
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hana・鼻
zn. neus m.; slurf (象の) v.; snuit (豚などの) m.; snot (洟) o. ¶ 洟を垂らす een loopende neus hebben; een snotneus hebben. ¶ 鼻をかむ den neus snuiten. ¶ 鼻を鳴らす snuiven; snotteren. ¶ とんがり鼻 spitse neus; puntneus. ¶ 獅子鼻 stompe neus; platte neus; mopsneus. ¶ 鼻先で vlak voor zijn neus. ¶ 鼻元思案 niet verder zien, dan zijn neus lang is. ¶ 鼻をつんとする den neus ophalen voor. ¶ 鼻が利く een goeden neushebben. ¶ 話が鼻にかゝる hij spreekt door den neus. ¶ 鼻に掛ける trotsch zijn op, zich beroemen op. ¶ 鼻で笑ふ ironisch lachen; sarcastisch lachen. ¶ 鼻をあかす iemand beschaamd maken. ¶ 鼻につく zich ergeren aan.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ophalen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
回収する kaishuusuru (1) ophalen; inzamelen; terugwinnen; recupereren; herwinnen; bergen; (2) terugroepen; terugnemen; intrekken; uit de circulatie nemen; terughalen; terugtrekken
回顧する kaikosuru terugblikken; terugkijken; terugzien; een terugblik werpen op; heroverwegen; ophalen; terugdenken; opnieuw bekijken; achteraf bekijken; beschouwen
建て直す tatenaosu (1) herbouwen; heropbouwen; wederopbouwen; opnieuw bouwen; opnieuw opbouwen; reconstrueren; (2) [会社を] weer overeind helpen; [i.h.b.] weer rendabel proberen te maken; ophalen
引き上げる hikiageru (1) omhoog halen; omhoogbrengen; optrekken; ophalen; ophijsen; (2) boven brengen; lichten; aan de oppervlakte brengen; [i.h.b.] bergen; (3) [値段を] verhogen; doen stijgen; optrekken; (4) bevorderen; in rang verhogen; promoveren
徴収する choushuusuru innen; incasseren; invorderen; [税を] heffen; ophalen
手繰る taguru (1) hand over hand halen; hijsen; inhalen; binnenhalen; ophalen; opwinden; haspelen; (2) [sumo] vastgrijpen; vastpakken; grijpen; pakken; (3) [fig.] het spoor volgen van; traceren; nasporen; weer nagaan; ontrafelen
拵える koshiraeru (1) maken; in elkaar steken; fabriceren; knutselend maken; vervaardigen; bereiden; in elkaar flansen; (2) bouwen; construeren; opbouwen; optrekken; (3) voorbereiden; prepareren; arrangeren; toebereiden; toebereidselen treffen; zich klaarmaken voor; zich gereedmaken voor; (4) inzamelen; ophalen; vergaren; verschaffen; voorzien; leveren [Het lijdend voorwerp van dit werkwoord is meestal een woord dat naar geld;financiële middelen;fondsen;etc. verwijst.]; (5) verzinnen; uitvinden; verdichten; fingeren; bedenken; uitdenken; fantaseren; uit zijn duim zuigen; (6) zich opkleden; zich mooi aankleden; zijn beste kleren aantrekken; zijn beste pak aantrekken; (7) zijn toilet maken; zich opknappen; zich mooi maken; make-up aanbrengen; het uiterlijk verzorgen
晴れる;霽れる hareru (1) opklaren; ophelderen; ophalen; [van mist] optrekken; wegtrekken; ophouden [met regenen enz.]; [gew.;m.b.t. weer] opschonen; verdwijnen; [van gevoelens e.d.] wijken; oplossen; ophouden; (2) opgeruimder worden; bijtrekken; opmonteren; opkikkeren; beter gehumeurd worden; (3) [verdenking;zonden e.d.] kwijtraken; gezuiverd worden van; vrijgepleit worden
書き起こす kakiokosu (1) beginnen te schrijven; aan het schrijven gaan; de pen opnemen; (2) na het inkleuren de lijnen aanzetten; accentueren; ophalen
汲む kumu (1) (water uit een put; een bron) putten; (water uit een put; een bron) scheppen; opscheppen; ophalen; (met een lepel; een spaan; etc.) uitlepelen; lepelen; oppompen; pompen; leegpompen; [酒;茶を] schenken; (2) (iemands gevoelens; denkwijze; redenering; etc.) begrijpen; snappen; meevoelen; sympathie hebben voor; zich in de gevoelens van een ander inleven; (iemand) volgen; iets in aanmerking nemen
直す naosu (1) [m.b.t. fout] goedmaken; herstellen; [pregn.] maken; redresseren; corrigeren; verbeteren; ophalen; rechtzetten; rechttrekken; rechtbreien; rectificeren; in de juiste stand zetten; in orde brengen; opknappen; bijwerken; [een euvel;gebrek e.d.] verhelpen; [zich;iem. een gewoonte enz.] afleren; afhelpen (van); (2) herstellen; repareren; maken; opknappen; helen; kalfaten; kalfateren; (3) wijzigen; veranderen; herzien; hervormen; omzetten; transponeren; ombuigen; omschakelen; converteren; omwisselen; (4) vertalen; overbrengen; overzetten; (5) verheffen tot; transcenderen; doen rijzen tot; promoveren tot; (6) opnieuw ~; nog eens ~; van voren af aan ~; over-; her-; re-; om- [aangesloten op de ren'yōkei van dōshi]
網を引く amiwohiku (1) de netten binnenhalen; een visnet lichten; ophalen; (2) een visnet slepen; een sleep doen; met een sleepnet vissen; trawlen; treilen
繰る kuru (1) [糸を] haspelen; winden; spoelen; inhalen; opwinden; ophalen; (2) [ぺーじを] omslaan; bladeren; doorbladeren; doorlopen; doorkijken; [辞書を] opzoeken in; raadplegen; naslaan in; nazien in; nakijken in; (3) [数珠を] door de vingers laten glijden; [雨戸を] één voor één schuiven; (4) [日を] chronologisch afgaan; tellen; (5) [nō-jargon] op hoge toon declameren; (6) spinnen; [綿の種を] egreneren; ontkorrelen; ontpitten
誘う sasou (1) uitnodigen; inviteren; op bezoek vragen; te eten vragen; [pregn.] vragen; nodigen; noden; (2) ophalen; meenemen; oppikken; (3) uitlokken; teweegbrengen; veroorzaken; oproepen; (op)wekken; (4) (aan)lokken; verlokken (tot); in verleiding brengen om; verleiden (tot); tronen (tot)
迎えに来る mukaenikuru (1) [人を] tegemoet komen; [lit.t.] tegenkomen; [veroud.;lit.t.] te moet komen; (2) [人を] komen om; komen halen; afhalen; ophalen; oppikken
述懐する jukkaisuru ontboezemen; uit het gemoed loslaten; ophalen; memoreren
Tijd: 1.16 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'ophalen').
2005-2026
