RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gemakkelijk>
ころり korori (1) [~と倒れる;横になる] rollend; vlijend; (2) [~と負ける;だます] gemakkelijk; moeiteloos; zomaar; al te snel; (3) [~と変わる] compleet; radicaal; volledig; [~と忘れる] helemaal; glad; [Belg.N.] rats; [異性に~と参る] tot over zijn oren; volkomen; halsoverkop; (4) [~と死ぬ] plotseling; onverwacht; zomaar; pardoes; (5) [muntw.] honderd mon; (6) cholera
すんなり sunnari (1) slank; tenger; dun; rank; lenig; soepel; (2) zonder moeite; gemakkelijk; gewillig; goedwillig; zonder verzet
のんびり nonbiri onbezorgd; onbekommerd; zorgeloos; kommerloos; gemakkelijk; luilekker; kalmpjes; rustig; kalm; op zijn gemak; ontspannen; behaaglijk; relaxed
むざむざ muzamuza (1) gemakkelijk; licht; met gemak; moeiteloos; vlotjes; zomaar; (2) zonder verzet te bieden; weerloos; hulpeloos; (3) zonder omhaal; zonder veel drukte; zonder spijt
イージー ījī gemakkelijk
スムーズ sumūzu glad; vlak; vloeiend; vlot; gemakkelijk; zacht
便利 benri (1) gemak; comfort; gerief; gerieflijkheid; conveniëntie; dienstigheid; handigheid; faciliteit; (2) gerieflijk; handig; gemakkelijk; conveniënt; handzaam; dienstig; gunstig; gelegen; nuttig
便利な benrina gerieflijk; handig; gemakkelijk; handzaam; dienstig; gunstig; gelegen; nuttig; conveniënt
円滑 enkatsu vlot; probleemloos; soepel; gemakkelijk; vloeiend; glad; rimpelloos; vlekkeloos; gesmeerd; gladjes; [fig.] geolied
円滑な enkatsuna vlot; probleemloos; soepel; gemakkelijk; vloeiend; glad; rimpelloos; vlekkeloos; gesmeerd; [fig.] geolied
円滑に enkatsuni vlot; probleemloos; soepel; vlotweg; gemakkelijk; vloeiend; glad; zonder belemmering; moeilijkheid; haperen; als vanzelf; als van een leien dakje; op rolletjes; wieltjes; gladjes; [fig.] geolied
安価 anka (1) goedkope; geringe prijs; klein; zacht prijsje; goedkoopte; goedkoopheid; (2) oppervlakkigheid; trivialiteit; waardeloosheid; banaliteit; (3) goedkoop; laag in prijs; laaggeprijsd; voordelig; redelijk; billijk; schappelijk; (4) [fig.] goedkoop; oppervlakkig; plat; van weinig waarde; triviaal; banaal; gemakkelijk; [~な同情] schraal; mager
安易 an'i gemakkelijk; makkelijk; de dingen makkelijk opnemend; easy going; lichthartig; luchthartig; lichtvaardig; simplistisch; lichtzinnig
安楽 anraku (1) comfort; gemak; (2) vertroosting; soelaas; troost; (3) genot; gelukzaligheid; (4) [boeddh.] sukhāvatī; (5) comfortabel; gerieflijk; geriefelijk; gemakkelijk; behaaglijk; genoeglijk; aangenaam
安直 anchoku (1) goedkoop; voordelig; schappelijk; billijk; laaggeprijsd; (2) makkelijk; gemakkelijk; eenvoudig
容易 yōi gemakkelijkheid; eenvoudigheid; simpelheid; gemakkelijk; makkelijk; eenvoudig; simpel
容易い tayasui (1) gemakkelijk; makkelijk; eenvoudig; moeiteloos; simpel; (2) onbezonnen; roekeloos; lichtzinnig
容易な yōina gemakkelijk; makkelijk; eenvoudig; simpel
居住まいを崩す izumaiokuzusu gemakkelijk; relaxed gaan zitten; achterover leunen
居心地のよい igokochinoyoi knus; gezellig; behaaglijk; huiselijk; gemakkelijk; comfortabel; [Belg.N.;niet alg.] stemmig
履き心地 hakigokochi [~のよい] behaaglijk aan de voeten zittend; gemakkelijk; lekker lopend; comfortabel; prettig lopen
平易 heī (1) eenvoud; eenvoudigheid; simpliciteit; gemakkelijkheid; (2) eenvoudig; simpel; makkelijk; gemakkelijk
平 hei (1) effenheid; vlakheid; gelijkheid; het effen-zijn; het vlak-zijn; (2) kalmte; gelijkmatigheid; rust; evenwicht; (a) vlak; effen; plat; horizontaal; (b) rustig; kalm; gematigd; (c) gewoon; alledaags; (d) onpartijdig; fair; (e) pacificeren; tot rust brengen; (f) gemakkelijk; eenvoudig; (g) [wisk.] kwadraat; tweede macht; (h) [Jap.gesch.] de Taira; [letterk.] Heike monogatari
