日蘭辭典+

94 resultaten voor ‘hoofd’
日蘭辭典 (trefwoord)
atama
zn. (1) [頭] hoofd o.; kop m. (2) [頭腦] hersens m. (3) [頭初] begin o. (4) [首領] hoofd o.; aanvoerder m. ¶ 頭の天邊から足の爪迄 van top teen. ¶ 頭をはねる commissie nemen op loon, dat men uitbetaalt. ¶ 頭を痛める zich het hoofd breken; zich ongerust maken. ¶ 頭を刈って貰ふ zijn haar laten knippen. ¶ 頭を上げる het hoofd buigen. ¶ 頭がある verstandig. ¶ 頭なき onverstandig; dom; zinneloos.
anshō諳誦
zn. voordracht uit het hoofd. ¶ 諳誦する uit het hoofd leren; van buiten leeren; voordragen; opzeggen; Noot: Vgl. ‘ankisuru’.
anzan暗算
zn. rekenen uit het hoofd.
atamakabu頭株
zn. leider m.; hef m.; hoofd o.
atamawari頭割
(頭割り) hzn hoofdelijke verdeeling v. ¶ 頭割で per hoofd; hoofdelijk. ¶ 頭割にする hoofdelijk verdeelen; gelijk verdeelen.
jitō地頭
zn. hoofd van een district.
midashi見出
(見出し) zn. (1) [索引] index m. (2) [表題] opschrift o.; titel m.; hoofd o.
zagashira座頭

zn. leidend figuur.

kami
zn. (1) [部] bovenste o.; top m.; hoofd o. (2) [流] bovenloop m. (3) [政府] de regeering v. (4) [長] meerdere m.mv. (5) [天子] keizer m. ¶ の御沙汰 hoog bevel.
taishō大將
(大将) zn. generaal m.; admiraal (海軍) m; (首領) hoofd o.; aanvoerder m.; leider m.; baas m.; (俗) ouwe m.
gakkō學校
(学校) zn. school v. ¶ 學校通ふ school bezoeken; op school gaan. ¶ 學校を卒業する eindexamen doen; school afloopen. ¶ 學校hoofd der school; diecteur der school.
chō
zn. (1) [首領] hoofd o.; chef m.; voornaamste m.; leider m. (2) [長所] verdienste v.; voortreffelijkheid v.
dainagon大納言
shuchō首長
zn. hoofd o.; chef m.; leider m.; aanvoerder m.
megurasuめぐらす

t.w. (1) [繞らす] omringen. (2) [廻らす] ronddraaien. ¶ 柵を廻らす omheinen. ¶ 踵をめぐらす zich omdraaien. ¶ をめぐらす omkijken; het hoofd omwenden; terugzien op. ¶ 一策をめぐらす een plan bedenken.

koshu戶主

zn. heer des huizes; familiehoofd o.; hoofd van het gezin.

kōshu叩首

zn. diep buiging v. ¶ 叩首する met het hoofd op den grond buigen.

kubi

zn. nek m.; hals m.; hoofd (頭) o. ¶ 德利の首 hals van een flesch. ¶ 手首 pols. ¶ 足首 enkel. ¶ 首を振る het hoofd schudden. ¶ 首を切る onthoofden. ¶ 首になる ontslagen worden. ¶ 首にする ontslaan.

kuppuku屈服

zn. onderwerping v.; overgave v. ¶ 屈服する zich onderwerpen; zich vergeven; toegeven; het hoofd buigen; den strijd opgeven.

kurikuriくりくり

bw. rond. ¶ 頭をくりくりと剃る het hoofd kaal laten scheren.

kyokai匡廓

zn. aanvoerder m.; hoofd o.; belhamel m.

zujōni頭上に

bw. boven het hoofd.

zunō頭腦

(頭脳) zn. hoofd o.; hersens v.mv.

zunetsu頭熱

zn. gloeiend hoofd o.; congestie v.; hersenkoorts v.

