日蘭辭典+

109 resultaten voor ‘licht’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaku發く
(暴く) t.w. (1) [を] openbreken; schenden. (2) [計略を] blootleggen; aan het licht brengen. (3) [祕密を] verraden; verklappen.
asai淺い
(浅い) bn. (1) [水深、容器等] ondiep. (2) [交際] oppervlakkig. (3) [知識] oppervlakkig. (4) [] licht. (5) [眠] licht. ¶ 夜は未だ淺い het is nog niet laat. ¶ 知己になってから日が淺い ik ken hem nog maar kort.
assarishitaあっさりした
bn. net; eenvoudig; licht. ¶ あっさりした食事 eenvoudig eten; lichte maaltijd; burgerpot. ¶ あっさりした家 een net huisje. ¶ あっさりした繪 een eenvoudig schilderijtje. ¶ あっさりした een gedekte kleur; een niet opvallende kleur. ¶ あっさりと言ふ rondweg zeggen; ronduit zeggen.
jitsu
() zn. (1) [眞實] waarheid v.; werkelijkheid v.; ware toestand m. (2) [誠意] oprechtheid v. (3) [割算] factor m.; getal dat gedeeld kan worden op. ¶ を明かす de waarheid aan het licht brengen. ¶ を盡す oprechtheid toonen; vriendelijkheid bewijzen. ¶ は inderaad; feitelijk. ¶ を言へば om de waarheid te zeggen; ronduit gezegd; openhartig gesproken. ¶ werkelijk; waar; feitelijk. ¶ inderdaad; zeer (甚だ).. ¶ らしい aannemelijk; plausibel.
akacha赤褐色
(赤茶) zn. licht roodbruin o.; noot: Zie 褐色 ‘kasshoku’.
akari明り
zn. (1) [光明] licht o. (2) [燈火] licht o.; lamp. ¶ 燈を消す het licht uitdoen. (3) [潔白] onschuld v. ¶ 明を立てる zijn onschuld bewijzen. ¶ 雪明り glans van de sneeuw.
akarisaki明り先
zn. licht o. ¶ 明り先きに立つ in het licht staan.
akarui明るい
bn. (1) [明るい] licht; helder. ¶ に明るい goed op de hoogte van; bekwaam in. ¶ ......に明るい人 deskundige. (2) [潔白な] onschuldig.
akaruku明るく
bw. licht; helder; duidelijk. ¶ 明るくなる dagen (夜が明ける); (通曉する) op de hoogte komen van; bekwaam worden in. ¶ 明るくする licht maken. ¶ ランプを明るくする de lamp opdraaien.
akarumi明るみ
zn. (1) [公明] licht o. (2) [公開] openbaarheid v. ¶ 明るみに出す aan het licht brengen; openbaar maken; publiek maken. ¶ 明るみに出る aan het licht komen; bekend worden.
akashi明し
(明かし) zn. (1) [燈火] licht o.; lamp v. (2) [證明] bewijs o. ¶ あかし人 (證人) getuige.
awai淡い
bn. (1) [色] licht; flets. (2) [味] flauw; smakeloos
karuku輕く
(軽く) bw. licht; lichtelijk. ¶ 輕くする verlichten; vergemakkelijken
yowai弱い
bn. zwak; slap; teer; flauw. ¶ 弱い身體 zwak gestel. ¶ 弱い spoedig zeekziek zijn. ¶ 弱い slecht tegen drank kunnen. ¶ 弱い議論 zwak argument. ¶ の午後の弱い日光 het flauwe licht van de winternamiddag. ¶ 弱者 zwakkeling. ¶ 弱者いぢめ verdrukking der zwakken; negeraar (人); iemand, die misbruk maakt van zijn kracht om zwakkeren onrecht te doen.
me
(眼) zn. (1) [眼] oog o. (2) [視力] gezicht o. (3) [注] aandacht v. (4) [見界] gezichtspunt o.; oogpunt o. (5) [鑑識] oordeel o.; verstand o. (6) [織] structuur v. (7) [網目] mazen v.mv. (8) [鋸齒] tand m. (9) [木理] draad m.; grein o. (10) [遭遇] behandeling v.; bejegening v.; ervaring v. [同情] sympathie v.; welwillendheid v. (12) [刻] inkeping. ¶ 愛くるしい眼 mooie oogen. ¶ 血走った met bloed beloopen oogen. ¶ 眼を向ける het oog richten op; den blik slaan op. ¶ 眼を覺ます de oogen openen; wakker worden. ¶ 眼を晦ます zand in de oogen strooien. ¶ 入る in het gezicht komen. ¶ 附く de aandacht trekken. ¶ の前で voor oogen; in tegenwoordigheid. ¶ が善い goede oogen hebben; goed kunnen zien; goed van gezicht zijn. ¶ 眼が見えなくなる het gezicht verliezen. ¶ 眼を留める de aandacht vestigen op. ¶ から見ると in zijn oogen; van zijn standpunt gezien. ¶ 利く scherp zien; een goed oordeel hebben; goed kunnen beoordeelen. ¶ の細かな織物 fijn geweven goed. ¶ ひどいめに合ふ bittere ervaring hebben; slechte bejegening ondervinden. ¶ かける vriendelijk behandelen. ¶ の瘤 een doorn in het oog; ergernis. ¶ に障る niet om aan te zien. ¶ inkepingen in den weegstok. ¶ が切れて居る niet het volle gewicht hebben; te licht zijn.
hakki發揮
(発揮) zn. vertooning v.; openbaring v. ¶ 發揮する toonen; vertoonen; laten zien; in het licht stellen; doen blijken.
honeoru骨折る
i.w. zwoegen; zich inspannen. ¶ 骨折って儲けた zuur verdiend. ¶ の折れぬ gemakkelijk; licht.
tōka燈火
(灯火) zn. lamplicht o.; lamp v.
soyokaze微風
(そよ風) zn. zacht briesje o.; licht koeltje o.
hyōhyō飄々
bw. drijvend; licht; luchthartig.
yayamosureba動もすれば

