RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <licht>
あっさり assari (1) eenvoudig; simpel; zonder meer; gewoonweg; sec; tout court; (2) openhartig; eerlijk; rondborstig; frank; zonder enige reserve; (3) zo maar; vlot; met gemak; moeiteloos; gewoonweg; geredelijk; licht
あっさりした assarishita eenvoudig; simpel; beknopt; bondig; sober; [~食べ物] licht; [~人] openhartig; eerlijk; rondborstig; frank
ちょっとした chottoshita (1) onbenullig; onbelangrijk; onbeduidend; onbetekenend; te verwaarlozen; licht; gering; klein; (2) behoorlijk; niet onaardig; verdienstelijk; flink; aanzienlijk; respectabel; best een goed ~
むざむざ muzamuza (1) gemakkelijk; licht; met gemak; moeiteloos; vlotjes; zomaar; (2) zonder verzet te bieden; weerloos; hulpeloos; (3) zonder omhaal; zonder veel drukte; zonder spijt
フワフワ fuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; (3) luchtigjes; licht; lichtjes
ライト raito (1) licht; (2) recht; gerechtigheid; (3) recht; voorrecht; (4) rechts; rechterkant; rechterzijde; (5) rechtsveld; rechtsvelder; (6) [honkb.] buitenvelder; verrevelder ; (7) politiek rechts; rechtervleugel; conservatieven; (8) licht-; helder-; (9) licht(e) ~
ランプ ranpu (1) lamp; licht; [i.h.b.] controlelampje; [veroud.] pit; (2) oprit; helling; hellende invoegstrook; [gew.] ramp; (3) bilstuk; staartstuk; lendenstuk; lendenvlees
交通信号 kōtsūshingō verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
信号 shingō (1) sein; signaal; (2) verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
信号機 shingōki (1) verkeerslicht; [verk.] licht; [meton.] stoplicht; (2) [spoorw.] seininrichting; seintoestel; seinpaal; [腕木式~] semafoor; [verk.] sein
僅か;纔か wazuka (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; ietwat; enigermate; enigszins; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; amper; nauwelijks; maar net; ternauwernood; (3) krap; nauw; eng; (4) slechts; maar; enkel
僅かな;纔かな wazukana (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; (3) krap; nauw; eng
光線 kōsen (1) lichtstraal; (2) licht
光 kō (a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
光 hikari (1) licht; [Lat.] lumen; [Lat.] lux; lichtglans; lichtgloed; lichtschijn; straal; gestraal; [lit.t.] lichternis; fonkeling; flonkerlicht; schittering; scintillatie; gloed; glans; glinster; glitter; schijn [van een lamp enz.]; schijnsel; straling; gloor; gloring; luister; blink; glim; glimlicht; (2) gezag; uitstraling; glorie; macht; (3) licht (in de duisternis); hoop; (4) Hikari [stad in de prefectuur Yamaguchi]
兎角 tokaku (1) hier en daar wat; het een en ander; een hap en een snap; (2) allicht; licht; [niet alg.] zachts; naar men denken kan; hoe dan ook; in ieder geval; het wil wel eens ~
大先生 daisensei groot leraar; groot geleerde; prima leraar; autoriteit; coryfee; sommiteit; licht
小さい chīsai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さな chīsana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
影 ei (a) schaduw; (b) licht; (c) beeld; vorm; (d) afbeelding; weergave
影 kage (1) licht; schijn; maneschijn; (2) schaduw; silhouette; (3) figuur
微弱 bijaku zwak; gering; flauw; licht
手軽 tegaru licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
手軽な tegaruna licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
日差し;日射し;陽差し;陽射し;日差;日射 hizashi zonlicht; zonneschijn; zonnelicht; zonnestralen; [meton.] zon; [meton.] licht
明い akai (1) helder; licht; (2) licht; dag; klaarlicht; (3) oprecht; eerlijk; waarachtig
