日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘leggen’
日蘭辭典 (trefwoord)
aomukeru仰向ける
t.w. op zijn rug leggen; achterover leggen.
tatami
(畳) zn. mat v. ¶ 疊を敷く matten leggen. ¶ 疊の上で死ぬ in zijn bed sterven. ¶ 疊をさす matten maken. ¶ 疊の上では死ねぬ男 vent met een misdadigerstronie.
tana
zn. rek o.; schap v.; latwerk o. ¶ 葡萄棚 latwerk voor een wingerd. ¶ 棚に載せる in de kast leggen; wegbergen. ¶ 自分は棚に上げて人の言ふ zwijgen over eigen fouten en spreken over fouten van anderen; “de pot verwijt de ketel”; “den balk in eigen oogen ziet men niet.” ¶ 棚から牡丹餅 onverwachte meevaller; buitenkansje.
kakeruかける
(掛ける, 懸ける) (1) [吊す] ophangen; hangen. (2) [計量する] wegen. (3) [かけ渡す] bouwen; leggen; slaan. (4) [果す] opleggen; heffen. (5) [心配を] veroorzaken; bezorgen. (6) [, 時間を] besteden. (7) [錠を] sluiten. (8) [乘ずる] vermenigvuldigen. (9) [注ぎかける] besprenkelen. i.w. (10) [腰を] gaan zitten. t.w. (11) [を放す] in brand steken. (12) [掛を] afbetalen. (13) [交尾さす] laten paren. (14) [著せる] aankleeden; bekleeden met. (15) [上へ廣げる] overdekken met; overspreiden. (16) [鑑定に] onderwerpen aan. ¶ 電話線をかける telefoon aanleggen. ¶ 刷毛をかける afborstelen. ¶ かける vier met drie vermenigvuldigen. ¶ 電報をかける telegram zenden; telegrafeeren. ¶ 電話を掛ける telefoneeren; opbellen. ¶ 醫者かける dokter consulteeren. ¶ 氣に掛ける ter harte nemen. ¶ 問を掛ける vraag richten tot. ¶ 思を掛ける verliefd worden op. ¶ 讀み掛ける beginnen te lezen. ¶ に掛ける op het vuur zetten.
oi
(覆い) zn. bedekking v.; overtrek (蒲團などの) o.; ¶ 何かで覆をしなさい bedek het ergens mee; leg er iets overheen.
owasu負はす
(負わす) t.w. (1) [擔はす] een ander doen dragen. (2) [負擔さす] beschuldigen; ten laste leggen. ¶ 傷を負はす wond toebregen.
kusari

zn. ketting m.; keten m. ¶ 時計の鎖 horlogeketting. ¶ 鎖で繋ぐ ketenen; met een ketting vastbinden; aan den ketting leggen. ¶ 鎖帷子 maliënkolder.

kyōchō强調

(強調) zn. nadruk m. ¶ 強調する nadruk leggen; accentueeren.

yokuryū抑留

zn. gevangenhouding v.; vasthouding v. ¶ 抑留する vasthouden; gevangen houden; interneeren; aan den ketting leggen (船を).

yokotaeru橫たへる

(横たへる) t.w. zijwaarts plaatsen; dwars leggen. ¶ 身を橫へる gaan liggen.

umu生む

t.w. (1) [子を] baren. (2) [生產] voortbrengen; produceeren. (3) [卵を] leggen. ¶ 魚卵を生む kuit schieten. ¶ 男子を產む bevallen van een zoon; jongen ter wereld brengen. ¶ 利子を產む rente geven; interest opbrengen. ¶ 生みの母 eigen moeder; echte moeder.

tsuyoi强い

(強い) bn. (1) [強健] sterk; krachtig. (2) [堅牢] stevig; solide. (3) [力の] krachtig; gespierd. (4) [勇壯] dapper; moedig. (5) [激烈] hevig. ¶ 強く云ふ met nadruk zeggen; den nadruk leggen. ¶ 強める versterken. ¶ 強めて言ふ nog sterker zeggen. ¶ 強み kracht. ¶ 強さ kracht; intensiteit; hevigheid; sterkte. ¶ 電流の強さ stroomsterkte.

tsumu積む

t.w. (1) [積重ねる] opstapelen; ophoopen. (2) [積載] laden; inladen. (3) [蓄積] vergaren; verzamelen. (4) [貯蓄] sparen; op zij leggen; reserveeren. ¶ 年を積む oud worden. ¶ 練習を積む veel ervaring hebben.

tsunagi繫ぎ

zn. verbinding v.; verband o.; band m. ¶ 時間繫ぎに om den tusschentijd te vullen. ¶ 繫合はす verbinden; aan elkaar binden. ¶ 繫柱 meerpaal; paal om een dier aan te binden. ¶ 繫船 vastgemeerde boot. ¶ 繫犬 hond aan den ketting. ¶ 繫ぐ vastbinden; vastmeren (船を). ¶ 獄に繫ぐ gevangen houden. ¶ 犬を繫ぐ hond aan den ketting leggen. ¶ 二十六番へ繫で下さい wil u mij verbinden met no. 26 (電話).