i.w. geneigd tot; bw. licht; allicht. ¶ 動もすれば怒るんだ hij is dadelijk boos.

yasui易い

bn. gemakkelijk; licht; av.-baar. ¶ 覺え易い gemakkelijk te onthouden. ¶ 壞れ易い breekbaar. ¶ 易い仕事 licht werk.

yakebokui燒木杭

(焼木杭) zn. halfverbrande stapel hout. ¶ 燒木杭は火がつき易い op oud ijs vriest het licht.

wazuka

zn. kleine hoeveelheid v.; weinig o.; beetje o.; geringe graad m. ¶ 僅の weinig; onbeduidend; gering. ¶ 僅に slechts; alleen maar; niet meer dan. ¶ 僅な傷 lichte wond. ¶ 僅な事 onbeduidende zaak. ¶ 僅三年の內に in den korten tijd van drie jaar; in slechts drie jaren tijds. ¶ 僅に免る ternauwernood ontsnappen. ¶ 僅十箇しかない er zijn er maar tien. ¶ 僅だが君に上げよう hier is een kleinigheid voor je.

wakaru解る

t.w. (1) [了解] begrijpen; weten; verstaan; onderscheiden; i.w. duidelijk zijn; i.w. (2) [曉見する] aan den dag komen; blijken; aan het licht komen; ontdekt worden. (3) [理解がある] voor rede vatbaar zijn; intelligent zijn; royaal zijn (吝嗇でない). ¶ 意味が分る de beteekenis begrijpen. ¶ 解つて來る duidelijk worden; blijken. ¶ 解りましたか begrijp je?; (俗) snap je? ¶ 君の言ふ事は解らない ik versta je niet; ik begrijp niet, wat je zegt. ¶ 確な處は解りません ik kan het niet met zekerheid zeggen. ¶ それで解つた o, nu begrijp ik het. ¶ 言はんでも解つてゐる het spreekt vanzelf. ¶ 道が解つて居るか weet je den weg? ¶ あの人は譯が解つてる hij heeft gezond verstand.

usui薄い

bn. dun; licht; flauw. ¶ 薄い茶 slappe thee. ¶ 情の薄い onverschillig; koel. ¶ 客の薄い slecht bezochte voorstelling.

usumono薄物

zn. lichte stof v.; dunnestof v.

usuiro薄色

zn. lichte kleur v. ¶ 薄色の lichtgekleurd; licht van kleur.

usu-

bn. flauw; licht. ¶ 薄赤の lichtrood.

