
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
chō・長
zn. (1) [首領] hoofd o.; chef m.; voornaamste m.; leider m. (2) [長所] verdienste v.; voortreffelijkheid v.
shuchō・首長
SUPPLEMENT (trefwoord)
san・さん
[samentrekking van sama 樣、様] (1) drukt respect of beleefdheid uit wanneer toegevoegd aan de naam of het beroep van een persoon. ¶ 田中さん Tanaka-san Meneer Tanaka. 課長さん Kachō-san. Afdelingshoofd; Chef. (2) drukt affectie uit wanneer toegevoegd aan namen van dieren en dergelijke. ¶ お家の中には、猫さんにとってどんな危険があるのかを、リストアップしてみました。 o-uchi no naka ni wa, neko-san ni totte donna kiken ga aru no ka wo, risuto-appu-shite mimashita. Ik heb een lijst gemaakt van welke gevaren er zijn voor ‘meneer de kat’ in z’n huis. NB uitgesproken als chan (ちゃん) is het een woord dat expliciet affectie of familiariteit uitdrukt bij zowel mensen als dieren ¶ 春子ちゃん。 Haruko-chan. Haruko. ¶ お姉ちゃん onee-chan [oudere] zus; zusje. ¶ おじいちゃんに買ってもらったんだー! Ojii-chan ni katte morattan daa! Opa heeft het voor mij gekocht! (3) drukt repect of beleefdheid uit wanneer toegevoegd aan een (zelfstandige vorm van) een woord dat met de ander in verband kan worden gebracht. ¶ お世話さん Osewa-san. Uw hulp; Uw zorg. ¶ ご苦労さまです。Gokurō-sama desu. Dank u wel voor uw inspanningen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <chef>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
キャップ kyappu (1) pet; muts; [Belg.N.;spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [ちーむの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
コック長 kokkuchou chef-kok; chef de cuisine; maître; meester-kok; hoofdkok; eerste kok
シェフ shixefu [cul.] chef-kok; chef de cuisine; maître; meester-kok; hoofdkok; eerste kok
チーフ chiifu baas; chef; hoofd
パーサー paasaa purser; administrateur; chef-hofmeester; opperhofmeester
ヘッド heddo (1) hoofd; (2) verstand; (3) kop; bovenste gedeelte; (4) hoofd; baas; meerdere; chef; leider; (5) [てーぷ・れこーだー;びでお・れこーだーの] kop; opnamekop; wiskop; (6) [ばっとの] uiteinde; [ごるふ・くらぶの] blad; clubhoofd; clubhead
ボス bosu (1) kopstuk; leider; voorman; leidende figuur; [ぎゃんぐの] bendeleider; bendehoofd; (2) baas; chef; (3) [techn.] naaf; (4) Voss [= Noorse gemeente]
マスター masutaa (1) baas; patron; chef; eigenaar; [i.h.b.] waard; herbergier; kastelein; (2) master; [oneig.] meester [academische graad]
マネージャー maneejaa (1) manager; bestuurder; beheerder; gerant; bewindvoerder; leider; patron; chef; directeur; administrateur; [Belg.N.] uitbater; (2) impresario
上の人 uenohito meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上司 joushi meerdere; superieur; hogere in rang; chef; baas
上役 uwayaku meerdere; hogere in rang; chef; superieur; baas
主人 shujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
主幹 shukan hoofd; chef; [i.h.b.] hoofdredacteur
主管 shukan (1) beheer; management; leiding; bestuur; supervisie; opzicht; toezicht; oppertoezicht; superintendentie; (2) beheerder; manager; leider; bestuurder; chef; supervisor; hoofdopzichter; opzichter; opziener; oppertoezichthouder; toezichthouder; superintendent; [Belg.N.;niet alg.] toezichter
主 aruji (1) heer des huizes; huisheer; meester; [arch.] mijnheer; (2) baas; chef; patroon; (3) landsheer; landsvorst; vorst; prins; (4) gastheer
事務長 jimuchou (1) chef-administratie; bureauchef; chef de bureau; (2) [op passagiersboten en verkeersvliegtuigen] administrateur; purser; chef-hofmeester; opperhofmeester
