19 resultaten voor ‘ophangen’
日蘭辭典 (trefwoord)
SUPPLEMENT (trefwoord)
vrouw
(znw, de)
(1) onna no hito 女の人; josei 女性 (algemene benamingen); onna 女 (vrouw; geliefde; echtgenote; meid; prostituee); fujin 婦人 (mevrouw; dame(s)); onna no kata 女の方 (dame(s)); joshi (vrouw; mevrouw; meisje; jongedame; dochter). ¶ Er was een vrouw de was aan het ophangen. Onna no hito ga sentakubutsu wo roopu ni hoshite iru tokoro datta. 女の人が洗濯物をロープに干しているところだった。 (TA) ¶ De werkende vrouw. Hataraku josei [fujin]. 働く女性[婦女]。 ¶ De vrouwenbeweging. Josei [fujin] undou. 女性[婦人]運動。 ¶ Mevrouw Bruce was de eerste vrouwelijke piloot die de tussen Engeland en Japan vloog. Buruusu fujin wa Ei-Nichi-kan wo tonda saisho no josei pairotto de atta. ブルース婦人は英日間を飛んだ最初の女性パイロットであった。 (TA)
(2) tsuma 妻 (echtgenote); kanai 家内 (mijn vrouw); nyoubou 女房; waifu ワイフ(([mijn,zijn]) vrouw [echtgenote]). ¶ Mijn echtgenote is Chinees. Watashi no tsuma wa Chuugokujin desu. 私の妻は中国人です。 ¶ Mijn vrouw is dokter. Kanai wa isha desu. 家内は医師です。 ¶ Zijn vrouw heeft het thuis voor het zeggen. Kare wa nyoubou no shiri ni shikarete iru. 彼は女房の尻にしかれている。 (TA)
onna no hito ↔ otoko no hito
josei ↔ dansei
onna ↔ otoko
joshi ↔ danshi
tsuma ↔ otto
waifu ↔ hazu
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ophangen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ぶら下げる burasageru hangen; neerhangen; ophangen; behangen; laten bungelen; [een emmer enz.] dragen
下げる;提げる sageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen;zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau;graad;waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
切る kiru (1) knippen; afsnijden; afknippen; [先端を] afknotten; [あきれす腱を] scheuren; (2) fijnhakken; in stukjes snijden; (3) omhakken; (4) (een relatie) afbreken; (5) bekritiseren; (6) pauseren; stoppen; afbreken; (7) kaarten mengen; (8) de weg oversteken; (9) (het licht) uitdraaien; (de tv) uitzetten; (10) (een kraan) dichtdraaien; (11) (aan een stuur) draaien; (12) (de telefoon) ophangen
吊る tsuru (1) ophangen; hangen; [m.b.t. zwaard] gorden; [m.b.t. legplank] bevestigen; [i.c.m. -ている] dragen; [i.c.m. 首を] zich ophangen; [i.c.m. 首を] zich verhangen; (2) [sumō-jargon] optillen; (3) [m.b.t. wenkbrauwen e.d.] rijzen
垂らす tarasu (1) laten hangen; ophangen; (2) laten druppelen; druppelen; droppelen
張り出す haridasu (1) uitsteken; uitpuilen; vooruitspringen; (2) uitsteken; uitslaan; uitspreiden; (3) afficheren; aanplakken; ophangen
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に〜] vasthaken; [十字架に〜] slaan; [審議に〜] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に〜] op het vuur zetten; (4) [けーぶるを〜] leggen; [橋を〜] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を〜] in brand steken; [さらだにどれっしんぐを〜] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [しょーるを〜] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ぼたんを〜] dichtdoen; vastmaken; [錠を〜] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を〜] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を〜] telegraferen; (10) wegen; het gewicht vaststellen; (11) vermenigvuldigen; (12) [望みを〜] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを〜] richten; [思いを〜] verliefd worden op; [人に…の疑いを〜] aankijken op; (13) [税を〜] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を〜] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) [機械を〜] aanzetten; [目覚し時計を〜] zetten; [みしんを〜] met; op de machine naaien; [あいろんを〜] strijken; [れこーど;CDを〜] opzetten; afdraaien; [時計のねじを〜] opwinden; (15) [暇;金を〜] besteden aan; (16) [賞金を〜] uitloven; (17) [診療に〜] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) [雌牛を雄牛に〜] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) [心に〜] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
掲げる kakageru (1) [櫛で] opkammen; in de hoogte kammen; (2) [簾を] oprollen; omrollen; [裾を] opstropen; omstropen; [gew.] opsloven; [gew.] opstroppen; (3) [火を] opstoken; aanwakkeren; aanstoken; aanjagen; (4) in de hoogte heffen; steken; opheffen; hoog opsteken; lichten; tillen; optillen; ophijsen; hijsen; oplaten; (5) [fig.] [迷いを] opheffen; lichten; uit de weg ruimen; doen verdwijnen; (6) afficheren; in de kijker plaatsen; bekendmaken; afkondigen; melden; ophangen; [Belg.N.] uithangen; [政策;理想を] huldigen; (7) [記事を] publiceren; voeren; brengen; opgeven
経 kei (1) juiste weg; pad van de waarheid; (2) geschrift van een wijze; heiligengeschrift; schriftuur; (3) [text.] schering; (4) noord-zuidrichting; meridiaan; (a) [text.] schering; lengterichting; noord-zuidrichting; (b) [Chin.geneesk.] meridiaan; (c) passeren; voorbijgaan; (d) besturen; runnen; (e) ophangen; (f) onveranderlijkheid; permanentie; (g) [conf.] klassieker; (h) menstruatie
釣り下げる;吊り下げる tsurisageru (1) laten hangen; ophangen; [はんもっくを] vastsjorren; (2) laten bengelen; laten bungelen; laten slingeren; laten schommelen
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'ophangen').
2005-2026