ussurito薄すりと

bw. dun; licht; ijl.

usubikari薄光り

zn. zacht schijnsel o.; flauw licht o.

usude薄手

bn. (1) [薄物] licht; fijn. zn. (2) [淺傷] lichte wond v. ¶ 薄手燒 dun porselein. ¶ 薄手を負ふ licht gewond zijn.

usuakari薄明

zn. flauw licht o.

usugumo薄雲

zn. lichte wolken v.mv.

usugeshō薄化粧

zn. vluchtig toilet o. ¶ 薄化粧する zich licht poeieren.

ukiagekōji浮上工事

zn. lichtingsarbeid o.; lichtingswerk o. ¶ 浮上げる lichten; weder vlottend maken; uit het water ophalen; (他の部分より高くする) “en reliefbrengen; opwerken.

tsuku附く

i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.

tsukeru附ける

(付ける) t.w. (1) [接合] bevestigen; hechten; vastmaken. i.w. (2) [裝ふ] uitrusten. t.w. (3) [尾行] volgen. (4) [値を] bieden. (5) [點火] aansteken. ¶ 身に附ける bij zich hebben. ¶ 鈕を附ける knoop aanzetten. ¶ ペン軸にペンを附ける pen in den penhouder steken. ¶ 帳面に附ける inboeken. ¶ 船を棧橋に著ける een schip langszij van de kade brengen. ¶ 煙草を附ける sigaar aansteken. ¶ 電燈を附ける licht aandraaien. ¶ 名を附ける naam geven, noemen. ¶ 人の後を附ける iemands spoor volgen. ¶ 氣を附ける aandacht vestigen; oppassen. ¶ 子供に財產を附ける kapitaal vastzetten op een kind. ¶ 道を附ける weg maken. ¶ 色を附ける kleuren. ¶ 値を附ける bieden voor.