令 rei (1) bevel; order; (2) regel; wet; (3) [Meiji-periode] gouverneur; prefect (1871-1886); (4) [Kamakura-periode] subhoofd van het Mandokoro 政所; (5) [ritsuryō] kwartiermeester; wijkmeester; buurtmeester; (6) [Chin.gesch.] gouverneur; prefect; (a) opdragen; bevelen; order; (b) regel; wet; (c) hoofd; chef; (d) goed; gelukkig; (e) [uit respect voor andermans familie]
名作 meisaku meesterwerk; meesterstuk; prachtwerk; prachtstuk; chef-d'œuvre
大将 taishou (1) [mil.] generaal; veldheer; (2) [mar.] admiraal; (3) baas; chef; oude; ouwe; (4) maat; kerel
官 tsukasa (1) overheidsdienst; dienst; (2) overheidsdienaar; ambtenaar; (3) ambt; betrekking; post; (4) hoofdzaak; het voornaamste; (5) hoofd; chef; directeur
御主人;ご主人 goshujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
所長 shochou chef; manager; leider; directeur
料理長 ryourichou [cul.] chef-kok; chef de cuisine; maître; meester-kok; hoofdkok; eerste kok
棟梁 touryou (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
正 shou (1) juistheid; correctheid; (2) [ritsuryō] [titel van de hoogste ambtenaar van diverse ministeries]; (3) eerste; hogere graad (van een rang met twee graden); opper-; (4) exact; stipt; precies; (5) net echt; exact gelijkend; (a) correct; echt; (b) juist; exact; (c) primair; (d) chef; leider; (e) jaarbegin
正 sei (1) correctheid; juistheid; (2) het officiële; (3) hoofd; overste; (4) [wisk.] positief; groter dan nul zijn; (5) [nat.] positief geladen zijn; (6) [fil.] these; (7) tien tot de veertigste macht; (a) correct; juist; (b) verbeteren; corrigeren; (c) regelmatig zijn; (d) precies; exact; (e) jaarbegin; nieuwjaar; (f) belangrijkste; hoofd; (g) wezenlijk; legitiem; (h) chef; (i) [wisk.] positief; groter dan nul zijn
番頭 bantou (1) chef-winkelbediende; winkelchef; gerant; zaakvoerder; manager; (2) badmeester; (3) hoofdbewaker; (4) wacht; bewaking; (5) jonge assistente van een oiran-courtisane
経営者 keieisha beheerder; bestuurder; manager; uitbater; leider; administrateur; chef; [i.h.b.] eigenaar; [verzameln.] management; leiding; bestuur
親分 oyabun baas; chef; leider; aanvoerder; leidende figuur; patroon
親父;親仁 oyaji (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
親父 yajio (1) pa; vader; ouweheer; ouwe heer; ouwe; (2) ouwe; vadertje; oude man; (3) baas; chef; ouwe; waard
責任者 sekininsha verantwoordelijke; hoofd; chef
酋長 shuuchou (1) opperhoofd; stamhoofd; hoofd; (2) chef; leider; baas; voorman
長 osa hoofd; chef; leider; aanvoerder
長 chou (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
隊長 taichou (1) [mil.] commandant; bevelhebber; (2) leider; hoofd; chef; aanvoerder; kapitein
頭 kashira (1) hoofd; kop; (2) hoofdhaar; (3) begin; kop; (4) chef; baas; leider; boss; hoofd; aanvoerder; voorman; ploegbaas; (5) hoofd; kop van een pop; poppenkop; (6) [nō-jargon] langharige pruik; (7) [nō-jargon] aanhef van een stuk; (8) degenknop; knop aan zwaardgevest; (9) radicaal in het topdeel van een kanji; (10) [maatwoord voor mensen;dieren]; (11) [maatwoord voor boeddhistische beelden]; (12) [maatwoord voor leiders (i.h.b. generaals;daimyō)]; (13) [maatwoord voor eboshi-hoofddeksels]
首班 shuhan hoofd; chef; leider; [内閣の] premier; minister-president; eerste minister
首領 shuryou bendeleider; bendehoofd; leider; hoofd; chef; aanvoerder
Tijd: 1.47 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 40 treffers (zoekopdracht: 'chef').
2005-2026
