日蘭辭典+

37 resultaten voor ‘zitten’
日蘭辭典 (trefwoord)
amari餘り
(余り) zn. (1) [以上] meerdere o.; overmaat v. (2) [殘餘] rest v.; restant v.; overschot o.; teveel o. (3) [差額] saldo o. ¶ 悲しさの餘り overmaat van smart. ¶ 四十餘り over de veertig. ¶ 食事の餘り overblijfselen van eten. ¶ 餘りはお前にやる je mag de rest houden. (俗) laat maar zitten. ¶ 餘りの resteerend; waardeloos.
agura胡座
zn. gekruiste beenen v.mv. ¶ 胡座をかく met gekruiste beenen zitten.
suwaru座る
(坐る、据る据わる) i.w. zitten (op den grond); gezeten zijn. ¶ 度胸が据はる zich verstouten.
zaga坐臥
(座臥) zn. zitten en liggen; dagelijksch leven o.
damaru默る

(黙る) i.w. zwijgen. ¶ 默って zwijgend; zonder iets te zeggen. ¶ 默って居て zonder iets te doen; zonder een hand uit te steken. ¶ 默れ zwijg!; hou je mond!; stilte! ¶ こんなをされては默って居れぬ ik kan dat niet op me laten zitten.

kakeruかける
(掛ける, 懸ける) (1) [吊す] ophangen; hangen. (2) [計量する] wegen. (3) [かけ渡す] bouwen; leggen; slaan. (4) [果す] opleggen; heffen. (5) [心配を] veroorzaken; bezorgen. (6) [, 時間を] besteden. (7) [錠を] sluiten. (8) [乘ずる] vermenigvuldigen. (9) [注ぎかける] besprenkelen. i.w. (10) [腰を] gaan zitten. t.w. (11) [を放す] in brand steken. (12) [掛を] afbetalen. (13) [交尾さす] laten paren. (14) [著せる] aankleeden; bekleeden met. (15) [上へ廣げる] overdekken met; overspreiden. (16) [鑑定に] onderwerpen aan. ¶ 電話線をかける telefoon aanleggen. ¶ 刷毛をかける afborstelen. ¶ かける vier met drie vermenigvuldigen. ¶ 電報をかける telegram zenden; telegrafeeren. ¶ 電話を掛ける telefoneeren; opbellen. ¶ 醫者かける dokter consulteeren. ¶ 氣に掛ける ter harte nemen. ¶ 問を掛ける vraag richten tot. ¶ 思を掛ける verliefd worden op. ¶ 讀み掛ける beginnen te lezen. ¶ に掛ける op het vuur zetten.
matagaru跨る
i.w. (1) [等に] schrijlings zitten op. (2) [亙る] zich uitstrekken over. (3) [等] overbruggen.
ji

zn. (1) [順序] volgorde v.; bn. (2) [の] volgend. ¶ 年度 het volgend boekjaar. ¶ 席に座る zitten naast. ¶ 第四 de vierde afmeting; de vierde dimensie.

koshi
zn. lendenen v.mv.; middel o.; heup v.; steel (¶ コツ ¶ プの) m. ¶ 腰¶ の低い nederig; beleefd. ¶ 腰¶ を掛ける gaan zitten. ¶ 腰¶ を折る ontmoedigd zijn.
koshikakeru腰掛ける
kowai怖い

bn. vreeselijk; verschrikkelijk; beangstigend; ontzettende. ¶ 怖い顏をする woedend gezicht zetten. ¶ 怖い目に逢ふ bang zijn. ¶ 怖い思をする in angst zitten. ¶ そんな事をして後が怖くないか als je zoo iets doet, ben je dan niet bang voor de gevolgen?

kusuburu燻る

i.w. (1) [火が] smeulen; rooken. (2) [家に] thuis zitten; nooit eens uitgaan.

zazen坐禪

(坐禅) zn. religieuze mijmering v. ¶ 坐禪する in godsdienstige overpeinzing verzonken zitten.

za-suru座する

i.w. gaan zitten.

zaseki座席

zn. zitplaats v.; ruimte om te zitten. ¶ 座席の數 aantal zitplaatsen. ¶ 複座席の tweezits-; voor twee personen.

zabuton座蒲團

(座蒲団) zn. kussen om op te zitten.

waki

zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.

ushiromukini後向に

bw. met den rug gekeerd naar. ¶ 後向に座る met den rug naar iemand toe zitten.

tsumeru詰める

t.w. (1) [閉塞する] versperren; afsluiten; blokkeeren. (2) [詰塞ぐ] opvullen; volstoppen; dichtstoppen. i.w. (3) [間を] opschikken; dichter opeen gaan zitten; (4) [押入る] dringen. t.w. (5) [短縮] inkrimpen; verkorten; verminderen. i.w. (6) [將棋] schaakmat zetten. ¶ 耳に綿を詰める watten in de ooren stoppen. ¶ 詰めて書く dicht op elkaar schrijven. ¶ 著物を詰める jas innemen. ¶ どうぞ今少しお詰め下さい wil u als het u belieft wat opschuiven; verzoeke wat op te schikken.

tsumaru詰る

(詰まる) i.w. (1) [行詰る] gestremd zijn; versperd zijn. (2) [充滿する] geheel vol zijn. (3) [窮する] in moeilijke omstandigheden zijn; in benardheid zitten. (4) [短くなる] inkrimpen; krimpen. ¶ 日が詰つてくる de dagen beginnen te korten. ¶ 金に詰つて居る om geld verlegen zijn.

tsuku就く

t.w. (1) [就任] nemen; aanvaarden; i.w. (2) [著席] gaan zitten. (3) [師に] les nemen van; studeeren onder. ¶ 席に就く plaats nemen. ¶ 官途に就く in gouvernementsdienst gaan; ambtenaar worden. ¶ 寢に就く naar bed gaan. ¶ 僧職に就く priester worden.

