
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <achten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
存じる zonjiru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
存じ上げる zonjiageru (1) kennen; weten; bekend zijn met; ergens van af weten; (2) denken; menen; vinden; achten; beschouwen; [gew.] peinzen
存ずる zonzuru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
察する sassuru (1) veronderstellen; vermoeden; de indruk krijgen; eruit opmaken; aannemen; achten; (2) voelen; gewaar worden; doorhebben; begrijpen; zich kunnen voorstellen; (3) meevoelen; meeleven; te doen hebben; begrip hebben voor
尊ぶ toutobu respecteren; eerbiedigen; respect; eerbied hebben voor; eren; achten; aanzien; opzien tegen
尊重する sonchousuru respecteren; eerbiedigen; achten; ontzien; in zijn waarde laten; in waarde houden; in acht nemen; respect; eerbied; achting; ontzag hebben (voor); veel ophebben met
思う omou (1) denken; (2) geloven; overtuigd zijn; vast vertrouwen op; (3) geneigd zijn; de neiging hebben tot; (4) beschouwen als; bezien als; vinden dat; houden voor; (zich) aanrekenen als; menen; achten; veronderstellen ~ te zijn; (5) verwachten; hopen; rekenen op; voorzien; (6) vrezen dat; bang zijn dat; bevreesd zijn dat; (7) zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich een beeld vormen van; (8) veronderstellen; aannemen; gissen; berekenen; er van uit gaan dat; (9) zich herinneren; (10) van plan zijn te; de intentie hebben te; (11) wensen; verlangen; willen; begeren; (12) geïnteresseerd zijn in; belangstelling hebben voor; (13) beminnen; liefhebben; verliefd worden op; verliefd zijn op; verlangen naar; (14) zich afvragen of; (15) verdenken van; wantrouwen; mistrouwen; verdenken te
思し召す oboshimesu (1) [hon.] vinden; achten; denken; menen; (2) [hon.] beminnen; houden van; liefhebben; verlangen naar; (3) [honoratief voorvoegsel]
思す obosu (1) [hon.] denken; menen; vinden; achten; (2) [hon.] erom geven; belangrijk vinden; prijs stellen op; gunstig gezind zijn; liefhebben
払う;掃う harau (1) verwijderen; wegdoen; opruimen; wegnemen; wegruimen; vrijmaken; ontruimen; (uit de weg) ruimen; weghalen; wegvegen; vegen; wissen; [een telraam] terugzetten op nul; zuiveren (van); [tranen enz.] afvegen; ontdoen van; [tuinb.] dieven; [tuinb.] afsnoeien; afhelpen van; verdrijven; verjagen; [een kwaal enz.] boeten; (2) [een zwaard e.d.] zwaaien; maaien; [i.h.b. iem. de voet] lichten; [een uithaal e.d.] afslaan; (3) betalen; neertellen; neerleggen; delgen; kwijten; contenteren; [een schuld] afdoen; [een schuld] afkomen; [een schuld] honoreren; [inform.] dokken; vereffenen; over de brug komen; overkomen; [m.b.t. rekening] gladmaken; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen; (4) [eer] betuigen; [eer] bewijzen; [eerbied] betonen; zich [inspanningen] getroosten; zich [moeite] geven; (5) van de hand doen; verkopen; (6) [~に注意を] acht slaan op; aandacht besteden aan; aandacht schenken aan; letten op; opletten; bij de les blijven; achten; acht geven; oppassen
敬う uyamau (1) respecteren; achten; hoogachten; hoge achting hebben voor; hoog aanslaan; (2) vereren; aanbidden; verafgoden
為 su (1) zijn; bestaan; (2) zich voordoen; gebeuren; voorkomen; voorvallen; (3) doen; verrichten; bedrijven; (4) […~] doen; plegen; (5) in een bep. toestand brengen; maken tot; (6) […~] beschouwen; vinden; achten
目す mokusu (1) zien; bezien; bekijken; (2) beschouwen; aanzien; houden voor; achten; (3) met het oog wenken; een oogwenk geven
睨む niramu (1) dreigend; boos; kwaad aankijken; strak aanblikken; grimmig aanzien; grimmen; aangrimmen; (2) in de gaten houden; in het oog houden; gadeslaan; zich concentreren op; goed opletten; scherp letten op; (3) verdenken; inschatten; houden voor; achten; rekenen; (4) [にらまれる] gewantrouwd worden; op de zwarte lijst staan; uit de gratie zijn; in een slecht blaadje staan; het verkorven hebben bij; (5) anticiperen; voorzien; uitgaan van; rekening houden met; incalculeren
考える kangaeru (1) denken; nadenken; bedenken; (2) vermoeden; van mening zijn dat; (3) van plan zijn te doen; denken te gaan doen; (4) verwachten; hopen; (5) concluderen; (6) oordelen dat; denken dat; (7) beschouwen als; denken dat; aanmerken als; zien als; achten; zich aanrekenen als; tot; (8) voorzichtig zijn; goed nadenken; (9) in overweging nemen
見做す;看做す minasu beschouwen; aanzien; bezien; houden voor; achten; zien; opvatten; vinden; aanmerken; (zich) aanrekenen
見立てる mitateru (1) uitkiezen; kiezen; een keuze maken; uitpikken; selecteren; (2) diagnosticeren; de diagnose stellen; diagnostisch vaststellen; constateren; (3) oordelen als; achten; keuren; (4) voorstellen als; vergelijken met; op een lijn stellen met; beschouwen als; houden voor; (5) uitgeleide doen; uitzwaaien; (6) letten op; zorgen voor
評価する hyoukasuru (1) evalueren; beoordelen; waarderen; schatten; taxeren; aanslaan; ramen; becijferen; de waarde bepalen; inschatten; (2) waarderen; appreciëren; achten; naar waarde schatten; op prijs stellen
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; bekrachtigen; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
重んじる omonjiru respecteren; (hoog) achten; veel belang hechten aan
重んずる omonzuru respecteren; (hoog) achten; veel belang hechten aan
Tijd: 1.34 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'achten').
2005-2026
