RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zitten>
似合う niau passen; betamen; voegen; sieren; [着物が] (goed) staan; (goed) zitten; (goed) kleden; [場合に] geschikt zijn; passend zijn; voegzaam zijn
先 sen (1) [~の] vorig; (2) voorheen; eertijds; vroeger; (3) voorbeurt; (4) [go;shōgi] het eerst moeten uitspelen; aan de voorhand zijn; zitten; (5) [ここを~と] erop of eronder; alles of niets; (a) voorst; meest vooruit; (b) voorafgaand; voorgaand; (c) het initiatief nemen; pionier; (d) vooraf; op voorhand; (e) vroeger; eerder; tevoren; (f) vorig; (g) tegenpartij
刺さる sasaru blijven steken; vast (blijven) zitten; blijven hangen; vastraken; klem raken
合う au (1) passen; gepast zijn; passend zijn; geschikt zijn; zitten; (2) goed staan; passen; betamen; behoren; voegen; sieren; (3) overeenstemmen; overeenkomen; stroken; matchen; beantwoorden aan; in overeenstemming zijn; harmoniëren; samengaan; samenvallen; coïncideren; (4) kloppen; juist zijn; correct zijn; [帳尻が] sluiten; gelijk uitkomen; (5) [時計が] gelijklopen; (6) renderen; lonend zijn; de moeite lonen
困る komaru (1) in moeilijkheden zijn; zitten; ellende ondergaan; in nood zijn; in benarde omstandigheden zijn; problemen hebben; ondervinden; in de problemen zitten; met een probleem zitten; omhoogzitten met; in problemen komen; in de nesten zitten; mooi uit zijn met; d'r mooi mee zitten; ertoe zitten; in verlegenheid zitten; omhoog zitten; in ongelegenheid zijn door; geen weg weten met; (2) lijden; afzien; bedroefd zijn; verdrietig zijn; verdriet hebben; (3) hulpbehoevend zijn; hulp nodig hebben; in nood zijn; verlegen zijn; zitten om; zich in armoede bevinden; tot armoede vervallen zijn; financieel aan de grond zitten; (4) verward zijn; verward staan; in de war zijn; niet weten wat te doen; verbluft staan; de kluts kwijt zijn; het noorden kwijt zijn; perplex staan; onthutst zijn; (5) verveeld raken; lastig gevallen worden; last ondervinden; gekweld worden; gehinderd worden; (6) ongerieflijk zijn; niet passen
寄り添う yorisou aan gaan liggen; zitten; staan tegen; zich nestelen bij; tegen; dicht aankruipen tegen; zich aanvlijen tegen; kroelen
居 i (1) verblijf; aanwezigheid; (2) het (gaan) zitten
断水する dansuisuru van watertoevoer afgesneden zijn; zonder water(voorziening) zitten
的中する tekichūsuru (1) het doel treffen; een voltreffer zijn; (in de roos) zitten; raak slaan; inslaan; [fig.] de spijker op de kop slaan; (2) juist raden
腰掛ける koshikakeru gaan zitten; zitten; plaatsnemen [Dit werkwoord wordt enkel gebruikt voor het zitten op een stoel of een ander zitmeubel;maar niet voor het zitten op de grond.]
詰める tsumeru (1) [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten; (2) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (3) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (4) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong;afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (5) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (6) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (7) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven
足癖 ashikuse (1) eigenaardige manier van lopen; zitten; (2) [sumō-jargon] voettechniek; voetwerk; voetenwerk
遅れている okureteiru (1) achter zijn; achterop zijn; zitten; achterblijven; achterliggen; achterstaan; achteraanblijven; geen gelijke tred houden; [gew.] in het achtergat zitten; (2) [時計が] achterlopen; achtergaan
違う;交う chigau (1) verschillen; schelen; uiteenlopen; ontlopen; verschillend; different; onderscheiden zijn; anders zijn (dan); afwijken; zich onderscheiden (qua); variëren (naargelang); ander(e) ~; (2) [m.b.t. antwoord enz.] verkeerd; fout; abuis; mis zijn; ernaast zijn; zitten; het mis hebben; [i.h.b.] zich vergissen; (3) [i.c.m. 気が] gek; krankzinnig worden; (4) [in de constructie ~ to chigau ~とちがう: de Kansai-variant van ~ dewa nai ~ではない]; (5) (elkaar) kruisen; (elkaar) passeren