SUPPLEMENT (trefwoord)
chōzai長座位
zn. postitie waarbij men met gestrekte benen zit; met gestrekte benen zitten.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:7〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
大抵どの下宿屋にも特別に幅を利かせているがあるもので、そう云うは第一金廻りが好く、小気(こぎ)が利いていて、お上さんが箱火鉢を控えて据わっている前の廊下通るときは、きっと声を掛ける。

Vrijwel ieder pension heeft wel een gast die zich daar in bijzondere mate doet gelden, en die gast zit dan goed in de slappe was, is schrander, en zal wanneer hij de passage doorloopt ter hoogte van [de kamer] waar de hospita bij haar stoof zit, beslist uitgebreid groeten.

N.B. De uitdrukking 小気が利くkomt voor zover ik weet alleen voor in het werk van 森鴎外 (Mori Ōgai). De frase wordt vermeld in het boek 『名著にある美しい日本語』 (Mooi Japans in meesterwerken).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zitten>
似合う niau passen; betamen; voegen; sieren; [着物が] (goed) staan; (goed) zitten; (goed) kleden; [場合に] geschikt zijn; passend zijn; voegzaam zijn
sen (1) [~の] vorig; (2) voorheen; eertijds; vroeger; (3) voorbeurt; (4) [go;shōgi] het eerst moeten uitspelen; aan de voorhand zijn; zitten; (5) [ここを~と] erop of eronder; alles of niets; (a) voorst; meest vooruit; (b) voorafgaand; voorgaand; (c) het initiatief nemen; pionier; (d) vooraf; op voorhand; (e) vroeger; eerder; tevoren; (f) vorig; (g) tegenpartij
刺さる sasaru blijven steken; vast (blijven) zitten; blijven hangen; vastraken; klem raken
合う au (1) passen; gepast zijn; passend zijn; geschikt zijn; zitten; (2) goed staan; passen; betamen; behoren; voegen; sieren; (3) overeenstemmen; overeenkomen; stroken; matchen; beantwoorden aan; in overeenstemming zijn; harmoniëren; samengaan; samenvallen; coïncideren; (4) kloppen; juist zijn; correct zijn; [帳尻が] sluiten; gelijk uitkomen; (5) [時計が] gelijklopen; (6) renderen; lonend zijn; de moeite lonen
困る komaru (1) in moeilijkheden zijn; zitten; ellende ondergaan; in nood zijn; in benarde omstandigheden zijn; problemen hebben; ondervinden; in de problemen zitten; met een probleem zitten; omhoogzitten met; in problemen komen; in de nesten zitten; mooi uit zijn met; d'r mooi mee zitten; ertoe zitten; in verlegenheid zitten; omhoog zitten; in ongelegenheid zijn door; geen weg weten met; (2) lijden; afzien; bedroefd zijn; verdrietig zijn; verdriet hebben; (3) hulpbehoevend zijn; hulp nodig hebben; in nood zijn; verlegen zijn; zitten om; zich in armoede bevinden; tot armoede vervallen zijn; financieel aan de grond zitten; (4) verward zijn; verward staan; in de war zijn; niet weten wat te doen; verbluft staan; de kluts kwijt zijn; het noorden kwijt zijn; perplex staan; onthutst zijn; (5) verveeld raken; lastig gevallen worden; last ondervinden; gekweld worden; gehinderd worden; (6) ongerieflijk zijn; niet passen
寄り添う yorisou aan gaan liggen; zitten; staan tegen; zich nestelen bij; tegen; dicht aankruipen tegen; zich aanvlijen tegen; kroelen
i (1) verblijf; aanwezigheid; (2) het (gaan) zitten
断水する dansuisuru van watertoevoer afgesneden zijn; zonder water(voorziening) zitten
的中する tekichūsuru (1) het doel treffen; een voltreffer zijn; (in de roos) zitten; raak slaan; inslaan; [fig.] de spijker op de kop slaan; (2) juist raden
腰掛ける koshikakeru gaan zitten; zitten; plaatsnemen [Dit werkwoord wordt enkel gebruikt voor het zitten op een stoel of een ander zitmeubel;maar niet voor het zitten op de grond.]
詰める tsumeru (1) [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten; (2) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (3) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (4) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong;afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (5) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (6) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (7) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven
足癖 ashikuse (1) eigenaardige manier van lopen; zitten; (2) [sumō-jargon] voettechniek; voetwerk; voetenwerk
遅れている okureteiru (1) achter zijn; achterop zijn; zitten; achterblijven; achterliggen; achterstaan; achteraanblijven; geen gelijke tred houden; [gew.] in het achtergat zitten; (2) [時計が] achterlopen; achtergaan
違う;交う chigau (1) verschillen; schelen; uiteenlopen; ontlopen; verschillend; different; onderscheiden zijn; anders zijn (dan); afwijken; zich onderscheiden (qua); variëren (naargelang); ander(e) ~; (2) [m.b.t. antwoord enz.] verkeerd; fout; abuis; mis zijn; ernaast zijn; zitten; het mis hebben; [i.h.b.] zich vergissen; (3) [i.c.m. 気が] gek; krankzinnig worden; (4) [in de constructie ~ to chigau ~とちがう: de Kansai-variant van ~ dewa nai ~ではない]; (5) (elkaar) kruisen; (elkaar) passeren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.63 sec. jiten.nl: 23 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'zitten'). 
2005-2026