明かり akari (1) licht; schijn; schijnsel; (2) lamplicht; lamp; verlichting; (3) klaarte; helderheid; (4) opheldering; bewijs; blijk; (5) einde; slot; (6) [timmerlui-jargon] oog; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; [volkst.] doppen
明るい akarui (1) licht; helder; klaar; (2) opgewekt; vrolijk; zonnig; (3) fair; eerlijk; clean; schoon; rooskleurig; (4) op de hoogte van; met; bekend met; goed kennen; goed thuis in; bedreven in; ervaren in; geverseerd in; onderlegd in; vertrouwd met
明るさ akarusa (1) helderheid; briljantheid; licht; felheid; schelheid; luminositeit; (2) levendigheid; opgeruimdheid; opgewektheid; vrolijkheid; fleurigheid; fleur; (3) slimheid; slimmigheid; briljantheid
明るみ akarumi (1) klaarte; licht; dag; (2) openbaarheid
明 mei (1) licht; helderheid; klaarte; (2) inzicht; scherpzinnigheid; (3) zicht; (a) helder; licht; klaar; (b) gaaf; schitterend; (c) dagen; dag worden; (d) duidelijk; klaar; (e) inzicht; scherpzinnigheid; (f) deze wereld; hiernumaals; (g) godheid
浅い asai (1) ondiep; (2) oppervlakkig; vlak; (3) [日が~] pril; (4) [色が~] licht; bleek; (5) [香りが~] discreet; (6) [位;家柄が~] onaanzienlijk; bescheiden; (7) [情愛が~] kil; onverschillig; lauw; afstandelijk
浅 asa (1) [slang] boerse samoerai; (a) laag; ondiep; oppervlakkig; licht; bleek
淡々 awāwa [~と] licht; bleek; flauw; dof; mat; flets; vaal
淡々 tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
淡い awai licht; flauw; [m.b.t. licht;hoop] zwak; [m.b.t. kleuren] licht-
火影;灯影 hokage (1) vuurschijnsel; vuurgloed; lichtschijn; lichtschijnsel; licht; (2) beschenen gedaante; belichte figuur
火 hi (1) vuur; [volkst.] fik; vuurtje; [volkst.] fikkie; [i.h.b.] vlam; (2) brand; hens; (3) licht; lichtje; gloed
灯火 tōka licht; lamplicht
灯火 tomoshibi licht; lamplicht; schijnsel van de lamp
灯 hi licht; lichtje; gloed
照明 shōmei verlichting; belichting; licht
甘く見る amakumiru zich verkijken op; neerkijken op; verkeerd beoordelen; onderschatten; [Belg.N.] zich mispakken aan; onderwaarderen; niet ernstig nemen; niet au sérieux nemen; niet serieus nemen; niet voor vol aanzien; te licht; gemakkelijk opnemen; licht; luchtig opvatten; lichtzinnig omspringen; niet zwaar tillen aan; weinig geven om; minachten; geringschatten
甘口 amakuchi (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos; (3) [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; mild
痛みやすい itamiyasui licht; erg bederfelijk; snel bedervend; teer; broos; fragiel
緩い yurui (1) los; slap; wijd; ruim; [m.b.t. kleren] makkelijk; breed; slobberig; (2) onsamenhangend; [m.b.t. pap] dun; week; sopperig; soppig; (3) [m.b.t. enthousiasme] lauw; mat; flauw; futloos; (4) loom; inert; traag; languissant; laks; slof; sloom; lamlendig; (5) zwak (van wil); week; laks; (6) soepel; coulant; meegaand; mild; clement; gul; (7) zacht [hellend]; [m.b.t. bocht] licht; rustig [gekabbel]
肺 hai (1) long; longen; [gew.] licht; [in sanatoria] pit; (a) long; (b) gemoed; hart
薄い usui (1) [m.b.t. papier;muur;lippen;haren etc.] dun; (2) flauw; [m.b.t. koffie;thee] slap; [m.b.t. soep;pap] waterig; (3) [m.b.t. kleur] licht; bleek; vaal; mat; dof; verschoten; (4) schaars; karig; mager; niet copieus; niet overvloedig; gierig
薄手 usude (1) [~の] dun; licht; (2) lichte; oppervlakkige wond; (3) pover; oppervlakkig; weinig om het lijf hebbend
薄色の usuirono licht; lichtgekleurd; lichtkleurig; vaalkleurig; pastelkleurig
薄 usu (1) dun; (2) [concentratie;dichtheid] licht; (3) [mate] licht; (4) vaag; flou; enigszins; (5) weinig; gering
軽い karui (1) licht; niet ernstig; (2) simpel; gemakkelijk; (3) luchtig; (4) onbetekenend; niet belangrijk