zu

zn. hoofd o. ¶ 頭の高い verwaand.

yomiotosu讀落す

(読落す) t.w. weglaten bij het lezen; over het hoofd zien bij het lezen.

yōbu要部
ware

vnw. zelf; ik. ¶ 我を忘れる zich vergeten; het hoofd kwijt zijn; opgaan in. ¶ 我から好んで geheel vrijwillig. ¶ 我に復る weer bijkomen; tot bezinning komen. ¶ 我を忘れて喜ぶ buiten zichzelf zijn van vreugde. ¶ 我知らずに onwillekeurig; onbewust.

utsumukini俯向に

bw. ondersteboven; met het gezicht naar den grond; voorover. ¶ 俯向に倒れる voorover vallen. ¶ 俯向の neergeslagen; voorovergebogen. ¶ 俯向く het hoofd laten hangen; de oogen neerslaan.

utsubuseru俯伏せる

t.w. ondersteboven zetten; op z'n kop zetten; i.w. het hoofd buigen. ¶ 茶碗を俯伏せる kopje omdraaien.

utsubushini俯伏に

bw. ondersteboven; met gebogen hoofd. ¶ 俯伏に寢る slapen met het gezicht in het kussen.

uro雨露

zn. regen en dauw. ¶ 雨露を凌ぐ處もない geen dak boven het hoofd.

unadareru項垂れる

i.w. het hoofd laten hangen.

uchikubi打首

zn. onthoofding v. ¶ 打首になる onthoofd worden. ¶ 打首にする onthoofden; het hoofd afslaan.

tsumuri

zn. hoofd o.

tsumasaki爪先

zn. teenen m.mv. ¶ 頭から爪先まで van het hoofd tot de teenen toe. ¶ 爪先で步く op de teenen loopen. ¶ 爪先上り stijgend pad.

tsukasa

zn. (1) [官廳] gouvernementsbureau o. (2) [官職] ambtsplicht v.; dienst m. (3) [長官] chef m.; hoofd o. ¶ 司人 ambtenaar. ¶ 司どる beheeren; belast zijn met; het beheer voeren; leiding hebben.