tsumikin積金

zn. fonds o.; bespaard geld o. ¶ 積金する ter zijde leggen; opsparen; reserveeren.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <leggen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
乗せる;のせる noseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk;complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per)
仕舞う;終う shimau (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている;ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden
伸べる;延べる noberu (1) [手を] uitstrekken; uitsteken; aanreiken; toesteken; aanbieden; verlenen; (2) [床を] spreiden; uitspreiden; leggen
入れ ire (1) het erin doen; leggen; inbrenging; (2) [beurst.] dekking op korte termijn; (3) houder om dingen in te bewaren; doos; doosje; pot; tasje; hoesje; etui; foedraal; cassette
宛てがう ategau (1) aanbrengen; aanleggen; zetten; leggen; houden aan; (2) toewijzen; aanwijzen; toekennen; toebedelen; bestemmen; reserveren; (3) geven; voorzien van; leveren; verschaffen; verlenen; aanreiken; bezorgen; aan de hand doen; [仕事を] gunnen; (4) voor iem. uitkiezen
実施する jisshisuru ten uitvoer brengen; leggen; uitvoeren; tot uitvoering brengen; implementeren; effectueren; in werking doen treden; van kracht doen worden; toepassen; uitoefenen; doorvoeren; [m.b.t. een evenement] houden
実行する jikkousuru (in de praktijk) toepassen; uitvoeren; uitvoering geven aan; ten uitvoer brengen; leggen; in praktijk brengen; implementeren; vervullen; realiseren; effectueren; verrichten; uitoefenen; volvoeren; doorvoeren; beoefenen; [m.b.t. belofte] nakomen; [m.b.t. wet] van kracht doen worden; in werking doen treden
寝かせる nekaseru (1) te slapen leggen; te ruste(n) leggen; naar bed brengen; in bed stoppen; (2) vellen; neerleggen; (3) onbenut laten; aan de kant leggen; opzijleggen; laten rusten; (4) laten rijpen; lageren; [i.h.b.] vergisten; [i.h.b.] doen gisten; fermenteren
当てる ateru (1) [がーぜを] aanbrengen; [体温計を] aanleggen; zetten; leggen; opleggen; houden aan; tegen; plaatsen; drukken; (2) treffen; slaan tegen; inslaan in; raken; (3) raden; gokken op; oplossen; (4) winnen; succes behalen; boeken; het maken; z'n slag slaan; (5) blootstellen; in contact brengen met; onderwerpen aan; (6) gaan zitten op; plaatsnemen op; (7) [生徒に] het woord geven aan; de beurt geven; om antwoord vragen
据える;居える sueru (1) plaatsen; installeren; zetten; leggen; stellen; (2) bevestigen; monteren; vastzetten; (3) een functie doen innemen; plaats doen nemen; installeren; bevestigen; aanstellen als; benoemen tot; (4) [目を] vestigen op; fixeren op; concentreren op; [度胸を] vatten; verzamelen; scheppen; [腰を] toeleggen; [腹を] bepalen; besluiten
敷く shiku (1) [敷物を] spreiden; uitspreiden; leggen; uitleggen; uitstrekken; neerleggen; [蒲団を] maken; (2) [石を] plaveien; bestraten; bevloeren; bedekken; beleggen; [砂利を] begrinden; begrinten; (3) [座布団を] gaan zitten op; plaatsnemen op; (4) [鉄道を] aanleggen; [陣を] opslaan; optrekken; (5) uitvaardigen; promulgeren; afkondigen; over heel het gebied doen gelden
敷設する;布設する;鋪設する fusetsusuru (1) aanleggen; leggen; (2) bouwen; aanbouwen; construeren
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.Gevoegd achter de ren'yōkei van een dōshi.
架橋する kakyousuru (1) een brug slaan; leggen; bouwen; construeren over; overbruggen; (2) [chem.] verknopen; crosslinken
築き上げる kizukiageru (1) [建造物を] bouwen; optrekken; oprichten; construeren; [堤防を] opwerpen; leggen; aanleggen; bedijken; (2) [fig.] [財産を] opbouwen; [家庭を] stichten; opzetten; [基礎を] leggen; [名声を] maken; vestigen
築く kizuku (1) aanleggen; [城を] bouwen; construeren; [石垣を] oprichten; optrekken; [堤防を] opwerpen; leggen; bedijken; (2) van vestingwerken voorzien; versterken; fortificeren; (3) [fig.] [財を] opbouwen; [家庭を] stichten; opzetten; [基礎を] leggen; [名声を] maken; vestigen
置く;措く;擱く oku (1) plaatsen; zetten; leggen; stellen; installeren; (2) laten liggen; achterlaten; (3) laten; zo laten; toelaten; toestaan; (4) oprichten; vestigen; instellen; stichten; grondvesten; openen; houden; (5) bewaren; opslaan; stockeren; conserveren; houden; een voorraad vormen; (6) (措く) uitzonderen; terzijde leggen; (7) erbij laten; er zich verder niet meer mee bemoeien; (8) tewerkstellen; werk geven; in dienst hebben; [bedienden] houden; (9) huisvesten; logeren; logies verlenen; (10) aanstellen als; [een persoon] in een zekere functie plaatsen; benoemen; (11) [soldaten] posteren; legeren; plaatsen; opstellen; (12) een tussenruimte laten; een tijdsinterval laten; tijd tussen laten; afscheiden; op een afstand houden [zie ook het suffix -oki 置き]; (13) verpanden; belenen; in onderpand geven; (14) [m.b.t. een laagje goud;zilver etc.] voorzien; beleggen; bekleden; vergulden; verzilveren; (15) [m.b.t. dauw;rijp;rijm;nachtvorst etc.] zich vormen; (16) iets op voorhand doen; iets alvast doen [na een て-vorm van een werkwoord]; (17) (擱く) stoppen met schrijven; de pen neerleggen; een brief afsluiten
載せる noseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; beladen; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk;complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per); (7) [een advertentie in de krant enz.] zetten; plaatsen; opnemen; publiceren; optekenen; vermelden; te boek stellen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.29 sec. jiten.nl: 15 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'leggen'). 
2005-2026