
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
fukidasu・吹出す
(吹き出す) i.w. (1) [噴出] spuiten; opspuiten. (2) [風が] beginnen te waaien. (3) [火が] uitbarsten (火山が); oplaaien. (4) [失笑] in lachen uitbarsten. t.w. (5) [噴出] spuiten; naar buiten werpen; uitstooten; uitblazen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitblazen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
休む;息む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud.;bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
吹かす fukasu (1) uitblazen; door blazen naar buiten brengen; [たばこを] roken; [ぼーるを] hoog overschieten; (2) [えんじんを] laten doordraaien; loeien; razen; een dot gas geven; (3) […風を] uithangen; zich gedragen als; (4) opscheppen; uitbazuinen
吹き出す fukidasu (1) beginnen te waaien; opsteken; (2) met kracht opwellen; ontspringen; uitbreken; uitbarsten; opspuiten; gutsen uit; eruit spuiten; (3) uitschieten; uitbotten; uitlopen; uitspruiten; in knoppen schieten; (4) uitproesten; uitschateren; in lachen uitbarsten; in de lach schieten; (5) uitblazen; naar buiten blazen; (6) [芽を] schieten
吹き払う fukiharau (1) wegblazen; afblazen; (2) krachtig uitademen; uitblazen; (3) afwissen; wegwissen; afvegen; wegvegen
引き取る hikitoru (1) terugnemen; (terug) overnemen; (2) vorderen; opvorderen; terugvorderen; terugeisen; reclameren; aanspraak maken op; claimen; opvragen; (3) zich belasten met; verantwoordelijkheid opnemen voor; onder z'n hoede nemen; zorgen voor; instaan voor; [話を] beantwoorden; antwoorden op; (4) [息を] sterven; z'n laatste adem(tocht) uitblazen; de laatste snik geven; de geest geven; (5) weggaan; zich terugtrekken; zich verwijderen; heengaan; verlaten; vertrekken; (6) [mil.] zich terugtrekken; aftrekken; de aftocht blazen; afrukken
息を吐く ikiwotsuku (1) ademen; ademhalen; respireren; (2) uitademen; uitblazen; ruimer ademhalen; vrijer ademen; herademen; op adem komen; even rusten
死ぬ shinu (1) sterven; doodgaan; overlijden; [euf.] heengaan; [fig.;euf.] inslapen; [euf.] ontslapen; [form.] expireren; [arch.] verscheiden; [i.h.b.] omkomen; vergaan; [euf.] het leven laten; [uitdr.] de wereld verlaten; [i.h.b.] de dood vinden; [i.h.b.] om het leven komen; [inform.] kapotgaan; [inform.] opkrassen; [vulg.] verrekken; [m.b.t. dieren;volkst.] creperen; [m.b.t. dieren;volkst.] peigeren; [uitdr.;euf.] uit dit leven scheiden; [uitdr.;euf.] de geest geven; [uitdr.;euf.] de laatste adem(tocht) uitblazen; [uitdr.;euf.] de doodssnik geven; [uitdr.;euf.] de laatste snik geven; [uitdr.;euf.] tot een beter leven overgaan; [uitdr.] de grote reis aanvaarden; [uitdr.] ad patres gaan; [uitdr.] de weg van alle vlees gaan; [uitdr.] de eeuwigheid in gaan; [uitdr.] voor Gods rechterstoel verschijnen; [uitdr.;euf.] het (moede) hoofd neerleggen; [uitdr.] het tijdelijke met het eeuwige verwisselen; [uitdr.;euf.] naar betere oorden verhuizen; [uitdr.] het hoekje omgaan; [uitdr.] de pijp uitgaan; [uitdr.] er geweest zijn; [uitdr.] het loodje leggen; [uitdr.] de ogen sluiten; [uitdr.] de pijp aan Maarten geven; [uitdr.] om zeep gaan; [uitdr.] naar de barbiesjes gaan; [uitdr.] de kraaienmars blazen; [uitdr.] zijn poeperd dichtknijpen; [uitdr.] het afleggen; [uitdr.] het leven afleggen; [uitdr.] de doodschuld afleggen; [uitdr.] 'm piepen; [uitdr.] zijn hachje erbij inschieten; [Barg.] kassiewijle gaan; [Barg.] het afpikken; (2) levendigheid; glans verliezen; futloos; lusteloos; doods worden; onbezield raken; zielloos worden; [fig.] wegsterven; (3) verspild worden; nutteloos besteed worden; verdaan worden; onbenut blijven; ongebruikt blijven; (4) [go-jargon] geslagen worden; (5) [honkbaljargon] van het veld af gespeeld worden; "uit" geslagen worden; uitgetikt worden
消す kesu (1) (van vuur) uitdoven; (van vuur) blussen; (van vuur) doven; (van vuur) doen ophouden; (van vuur) uitdoen; (van een kaars) uitblazen; (2) (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitschakelen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) afzetten; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) buiten werking stellen; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) doven; (van licht; van radio; van televisie; een elektrisch toestel; etc.) uitdoen; (3) [がすを] het gas uitdraaien; uitzetten; afsluiten; de gaskraan dichtdraaien; (4) wegvegen; uitvegen; wegvagen (met een vlakgom); uitwissen (van voetsporen); wissen (uit zijn geheugen); uitvlakken; (5) (een letter; een woord; een passage; etc.) doorhalen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorstrepen; (een letter; een woord; een passage; etc.) schrappen; (een letter; een woord; een passage; etc.) doorschrappen; (6) (van geluid) dempen; (van geluid) smoren; (van geluid) absorberen; (van geluid) niet weerkaatsen; (van geluid) krachteloos maken; (7) (een geur) verdrijven; (een geur) doen verdwijnen; (een geur) verjagen; (een geur) neutraliseren; (8) (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) neutraliseren; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een tegengif geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) een antidotum geven tegen ...; (een zuur; een vergif; de werking van een medicijn; etc.) onschadelijk maken; (9) vermoorden; ombrengen; liquideren; doden; koud maken; afmaken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; onschadelijk maken; (10) [姿を] verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; van de scène verdwijnen; in rook opgaan; het toneel verlaten; van het toneel verdwijnen
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 8 treffers (zoekopdracht: 'uitblazen').
2005-2026