SUPPLEMENT (trefwoord)
unazuku頷く
(iw) (1) een bevestigende of instemmende knik met het hoofd geven; instemmen (met). (2) het hoofd laten hangen. (3) (frase) …のも頷ける ...no mo unazukeru het is begrijpelijk dat...; het is geen wonder dat. ¶ 寂しい子供時代を慰めてくれた存在が櫻子ちゃんだったのかな…と思うと、あれだけを溺愛するのも頷ける。Sabisii kodomo jidai wo nagusamete kureta sonzai ga Sakurako-chan datta no ka na ... to omou to, aredake imōto wo dekiaisuru no mo unazukeru. Als ik erover nadenk dat het Sakurako was die zijn eenzame kindertijd verzachtte... dan is het geen wonder dat hij zijn zus zo verafgoodde. (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hoofd>
キャップ kyappu (1) pet; muts; [Belg.N.;spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [チームの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
キャプション kyapushon (1) onderschrift; opschrift; bijschrift; (2) titel; kop; hoofd
キー (1) [ピアノ;タイプライターの] toets; (2) sleutel; (3) oplossing; verklaring; (lijst met) antwoorden; (4) Key; Francis Scott [Amerikaans jurist;auteur van het Amerikaanse volkslied;1779-1843]; (5) sleutel-; hoofd-; voornaamste …; belangrijkste …; (6) [krassend geluid van een viool]; (7) [schurend geluid van een scharnier]; (8) [krijsend geluid van een adelaar;havik]
チーフ chīfu baas; chef; hoofd
トップ toppu (1) top; piek; spits; hoofd; kop; [m.b.t. wedstrijd] leiding; (2) [m.b.t. krant] stuk waarmee de krant opent; leader; ankeiler; hoofdbericht; hoofdpunt; [m.b.t. Japanse krantenopmaak] rechterbovenhoek; (3) hoogste versnelling; (4) [m.b.t. kledingstuk] top(je); bovenstuk(je); (5) [text.] lont; voorgaren
ヘッド heddo (1) hoofd; (2) verstand; (3) kop; bovenste gedeelte; (4) hoofd; baas; meerdere; chef; leider; (5) [テープ・レコーダー;ビデオ・レコーダーの] kop; opnamekop; wiskop; (6) [バットの] uiteinde; [ゴルフ・クラブの] blad; clubhoofd; clubhead
メイン mein (1) Mayne; (2) Maine; (3) hoofd-; voornaamste
メーン mēn (1) Mayne; (2) Maine; (3) hoofd-; voornaamste
一席 isseki (1) [宴会;茶事の~] een sessie; partijtje; (2) [演説;講談;落語の~] een opvoering; vertelling; (3) eerste plaats; positie; ereplaats; hoofd; kop
主たる shutaru belangrijkste; voornaamste; hoofd-
主な omona voornaamste; belangrijkste; hoofd-; principale
主席 shuseki (1) toppositie; top; (2) hoofd; leider; deken; [onderw.] primus; (3) [Chin.pol.] voorzitter; (4) hoofd-; eerstaanwezend …; [muz.] eerste …
主幹 shukan hoofd; chef; [i.h.b.] hoofdredacteur
主要 shuyō voornaamst; belangrijkst; hoofd-; sleutel-; principaal; primair; kardinaal; (meest) vooraanstaand
主要な shuyōna voornaamst; belangrijkst; hoofd-; sleutel-; principaal; primair; kardinaal; (meest) vooraanstaand
rei (1) bevel; order; (2) regel; wet; (3) [Meiji-periode] gouverneur; prefect (1871-1886); (4) [Kamakura-periode] subhoofd van het Mandokoro 政所; (5) [ritsuryō] kwartiermeester; wijkmeester; buurtmeester; (6) [Chin.gesch.] gouverneur; prefect; (a) opdragen; bevelen; order; (b) regel; wet; (c) hoofd; chef; (d) goed; gelukkig; (e) [uit respect voor andermans familie]
修練長 shūrenchō [chr.] hoofd; overste van een seminarie; regent; preses
konokami (1) oudste zoon; eerstgeboren zoon; (2) oudere broer; zus; (3) oudere; ouder iemand; (4) clanhoofd; (5) hoofd; aanvoerder; leider
先頭 sentō hoofd; kop; het voorste; spits; [i.h.b.] leiding; vooraan
saki (1) (puntig) uiteinde; eind; punt; spits; tip(je); top(je); [m.b.t. processie enz.] kop; hoofd; (2) toekomst; wat komen moet; wat te wachten staat; vooruitzicht; aspect; verschiet; wat de toekomst in petto heeft; [fig.] voorland; (3) vervolg; wat volgt; wat later komt; volgende gebeurtenis; (4) wat verder; wat voorop; (5) plaats van bestemming; -bestemming; (6) wederpartij; (onderhandelings)partner; de ander; (7) [attr.] vorig; voormalig; vroeger; voorgaand; voorafgaand