SUPPLEMENT (trefwoord)
sugoi凄い
(すごい、スゴイ) bn. (1) afschrikwekkend; benauwend; gruwelijk; huiveringwekkend. ¶ すごいにらむ sugoi me de niramu met een ijselijke blik aanstaren; met een schrikaanjagende blik aankijken. (2) ongewoon; verbazend; opmerkelijk; bewonderenswaardig; geweldig; excellent; fameus; fantastisch; ongelooflijk; ongehoord; verbluffend. ¶ すごい腕前 sugoi udemae opvallend bekwaam. ¶ はすごい知識を持ったです。すなわち、生き字引ですKare wa sugoi chishiki wo motta hito desu. Sunawachi, ikijibiki desu. Hij beschikt over ongelooflijke kennis. Hij is een levende encyclopedie. (TTC) ¶ 姉さんはすごい美人だ。 Kare no neesan wa sogoi bijin da. Zijn zus is een opmerkelijke schoonheid. (TTC) (tevens als uitroep van bewondering of emotie) ¶ へー、キーボード見ないで文字打てるんだ。スゴイわねー。♀ Hèè? kiiboodo minaide moji uterun da. Sugoi wa nèè. Hé, jij kunt tikken zonder te kijken naar het toetsenbord. Cool zeg! (TTC) (3) (zowel in negatieve als positieve zin) in ongewone mate; excessief; extreem; vreselijk; bovenmatig; ontstellend; ontzettend; uiterst; verdomd; zeer; erg; groot (aantal). 半時間ほどすごい土砂降りだった。Hanjikan hodo sugoi doshaburi datta. Een half uur lang hadden we een vreselijke stortregen; Het was een ontzettende stortbui van een half uur. (TTC) bw. ¶ 今日はすごく暑いKyō wa sugoku atsui. Het is vandaag vreselijk warm. (TTC) ¶ が光に対してすごく敏感なのですMe ga hikari ni taishite sugoku binkan na no desu. Mijn ogen zijn enorm gevoelig voor licht. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <licht>
あっさり assari (1) eenvoudig; simpel; zonder meer; gewoonweg; sec; tout court; (2) openhartig; eerlijk; rondborstig; frank; zonder enige reserve; (3) zo maar; vlot; met gemak; moeiteloos; gewoonweg; geredelijk; licht
あっさりした assarishita eenvoudig; simpel; beknopt; bondig; sober; [~食べ物] licht; [~人] openhartig; eerlijk; rondborstig; frank
ちょっとした chottoshita (1) onbenullig; onbelangrijk; onbeduidend; onbetekenend; te verwaarlozen; licht; gering; klein; (2) behoorlijk; niet onaardig; verdienstelijk; flink; aanzienlijk; respectabel; best een goed ~
むざむざ muzamuza (1) gemakkelijk; licht; met gemak; moeiteloos; vlotjes; zomaar; (2) zonder verzet te bieden; weerloos; hulpeloos; (3) zonder omhaal; zonder veel drukte; zonder spijt
フワフワ fuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; (3) luchtigjes; licht; lichtjes
ライト raito (1) licht; (2) recht; gerechtigheid; (3) recht; voorrecht; (4) rechts; rechterkant; rechterzijde; (5) rechtsveld; rechtsvelder; (6) [honkb.] buitenvelder; verrevelder ; (7) politiek rechts; rechtervleugel; conservatieven; (8) licht-; helder-; (9) licht(e) ~
ランプ ranpu (1) lamp; licht; [i.h.b.] controlelampje; [veroud.] pit; (2) oprit; helling; hellende invoegstrook; [gew.] ramp; (3) bilstuk; staartstuk; lendenstuk; lendenvlees
交通信号 kōtsūshingō verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
信号 shingō (1) sein; signaal; (2) verkeerslicht; stoplicht; [pregn.] licht
信号機 shingōki (1) verkeerslicht; [verk.] licht; [meton.] stoplicht; (2) [spoorw.] seininrichting; seintoestel; seinpaal; [腕木式~] semafoor; [verk.] sein
僅か;纔か wazuka (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; ietwat; enigermate; enigszins; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; amper; nauwelijks; maar net; ternauwernood; (3) krap; nauw; eng; (4) slechts; maar; enkel
僅かな;纔かな wazukana (1) weinig; wat; beetje; schijntje; ietsje; luttel; greintje; (2) gering; klein; licht; schaars; karig; (3) krap; nauw; eng
光線 kōsen (1) lichtstraal; (2) licht
(a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
hikari (1) licht; [Lat.] lumen; [Lat.] lux; lichtglans; lichtgloed; lichtschijn; straal; gestraal; [lit.t.] lichternis; fonkeling; flonkerlicht; schittering; scintillatie; gloed; glans; glinster; glitter; schijn [van een lamp enz.]; schijnsel; straling; gloor; gloring; luister; blink; glim; glimlicht; (2) gezag; uitstraling; glorie; macht; (3) licht (in de duisternis); hoop; (4) Hikari [stad in de prefectuur Yamaguchi]
兎角 tokaku (1) hier en daar wat; het een en ander; een hap en een snap; (2) allicht; licht; [niet alg.] zachts; naar men denken kan; hoe dan ook; in ieder geval; het wil wel eens ~
