
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
yowai・弱い
bn. zwak; slap; teer; flauw. ¶ 弱い身體 zwak gestel. ¶ 船に弱い spoedig zeekziek zijn. ¶ 酒に弱い slecht tegen drank kunnen. ¶ 弱い議論 zwak argument. ¶ 冬の午後の弱い日光 het flauwe licht van de winternamiddag. ¶ 弱者 zwakkeling. ¶ 弱者いぢめ verdrukking der zwakken; negeraar (人); iemand, die misbruk maakt van zijn kracht om zwakkeren onrecht te doen.
yowagi・弱氣
(弱気) zn. slapheid v. ¶ 弱氣の slap; zwak; met weinig wilskracht.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zwak>
いかがわしい ikagawashii (1) verdacht; bedenkelijk; twijfelachtig; dubieus; onbetrouwbaar; niet te betrouwen; suspect; louche; fishy; [~英語] gebrekkig; zwak; (2) onwelvoeglijk; onfatsoenlijk; onzedelijk; onzedig; zedeloos; indecent; ontuchtig; schunnig; smerig; vuil; obsceen; onkuis; onoorbaar; goor; veil
お粗末 osomatsu pover; zwak; slecht; ondermaats; minderwaardig; inferieur
だらしない darashinai (1) slordig; slonzig; onverzorgd; zonder zorg; onzorgvuldig; rommelig; morsig; nonchalant; slodderig; slodderachtig; verlopen; (2) zwak; flauw; laks; lichtzinnig; [i.h.b.] ongedisciplineerd
だらしのない darashinonai (1) slordig; slonzig; onverzorgd; zonder zorg; onzorgvuldig; rommelig; morsig; nonchalant; slodderig; slodderachtig; verlopen; (2) zwak; flauw; laks; lichtzinnig; [i.h.b.] ongedisciplineerd
とろい toroi (1) [pej.] dom; stom; suf; (2) traag (van begrip); langzaam; sloom; (3) [火が] zwak; flauw
ひ弱い hiyowai zwak; fragiel; broos; delicaat; teer
ぼんやり bon'yari (1) afwezigheid; absentie; afgetrokkenheid; verstrooidheid; sufheid; dommel; dommeling; dommeligheid; (2) sufferd; sufkop; slaapkop; dommelaar; dromer; warhoofd; stommerd; stomkop; domoor; uilskuiken; ezel; oen; (3) wazig; schemerig; vaag; dof; onduidelijk; onklaar; gevoileerd; onhelder; troebel; doezelig; mistig; fuzzy; wollig; flou; nevelig; nebuleus; zweverig; (4) flets; suf; suffig; lusteloos; futloos; slaperig; lodderig; dommelig; (5) afwezig; afgetrokken; verstrooid; met zijn gedachten er niet bij; warrig; wezenloos; geesteloos; ongeconcentreerd; gedachteloos; onoplettend; achteloos; [i.h.b.] werkeloos; nietsdoend; passief; [Lat.] praesens absens; (6) stom; dof (van geest); bot; dom; stompzinnig; afgestompt; onbevattelijk; (7) [van markt;beurs enz.] gedrukt; flauw; slap; zwak
アキレス腱 akiresuken (1) [anat.] achillespees; hielpees; hakpees; (2) [fig.] achilleshiel; kwetsbare plaats; zwak punt; zwak
不味い mazui (1) onsmakelijk; vies; onappetijtelijk; goor; onfris; niet te eten; slecht smakend; wansmakelijk; (2) slecht; ongelukkig; ongelegen; importuun; ongepast; inopportuun; onverstandig; (3) lelijk; onknap; onooglijk; (4) onbedreven; zwak; krukkig; onhandig; stuntelig; slap
不況の fukyōno [m.b.t. handel;markt] flauw; slap; zwak; gedrukt; mat; stagnerend
儚げ hakanage teer; zwak; frêle; tenger; fragiel; broos; delicaat; breekbaar; kwetsbaar; voorbijgaand; onbestendig; vluchtig
幽か kasuka nauwelijks waarneembaar; flauw; vaag; onduidelijk; zwak; gering; dof; wazig
幽かに kasukani nauwelijks waarneembaar; flauw; vaag; vaagweg; onduidelijk; zwak; dof; wazig
弱い yowai zwak; flauw; slap
弱まる yowamaru verzwakken; zwak; zwakker worden; verslappen; minder intensief worden; verminderen; afnemen; verflauwen; bekoelen; [風が~] gaan liggen
弱める yowameru verzwakken; zwak; zwakker maken; afzwakken; temperen; verminderen; doen afnemen; doen verflauwen; [ガスの出を] zachter zetten; draaien; [酸を] doen verwateren; verdunnen; aanlengen
