日蘭辭典+

34 resultaten voor ‘eer’
日蘭辭典 (trefwoord)
eiyo榮譽
(栄誉) zn. roem m.; eer v. ¶ 榮譽とする zich vereerd gevoelen; het een eer achten.
kao
(顔) zn. (1) [] gezicht o.; gelaat o.; uiterlijk o. (2) [面目] eer v. (3) [面附] gelaatstrekken m. ¶ 知らない iemand, dien men niet kent; onbekende. ¶ 知らないをする doen alsof men iemand niet kent; doen alsof men van niets weet. ¶ が廣い veel kennissen hebben. ¶ 合はすがない niet onder de oogen durven komen. ¶ と相談する in den spiegel kijken. ¶ を洗ふ het gezicht wasschen. ¶ を出す zich vertoonen; tegenwoordig zijn. ¶ 顰める zuur gezicht trekken. ¶ 人のを立てる iemands goede naamredden. ¶ 判る ik zie het aan je gezicht!
menboku面目
zn (1) [名譽] waardigheid v.; eer v. (2) [顏色] gezicht o. ¶ 面目なる zijn familie tot eer strekken. ¶ 面目關する de eer is er mede gemoeid. ¶ 面目保つ zijn eer hoog houden; (俗) zijn figuur redden. ¶ 面目失ふ een gek figuur slaan; beschaamd staan. ¶ 面目改める een geheel ander aanzien krijgen.
kokutai國體
(国体) zn. nationale structuur v.; nationaliteit v.; de eer van het vaderland (國家面目).
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
renchi廉恥
zn. eerlijkheid v.; betrouwbaarheid v.; integriteit v. ¶ 廉恥心 eergevoel.
fūki富貴
kotowari

(断) zn. (1) [豫告] waarschuwing v.; kennisgeving v. (2) [拒絕] weigering v. (3) [禁止] verbod o. (4) [言譯] excuus o. (5) [事由] aanleiding v.; voorwendsel o. ¶ お斷りします ik moet mij verontschuldigen; ik bedank voor de eer; ik weiger. ¶ 掛賣一切御斷り verkoop uitsluitend à contant. ¶ 唾を吐くこと御斷り verboden te spuwen. ¶ 斷りなしに zonder aanleiding. ¶ 斷り狀 bedankbrief; weigering.

kudasaru下さる

t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [依賴の意] zoo goed zijn om; zoo vriendelijk zijn; de welwillendheid hebben. (3) [敬意として] u verwaardigen; mij de eer aandoen; als het u belieft; geliefen. ¶ 何か下さい geef mij iets. ¶ 此金は私に下さるのですか is dit geld voor mij bestemd? ¶ 聞いて下さい luister eens. ¶ 今少しお待ち下さい wees zoo goed nog even te wachten.

kunshi君子

zn. hoogstaand man m.; wijze m.; man van eer.

zonzuru存ずる

t.w. (1) [知る] weten; i.w. zich bewust zijn. (2) [思ふ] denken; vinden; van oordeel zijn; gevoelen. ¶ 光榮と存ずる het als een eer beschouwen; zich vereerd achten. ¶ 御存じの通り zooals u bekend is. ¶ 御愉快の事と存じ候 ik kan mij voorstellen, hoe gij u verheugt.

uchijini討死

zn. dood op het slagveld; sneuvelen o. ¶ 討死する sneuvelen; in den strijd gedood worden. ¶ 美事に討死する vallen op het veld van eer.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <eer>
ヨーロッパ経済地域 yōroppakeizaichīki Europese Economische Ruimte; [afk.] EER
体面 taimen eer; aanzien; staat; prestige; [fig.] gezicht
光栄 kōei eer; glorie; voorrecht
(a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
名声 meisei roem; faam; vermaardheid; bekendheid; beroemdheid; befaamdheid; reputatie; goede naam; eer
名義 meigi (1) naam; (2) goede naam; reputatie; eer; (3) voorwendsel
名誉 meiyo (1) eer; ere; glorie; [volkst.] ponteneur; (2) reputatie; goede naam; roem; faam; goede roep; [Barg.] kovet; (3) ere-; honorair ~; emeritus ~; emerita ~
器量 kiryō (1) talent; vermogen; capaciteit; gave; bekwaamheid; kaliber; formaat; (2) [女性の] uiterlijk; voorkomen; looks; trekken; gelaatstrekken; gezicht; (3) [男性の] reputatie; verdienste; eer; goede naam
威信 ishin (1) aanzien; gezag; autoriteit; waardigheid; digniteit; statuur; prestige; cachet; eer; reputatie; geloofwaardigheid; credibiliteit; achtenswaardigheid; respectabiliteit; (2) [~県] arrondissement Wēixìn
尊名 sonmei (1) eer; gerespecteerde naam; (2) uw naam
手柄 tegara (1) toer; prestatie; wapenfeit; heldendaad; roemrijke daad; kunststuk; huzarenstuk; [Belg.N.] exploot; (2) verdienste; eer
misao (1) beginselvastheid; standvastigheid; vastberadenheid; (2) kuisheid; zedelijkheid; (echtelijke) trouw; eer; (3) verfijnd; elegant; (4) beginselvast; principieel; standvastig; vastberaden
栄え hae (1) eer; glorie; roem; (2) indruk; voorkomen; aanblik; (3) uitstraling; prestige; charme; aantrekkelijkheid; pracht
栄光 eikō glorie; eer; ere; gloria; heerlijkheid; majesteit
栄冠 eikan (1) erekrans; lauwerkrans; lauwer; zegekrans; erepalm; zegepalm; zege; overwinning; bekroning; (2) lauweren; eer; roem; prestige
otoko (1) man; persoon van het mannelijke geslacht; (2) kerel; vent; makker; baas; oude baas; oude knar; (3) volwassene; volwassen man; (4) knecht; huisknecht; dienstbode; bediende; dienaar; (5) mannelijkheid; viriliteit; manhaftigheid; flinkheid; eer; reputatie; goede naam; eergevoel; ponteneur; (6) minnaar; geliefde; vrijer; lief; beminde
shō (1) naam; benaming; (2) goede naam; roem; faam; eer; reputatie
規模 kibo (1) omvang; schaal; grootte; formaat; afmeting; proportie; maat; dimensie; (2) model; maatstaf; (3) eer; lof; (4) effect; resultaat; (5) vergoeding; compensatie; (6) grond; bewijs
面子;メンツ mentsu eer; reputatie; prestige; aanzien; gezicht; standing; goede naam
面皮 menpi (1) schaamteloosheid; onbeschaamdheid; (2) reputatie; eer; gezicht; (3) gevlei; vleierij; pluimstrijkerij; geflikflooi
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.28 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'eer'). 
2005-2026