大先生 daisensei groot leraar; groot geleerde; prima leraar; autoriteit; coryfee; sommiteit; licht
小さい chīsai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さな chīsana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
ei (a) schaduw; (b) licht; (c) beeld; vorm; (d) afbeelding; weergave
kage (1) licht; schijn; maneschijn; (2) schaduw; silhouette; (3) figuur
微弱 bijaku zwak; gering; flauw; licht
手軽 tegaru licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
手軽な tegaruna licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
日差し;日射し;陽差し;陽射し;日差;日射 hizashi zonlicht; zonneschijn; zonnelicht; zonnestralen; [meton.] zon; [meton.] licht
明い akai (1) helder; licht; (2) licht; dag; klaarlicht; (3) oprecht; eerlijk; waarachtig
明かり akari (1) licht; schijn; schijnsel; (2) lamplicht; lamp; verlichting; (3) klaarte; helderheid; (4) opheldering; bewijs; blijk; (5) einde; slot; (6) [timmerlui-jargon] oog; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; [volkst.] doppen
明るい akarui (1) licht; helder; klaar; (2) opgewekt; vrolijk; zonnig; (3) fair; eerlijk; clean; schoon; rooskleurig; (4) op de hoogte van; met; bekend met; goed kennen; goed thuis in; bedreven in; ervaren in; geverseerd in; onderlegd in; vertrouwd met
明るさ akarusa (1) helderheid; briljantheid; licht; felheid; schelheid; luminositeit; (2) levendigheid; opgeruimdheid; opgewektheid; vrolijkheid; fleurigheid; fleur; (3) slimheid; slimmigheid; briljantheid
明るみ akarumi (1) klaarte; licht; dag; (2) openbaarheid
mei (1) licht; helderheid; klaarte; (2) inzicht; scherpzinnigheid; (3) zicht; (a) helder; licht; klaar; (b) gaaf; schitterend; (c) dagen; dag worden; (d) duidelijk; klaar; (e) inzicht; scherpzinnigheid; (f) deze wereld; hiernumaals; (g) godheid
浅い asai (1) ondiep; (2) oppervlakkig; vlak; (3) [日が~] pril; (4) [色が~] licht; bleek; (5) [香りが~] discreet; (6) [位;家柄が~] onaanzienlijk; bescheiden; (7) [情愛が~] kil; onverschillig; lauw; afstandelijk
asa (1) [slang] boerse samoerai; (a) laag; ondiep; oppervlakkig; licht; bleek
淡々 awāwa [~と] licht; bleek; flauw; dof; mat; flets; vaal
淡々 tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
淡い awai licht; flauw; [m.b.t. licht;hoop] zwak; [m.b.t. kleuren] licht-
火影;灯影 hokage (1) vuurschijnsel; vuurgloed; lichtschijn; lichtschijnsel; licht; (2) beschenen gedaante; belichte figuur
hi (1) vuur; [volkst.] fik; vuurtje; [volkst.] fikkie; [i.h.b.] vlam; (2) brand; hens; (3) licht; lichtje; gloed
灯火 tōka licht; lamplicht
灯火 tomoshibi licht; lamplicht; schijnsel van de lamp
hi licht; lichtje; gloed
照明 shōmei verlichting; belichting; licht
甘く見る amakumiru zich verkijken op; neerkijken op; verkeerd beoordelen; onderschatten; [Belg.N.] zich mispakken aan; onderwaarderen; niet ernstig nemen; niet au sérieux nemen; niet serieus nemen; niet voor vol aanzien; te licht; gemakkelijk opnemen; licht; luchtig opvatten; lichtzinnig omspringen; niet zwaar tillen aan; weinig geven om; minachten; geringschatten
甘口 amakuchi (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos; (3) [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; mild
痛みやすい itamiyasui licht; erg bederfelijk; snel bedervend; teer; broos; fragiel
緩い yurui (1) los; slap; wijd; ruim; [m.b.t. kleren] makkelijk; breed; slobberig; (2) onsamenhangend; [m.b.t. pap] dun; week; sopperig; soppig; (3) [m.b.t. enthousiasme] lauw; mat; flauw; futloos; (4) loom; inert; traag; languissant; laks; slof; sloom; lamlendig; (5) zwak (van wil); week; laks; (6) soepel; coulant; meegaand; mild; clement; gul; (7) zacht [hellend]; [m.b.t. bocht] licht; rustig [gekabbel]
hai (1) long; longen; [gew.] licht; [in sanatoria] pit; (a) long; (b) gemoed; hart
薄い usui (1) [m.b.t. papier;muur;lippen;haren etc.] dun; (2) flauw; [m.b.t. koffie;thee] slap; [m.b.t. soep;pap] waterig; (3) [m.b.t. kleur] licht; bleek; vaal; mat; dof; verschoten; (4) schaars; karig; mager; niet copieus; niet overvloedig; gierig
