden o.mv. ¶ 遺言なき zonder testament; ab intestato (羅典語). ¶ 遺言して與へる legateeren; bij testament nalaten. ¶ 遺言狀 testament. ¶ 遺言者 testator; erflater. ¶ 遺言執行者 executeur-testamentair. ¶ 遺言處分 testamentaire beschikking.

yuikai遺誡

zn. vermaning van een stervende; laatste woorden o.mv.

yōgo洋語
yōgo要語

zn. woord, waar het op aan komt; voornaamste woord o.; hoofdinhoud m.

yōgo用語

zn. terminologie v.; woorden, die men gebruikt.

yakugo譯語
yahi野鄙

zn. ruwheid v.; lompheid v. ¶ 野鄙な vulgair; onbeschaafd; ruw; lomp. ¶ 野鄙な言葉 gemeene taal; ruwe woorden.

urikotoba賣言葉

(売言葉) zn. beleedigende woorden o.mv.; onhebbelijkheid v. ¶ 賣言葉に買言葉 weder vergelding; leer om leer.

untomosuntomoうんともすんとも
tsuzuri

zn. spelling (文字の) v. ¶ 綴に分つ spellen; in lettergrepen verdeelen. ¶ 一綴の文字 woord van één lettergreep; monosyllabe. ¶ 綴文 spelling.

tsukuroi

(繕い) zn. herstel o.; reparatie v.; stellen (調裝) o. ¶ 繕口 sussende woorden.

SUPPLEMENT (trefwoord)
ryakusu略す
t.w. afkorten. ¶ 最近、「地産地消」という言葉をよく耳にします。「地産地消」と は、「地元生産地元消費」を略した言葉で、「地元で生産されたも のを地元で消費する」という意味ですSaikin, ‘chisan chishō’ to yū kotoba wo yoku mimi ni shimasu. ‘chisan chishō’ to wa, ‘jimoto seisan jimoto shōhi’ wo ryakushita kotoba de, ‘jimoto de seisansareta mono wo jimoto de shōhisuru’ to yū imi desu. Recentelijk horen we vaak de uitdrukking ‘chisan chishō’. Dat is een afkorting van ‘jimoto seisan jimoto shōhi’ en heeft de betekenisplaatselijk geproduceerde producten plaatselijk consumeren’. (youtube)
fukuzatsu複雑
zn. (〜な, ~na) adj. complex; gecompliceerd; ingewikkeld; verwikkelingen in de omstandigheden, structuur of relaties van een zaak; door verwikkelingen niet eenvoudig uit de leggen of te begrijpen; moeilijk; niet oppervlakkig; bewerkelijk. ¶ 複雑炭水化物って何か知ってますか。 Fukuzatsu tansui kabutsu tte nani ka shittemasu ka. Weet je iets van complexe koolhydraten? (TTC) ¶ 女は仕事のことを尋ねられると、「私の仕事複雑なので一言では要約できません」と言った。 Kanojo wa shigoto no koto wo tazunerareru to, ‘Watashi no shighoto wa fukuzatsu na no de, hitokoto de wa yōyaku dekimasen’ to itta. Toen haar werd gevraagd naar haar werk zei ze ‘Aangezien mijn werk ingewikkeld is kan ik het niet in een enkel woord samenvatten’. (TTC) ¶ が事態を複雑にした。 Kare no uso ga jitai wo fukuzatsu ni shita. Zijn leugen maakte de zaak ingewikkeld. (TTC) ¶ 脳の構造は複雑だ。 Nō no kōzō wa fukuzatsu da. De structuur van het brein is complex. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <woord>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ワード waado (1) woord; (2) [comp.] Word
一口 hitokuchi (1) mondvol; mondjevol; mondje; hap; hapje; beet; beetje; brok; brokje; (2) slok; slokje; teug; teugje; gulp; gulpje; nip; nipje; (3) woord; woordje; [meton.] mondje; (4) belang; deelneming; participatie; (5) [寄付の] schijf; tranche
信義 shingi trouw; betrouwbaarheid; getrouwheid; trouwhartigheid; fideliteit; loyaliteit; [i.h.b.] erewoord; woord
単語 tango woord; [verzameln.] woordenschat; vocabulaire; vocabularium
kuchi (1) mond; muil; bek; [inform.] bakkes; (2) taal; spraak; woord; (3) smaak; smaakzin; (4) persoon ten laste; mond die gevoed moet worden; (5) openstaande betrekking; vacature; vacante plaats; (6) betrekking; dienstbetrekking; baan; job; aanstelling; (7) mondstuk (van een muziekinstrument); (8) kurk; stop (van een fles); (9) opening; gat; fuit; (10) route; bergpad; riviermonding; estuarium; natuurlijke haven; (11) deur; poort; ingang; uitgang; (12) soort; artikel; merk; (13) begin; (14) gerucht; praatje; verhaal dat de ronde doet; (15) aandeel; actie; effect; portie; (16) opening van een zweer
発言 hatsugen (1) verklaring; bewering; uiting; uitspraak; verwoording; opmerking; commentaar; woord; woorden; (2) voorstel; suggestie
脱字 datsuji weggelaten teken; woord; weggevallen letter; karakter; weglating; uitlating; omissie
言葉 kotoba (1) taal; spraak; (2) woord; term; uitdrukking met een specifieke betekenis; (3) zinsnede; deel van een volzin; (4) uitdrukking; (5) spreekwijze; manier van uitdrukken; uitdrukking; fraseologie; zinsbouw en woordgebruik van een spreker of schrijver; (6) dialect; streektaal; gewesttaal; patois; (7) uiteenzetting; verklaring; beschrijving; exposé; (8) uitspraak; uiting; uitlating; opmerking; (9) spreekwoord; proverbium; adagium; spreuk; kernspreuk
shi (1) woorden; tekst; gedicht; (2) [Chin.letterk.] tiáncí 填詞; (3) [Jap.spraakk.] vrijstaand woord; zaakwoord; (a) woorden; tekst; poëzie; (b) woord
話;咄;噺 hanashi (1) het praten; praat; praatje; praats; opmerking; zeggen; woord; woordje; gesprokene; [w.g.] spraak; [w.g.] zegsel; (2) gesprek; conversatie; onderhoud; babbel; propoost; [i.h.b.] overleg; (3) onderwerp (van gesprek); propoost; topic; (4) verhaal; vertelling; relaas; historie; story; geschiedenis; vertelsel; verslag; [w.g.] verhaling; (5) geklets; gebabbel; [veroud.] gesnap; gerucht; praatje; smoesje; [Bar.] kabielesementje; roddel; on-dits; spraak; (6) geval; affaire; kwestie; zaak [gebruikt als keishiki meishi 形式名詞]
go (1) woord; (2) term; terminologie; (3) spraak; uiting; uitlating; (4) taal; (5) taal van de …; -se taal [volgt op de naam van een land;volk;etc.]; (6) [maatwoord voor woorden]; (a) spreken; vertellen; zeggen; (b) woord; verwoording; (c) uitspraak; gezegde; (d) vertelling; verhaal; monogatari; (e) Lúnyǔ
ji (1) woord; woorden; tekst; rede; toespraak; (2) lyrische poëzie; beschrijving; (3) [Hashimoto-gramm.] gebonden woord; bindwoord; (4) [Tokieda-gramm.] moneem; (a) woorden; tekst; (b) weigeren; ophouden; (c) vaarwelzeggen; (d) lyrische poëzie
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 40 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'woord'). 
2005-2026