快適 kaiteki (1) comfort; plezier; gemak; (2) comfortabel; aangenaam; gemakkelijk; prettig; plezierig
快適な kaitekina comfortabel; aangenaam; gemakkelijk; prettig; plezierig
恢々 kaikai (1) ruim; omvangrijk; uitgestrekt; immens; weids; (2) comfortabel; gerieflijk; gemakkelijk; luilekker
悠々自適 yūyūjiteki otium cum dignitate; [~の生活] een comfortabel; luilekker; gemakkelijk; zorgeloos leventje
手軽 tegaru licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
手軽な tegaruna licht; eenvoudig; schappelijk; vlot; gemakkelijk
手軽に tegaruni eenvoudig; vlot; gemakkelijk; makkelijk
易々 ī gemakkelijk; eenvoudig; simpel
易々 yasuyasu [~と] eenvoudig; gemakkelijk; zonder moeite; moeiteloos; met gemak
易い yasui (1) gemakkelijk; makkelijk; eenvoudig; simpel; moeiteloos; (2) […~] makkelijk te …; eenvoudig te …; moeiteloos te …; -baar; gauw; licht … worden; vaak … zijn; de neiging hebbend te …; grif met …
易しい yasashii (1) gemakkelijk; eenvoudig; makkelijk; [m.b.t. sommetje] simpel; [m.b.t. taal] duidelijk; (2) onverzorgd; onzorgvuldig; nonchalant; slordig; onachtzaam; lichtvaardig; achteloos; onattent; onoplettend; onopmerkzaam; (3) begrijpelijk; te begrijpen; verstaanbaar; bevattelijk; helder; klaar
暖気;呑気;暢気;のん気 nonki (1) onbezorgdheid; onbekommerdheid; zorgeloosheid; lichthartigheid; gerustheid; (2) onbezorgd; onbekommerd; zorgeloos; kommerloos; gemakkelijk; makkelijk; luilekker; op zijn gemak; achteloos; ongeregeld; lichthartig; gerust
暖気な;呑気な;暢気な nonkina onbezorgd; onbekommerd; zorgeloos; kommerloos; gemakkelijk; makkelijk; luilekker; achteloos; ongeregeld; lichthartig; gerust
楽な rakuna (1) gerieflijk; comfortabel; lekker [leventje]; gemakkelijk; behaaglijk; aangenaam; ongedwongen; (2) gemakkelijk; makkelijk; simpel; eenvoudig; moeiteloos
楽 raku (1) gemak; ongedwongenheid; aangenaamheid; behaaglijkheid; comfort; welbehagen; welstand; (2) verlichting; verademing; ontlasting; (3) raku; raku-aardewerk; amateurkeramiek; (4) laatste voorstelling; laatste toernooidag; (5) gerieflijk; comfortabel; lekker [leventje]; gemakkelijk; behaaglijk; aangenaam; ongedwongen; (6) gemakkelijk; makkelijk; simpel; eenvoudig; moeiteloos
気楽 kiraku (1) gemak; welgesteldheid; gerief; zorgeloosheid; (2) gemakkelijk; behaaglijk; aangenaam; zorgeloos; (3) optimistisch; opgewekt; luchtig; (4) huiselijk; informeel
生易しい namayasashii eenvoudig; makkelijk; gemakkelijk; simpel
直下 chokka (1) pal onder; vlak onder; recht onder; vlak beneden; direct daaronder; (2) loodrechte val; verticale neerstorting; (3) iets gemakkelijks; sinecure; (4) [~に見る] ondergeschikt; minderwaardig; inferieur; (5) gemakkelijk; eenvoudig
簡単 kantan (1) eenvoud; beknoptheid; kortheid; (2) eenvoudig; kort; simpel; gemakkelijk
簡単な kantanna eenvoudig; kort; simpel; gemakkelijk
簡単に kantanni eenvoudig; kort en goed; bondig; simpel; gemakkelijk; met; in een paar woorden; gecomprimeerd
簡易 kan'i eenvoudig; simpel; gemakkelijk; makkelijk
簡易な kan'ina eenvoudig; simpel; gemakkelijk; makkelijk
簡易に kan'ini eenvoudig; simpel; gemakkelijk; makkelijk
自在に jizaini (1) naar goeddunken; naar believen; naar welgevallen; naar willekeur; op commando; ad libitum; vrij; vrijelijk; (2) gemakkelijk; met gemak; vlot
自適 jiteki [悠々~の生活] een comfortabel; luilekker; gemakkelijk; zorgeloos leventje
軽い karui (1) licht; niet ernstig; (2) simpel; gemakkelijk; (3) luchtig; (4) onbetekenend; niet belangrijk