弱る yowaru (1) verzwakken; zwak; zwakker worden; achteruitgaan; verminderen; afnemen; verflauwen; verslappen; minder worden; teruglopen; [過労で] uitgeput raken; opraken; ervan weten; een klop van de hamer krijgen; [fig.] een kater hebben; (2) in de knel raken; in een moeilijke situatie raken; in de penarie raken; ten einde raad zijn; geen raad meer weten; van z'n stuk gebracht worden; niet weten wat te doen; in de rats zitten; ermee omhoog zitten; opgelaten zijn met; in z'n maag zitten met; [Belg.N.] verveeld zitten; (3) de dupe zijn; de sigaar zijn; erbij zijn; [volkst.] gesjochten zijn; (4) in de put raken; gedeprimeerd raken; ontmoedigd raken; zich verslagen voelen; neerslachtig worden; depressief worden; terneergeslagen raken; versomberen; somber worden; de fut verliezen; mismoedig worden; flippen
弱体 jakutai (1) zwak gestel; (2) zwak; wankel; gebrekkig
弱小 jakushō (1) jeugd; jeugdigheid; jonge leeftijd; (2) zwak; klein; minder
弱点 jakuten zwakke plek; plaats; zwak; teer punt; zwak; achilleshiel; zwakheid; kwetsbare plaats; zijde; gevoelige; pijnlijke; zere plek; gebrek; tekortkoming
微弱 bijaku zwak; gering; flauw; licht
拙い mazui onbedreven; zwak; krukkig; onhandig; stuntelig; slap
暗い;闇い;昏い;冥い kurai (1) donker; duister; somber; (2) (van licht) zwak; (van licht) flauw; gedimd; (3) onwetend over; geen kennis bezittend over; niet bekend met; (4) zwaarmoedig; droefgeestig; somber
泣き所 nakidokoro (1) zwak punt; zwakke plek; zwak; kwetsbare plaats; (2) meest aangrijpende passage; aandoenlijkste gedeelte
淡い awai licht; flauw; [m.b.t. licht;hoop] zwak; [m.b.t. kleuren] licht-
無力 muryoku machteloos; krachteloos; onmachtig; zwak; onvermogend; hulpeloos; [i.h.b.] incompetent; incapabel; onbekwaam; inefficiënt; impotent
病気 byōki (1) ziekte; kwaal; aandoening; affectie; ongemak; (2) euvel; gebrek; tekortkoming; zwak
痛い所 itaitokoro pijnlijke; gevoelige; rauwe; zere plek; zeer; zwak; teer punt; [fig.] open zenuw
細い hosoi (1) smal; dun; fijn; nauw; nauwsluitend; fijngebouwd; (2) gering; weinig; (3) klein; zwak
脆い moroi (1) breekbaar; teer; broos; fragiel; bros; (2) zwak; slap; week; frêle; tenger; (3) teerhartig; weekhartig
脆弱 zeijaku zwak; frêle; broos; fragiel; kwetsbaar; delicaat; tenger; teer; bros
脆弱な zeijakuna zwak; frêle; broos; fragiel; kwetsbaar; delicaat; tenger; teer; bros
腑抜け funuke (1) lafaard; lafbek; bangerik; schijterd; angsthaas; sul; watje; doetje; mietje; slappeling; bloodaard; slapjanus; sissy; moederskindje; koekje; schuimpje; labbekak; (2) laf; lafhartig; schijterig; zwak; slap; niet wilskrachtig; timide; karakterloos; zonder durf; lullig
苦手 nigate (1) nare vent; vervelend heerschap; lastige tante; moeilijk persoon; antipathiek mens; klier; lastpost; lastpak; taaierd; engerd; draak; [scheldw.] mispunt; (2) iemands zwakke zijde; (3) zwak; zwakjes zijn in; niet goed zijn in; slecht zijn in; … is niet zijn fort
薄弱 hakujaku zwak; flauw; insolide; ondegelijk; ondeugdelijk
薄弱な hakujakuna zwak; flauw; insolide; ondegelijk; ondeugdelijk
虚弱 kyojaku zwak; slap; week; broos; teer; delicaat; tenger
蚊の鳴くよう kanonakuyou [~な声で met zwakke stem; met een dun; schraal; zwak; klein; benepen; pieperig; schraal stemmetje
言ふ甲斐無し ifukahinashi (1) verloren gezegd; vergeefs; daar helpt geen lievemoederen aan; niet meer te verhelpen; niet meer ongedaan te maken; (2) […こと;さま;人;なる] onherroepelijk; onontkoombaar; onvermijdelijk; [i.h.b.] zielloos; levenloos; ontzield; (3) niet noemenswaardig; onbelangrijk; te verwaarlozen; onbeduidend; onbetekenend; onbenullig; onnozel; van weinig belang; irrelevant; (4) flauw; laf; kinderachtig; zwak; kleinmoedig; klein
貧しい mazushii (1) arm; behoeftig; armoedig; noodlijdend; (2) zwak; pover; armzalig; schamel; mager; karig; schraal; gebrekkig
貧弱 hinjaku pover; karig; schraal; kaal; mager; zwak; schamel; krap; armzalig; sjofel; sjofeltjes
非力 hiriki (1) krachteloosheid; machteloosheid; onmacht; onvermogen; zwakte; hulpeloosheid; (2) krachteloos; machteloos; onmachtig; zwak; hulpeloos
Tijd: 1.26 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 42 treffers (zoekopdracht: 'zwak').
2005-2026