薄手 usude (1) [~の] dun; licht; (2) lichte; oppervlakkige wond; (3) pover; oppervlakkig; weinig om het lijf hebbend
薄色の usuirono licht; lichtgekleurd; lichtkleurig; vaalkleurig; pastelkleurig
usu (1) dun; (2) [concentratie;dichtheid] licht; (3) [mate] licht; (4) vaag; flou; enigszins; (5) weinig; gering
軽い karui (1) licht; niet ernstig; (2) simpel; gemakkelijk; (3) luchtig; (4) onbetekenend; niet belangrijk
軽く karuku licht; lichtjes; luchtig; lichtelijk; [lit.t.] lichtkens; enigszins; ietsje; ietsjes
軽んじる karonjiru (1) kleineren; verkleinen; depreciëren; geringschatten; minachten; versmaden; neerkijken op; neerzien op; [~よりも] achterstellen bij; achteruitzetten; [veroud.] kleinachten; (2) niet zwaar tillen aan; weinig ophebben met; een lage dunk hebben van; niets bijzonders vinden; licht; luchtig opvatten; bagatelliseren; futiliseren; minimaliseren; min denken over
軽度の keidono licht; gering; mild
軽快 keikai (1) licht; gezwind; lichtvoetig; kwiek; soepel; behendig; (2) luchtig; luchthartig; monter; speels; levendig; lustig; swingend; vrolijk; opgewekt; (3) [muz.] leggiero; (4) aan de beterende hand
軽快な keikaina licht; lichtvoetig; luchtig; [〃服装] sportief
軽快に keikaini licht; lichtvoetig; luchtig
軽犯罪 keihanzai lichte overtreding; licht; onbeduidend; gering vergrijp
軽罪 keizai (1) overtreding; licht; gering vergrijp; (2) kleine zonde; pekelzonde; dagelijkse zonde; geringe misstap; slippertje; peccadille
軽薄 keihaku (1) lichtzinnigheid; wuftheid; frivoliteit; loszinnigheid; (2) lichtzinnig; wuft; frivool; loszinnig; licht; lichtvaardig
軽視する keishisuru niet zwaar tillen aan; licht; luchtig opvatten; lichtjes opnemen; gering denken over; niets bijzonders vinden; maar niks; een peulenschilletje vinden; kleineren; geringschatten; bagatelliseren; minimaliseren; futiliseren; als onbeduidend voorstellen; depreciëren; neerkijken op; de neus ophalen voor; zijn hand niet omdraaien voor; met de nek aanzien; uit de hoogte aanzien; neerzien op; versmaden; minachten; niet veel ophebben met; [~よりも] achterstellen bij
軽量 keiryō (1) licht gewicht; (2) licht; lichtwegend; lichtgewicht-
kei (1) lichte wagen; auto [= max. 3,4 m lang;1,48 m breed;2 m hoog;en met een max. cilinderinhoud van 660 cc]; (2) licht; (3) gering; klein; onbeduidend; (a) licht; (b) luchtig; (c) eenvoudig; simpel; (d) oppervlakkig; niet diepgaand; (e) geringschatten; minachten
重みのない omominonai (1) licht; luchtig; (2) onbetekenend; onbeduidend; onbelangrijk; inhoudsloos; loos; leeg; (3) oppervlakkig; lichtvaardig
重んじない omonjinai niet zwaar tillen aan; licht; luchtig opvatten; weinig belang; gewicht hechten aan; gering denken over; geringschatten; niet veel ophebben met
降る furu (1) [m.b.t. neerslag] uit de hemel neervallen; komen; neerdalen; vallen; (2) [雨が] regenen; [Barg.] majemen; (3) [小雨が] licht; zachtjes regenen; druppelen; motregenen; stofregenen; miezeren; [inform.] piesen; [inform.] pissen; [gew.] afsabberen; [gew.] miezelen; [lit.t.] afzijgen; [w.g.] zijgen; [arch.] neerzijgen; (4) [雪が] sneeuwen; het sneeuwt; er valt sneeuw; er is sneeuwval; (5) [霰;雹が] hagelen
電気 denki (1) elektriciteit; stroom; (2) (elektrisch) licht
電灯;電燈 dentō elektrische lamp; elektrisch licht; lamp; licht; [veroud.] pit
馬鹿にする bakanisuru (1) met geringschatting neerzien op; neerkijken op; met de nek aanzien; minachten; geringschatten; laatdunkend; met minachting behandelen; verachten; (2) kleineren; bagatelliseren; futiliseren; licht; luchtig opvatten; weinig ophebben met; minimaliseren; onbelangrijk vinden; niet serieus nemen; (3) uitlachen; voor de gek houden; voor joker zetten; voor gek laten lopen; voor de mal houden; voor gek zetten; belachelijk maken; ridiculiseren; de draak steken met; bespotten; spotten met; de spot drijven met; schertsen met; beschimpen; honen; gekken met; gekscheren met; een loopje nemen met; dollen met; vernachelen; sollen met; zich vrolijk maken over
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.23 sec. jiten.nl: 39 treffers, warandict: 70 treffers (zoekopdracht: 'licht'). 
2005-2026