軽く karuku licht; lichtjes; luchtig; lichtelijk; [lit.t.] lichtkens; enigszins; ietsje; ietsjes
軽んじる karonjiru (1) kleineren; verkleinen; depreciëren; geringschatten; minachten; versmaden; neerkijken op; neerzien op; [~よりも] achterstellen bij; achteruitzetten; [veroud.] kleinachten; (2) niet zwaar tillen aan; weinig ophebben met; een lage dunk hebben van; niets bijzonders vinden; licht; luchtig opvatten; bagatelliseren; futiliseren; minimaliseren; min denken over
軽度の keidono licht; gering; mild
軽快 keikai (1) licht; gezwind; lichtvoetig; kwiek; soepel; behendig; (2) luchtig; luchthartig; monter; speels; levendig; lustig; swingend; vrolijk; opgewekt; (3) [muz.] leggiero; (4) aan de beterende hand
軽快な keikaina licht; lichtvoetig; luchtig; [〃服装] sportief
軽快に keikaini licht; lichtvoetig; luchtig
軽犯罪 keihanzai lichte overtreding; licht; onbeduidend; gering vergrijp
軽罪 keizai (1) overtreding; licht; gering vergrijp; (2) kleine zonde; pekelzonde; dagelijkse zonde; geringe misstap; slippertje; peccadille
軽薄 keihaku (1) lichtzinnigheid; wuftheid; frivoliteit; loszinnigheid; (2) lichtzinnig; wuft; frivool; loszinnig; licht; lichtvaardig
軽視する keishisuru niet zwaar tillen aan; licht; luchtig opvatten; lichtjes opnemen; gering denken over; niets bijzonders vinden; maar niks; een peulenschilletje vinden; kleineren; geringschatten; bagatelliseren; minimaliseren; futiliseren; als onbeduidend voorstellen; depreciëren; neerkijken op; de neus ophalen voor; zijn hand niet omdraaien voor; met de nek aanzien; uit de hoogte aanzien; neerzien op; versmaden; minachten; niet veel ophebben met; [~よりも] achterstellen bij
軽量 keiryō (1) licht gewicht; (2) licht; lichtwegend; lichtgewicht-
軽 kei (1) lichte wagen; auto [= max. 3,4 m lang;1,48 m breed;2 m hoog;en met een max. cilinderinhoud van 660 cc]; (2) licht; (3) gering; klein; onbeduidend; (a) licht; (b) luchtig; (c) eenvoudig; simpel; (d) oppervlakkig; niet diepgaand; (e) geringschatten; minachten
重みのない omominonai (1) licht; luchtig; (2) onbetekenend; onbeduidend; onbelangrijk; inhoudsloos; loos; leeg; (3) oppervlakkig; lichtvaardig
重んじない omonjinai niet zwaar tillen aan; licht; luchtig opvatten; weinig belang; gewicht hechten aan; gering denken over; geringschatten; niet veel ophebben met
降る furu (1) [m.b.t. neerslag] uit de hemel neervallen; komen; neerdalen; vallen; (2) [雨が] regenen; [Barg.] majemen; (3) [小雨が] licht; zachtjes regenen; druppelen; motregenen; stofregenen; miezeren; [inform.] piesen; [inform.] pissen; [gew.] afsabberen; [gew.] miezelen; [lit.t.] afzijgen; [w.g.] zijgen; [arch.] neerzijgen; (4) [雪が] sneeuwen; het sneeuwt; er valt sneeuw; er is sneeuwval; (5) [霰;雹が] hagelen
電気 denki (1) elektriciteit; stroom; (2) (elektrisch) licht
電灯;電燈 dentō elektrische lamp; elektrisch licht; lamp; licht; [veroud.] pit
馬鹿にする bakanisuru (1) met geringschatting neerzien op; neerkijken op; met de nek aanzien; minachten; geringschatten; laatdunkend; met minachting behandelen; verachten; (2) kleineren; bagatelliseren; futiliseren; licht; luchtig opvatten; weinig ophebben met; minimaliseren; onbelangrijk vinden; niet serieus nemen; (3) uitlachen; voor de gek houden; voor joker zetten; voor gek laten lopen; voor de mal houden; voor gek zetten; belachelijk maken; ridiculiseren; de draak steken met; bespotten; spotten met; de spot drijven met; schertsen met; beschimpen; honen; gekken met; gekscheren met; een loopje nemen met; dollen met; vernachelen; sollen met; zich vrolijk maken over