mae (1) voor; voren; (2) voorkant; front; voorzijde (van een lichaam); [i.h.b.] borststuk; (3) voorstuk; voorste deel; kop; hoofd; (4) confrontatie; het onder ogen hebben; (5) [in] aanwezigheid [van]; [in het] bijzijn [van]; [in het] aanschijn [van]; [in het] aangezicht [van]; [ten] overstaan [van]; tegenover ~; tegen ~; (6) geleden; tevoren; terug; voor; voorheen; vroeger; voordien; (7) (onmiddellijk) voorafgaand (aan); voor; vorig; voormalig; voorgaand; bovenstaand; eerder; eerstgenoemd (van twee); (8) eerdere veroordeling; (9) in overeenstemming met; zoals ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前]; (10) Vrouwe ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前;suffix ter betiteling van een adellijke dame]; (11) [wordt gevoegd achter een meishi of een dōshi in de ren'yōkei;geeft een zekere portie aan]; (12) -heid [suffix dat de hoedanigheid van het grondwoord (steeds een menselijke eigenschap) benadrukt]
基幹 kikan (1) pijler; kern; hart; basis; (2) hoofd-; basis-; kern-; sleutel-
基本的 kihonteki fundamenteel; grond-; elementair; basis-; basaal; hoofd-; [veroud.] fondamenteel
大い ōi (1) groot; (2) geweldig; enorm; buitengewoon; ontzaglijk; fantastisch; prima; (3) [~…] hoofd-; top-; hoogste in rang; eerstaanwezend …; (4) [~…] senior; oudere; met hogere anciënniteit
大人 otona (1) volwassene; volwassen mens; volwassen persoon; volwassen man; volwassen vrouw; meerderjarige; (2) hoofd; aanvoerder; oudste; overste; deken
tsukasa (1) overheidsdienst; dienst; (2) overheidsdienaar; ambtenaar; (3) ambt; betrekking; post; (4) hoofdzaak; het voornaamste; (5) hoofd; chef; directeur
崎;埼;岬;碕 saki (1) kaap; landtong; hoek; voorgebergte; hoofd; tandjoeng; (2) uitloper
hon (1) boek; boekdeel; werk; lectuur; (2) tekstboekje; libretto; script; scenario; draaiboek; (3) dit ~; deze ~; onderhavig ~; gegeven ~; voorliggend ~; ~ in kwestie; de betreffende ~; de bedoelde ~; de betrokken ~; de bewuste ~; de desbetreffende ~; (4) hoofd-; voornaamste ~; belangrijkste ~; (5) echt ~; gewoon ~; normaal ~; (6) [maatwoord voor langgerekte;staafvormige voorwerpen]; (7) [maatwoord voor het aantal verbindingen van openbaar vervoer]; (8) [maatwoord voor films]; (9) [eenheid die een beslissende score bij een honkbal-;judo- of kendo-wedstrijd aangeeft]
棟梁 tōryō (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
sei (1) correctheid; juistheid; (2) het officiële; (3) hoofd; overste; (4) [wisk.] positief; groter dan nul zijn; (5) [nat.] positief geladen zijn; (6) [fil.] these; (7) tien tot de veertigste macht; (a) correct; juist; (b) verbeteren; corrigeren; (c) regelmatig zijn; (d) precies; exact; (e) jaarbegin; nieuwjaar; (f) belangrijkste; hoofd; (g) wezenlijk; legitiem; (h) chef; (i) [wisk.] positief; groter dan nul zijn
立て tate (1) beginsel; leidraad; bedoeling; (2) regel; bepaling; (3) banket; party; (4) traktatie; (5) hoofd-; voornaamste …; (6) pas ge-…; vers ge-…; (7) [maatwoord voor een reeks opeenvolgende nederlagen]
第一 daīchi (1) belangrijkste ~; voornaamste ~; grootste ~; hoofd-; primair; ~ nummer een; leidend; (2) eerst(e); aanvangs-; begin-; (3) in de eerste plaats; om te beginnen; in eerste instantie; ten; als eerste; primo; voorop; bovenal; vooral; vóór alles; in elk geval; eigenlijk
筆頭 hittō (1) eerste op een lijst; naam bovenaan op een lijst; (2) punt van een pen; (3) hoofd; leider
algemeen; algemene ~; totaal; totale ~; volledig(e) ~; generaal; generale ~; gezamenlijk(e) ~; collectief; collectieve ~; bruto ~; opper-; hoofd-
(1) [anat.] hersenen; hersens; brein; cerebrum; (2) brein; hersens; hoofd; verstand
表題 hyōdai titel; naam; opschrift; hoofd; kop; hoofding; superscriptie; headline
見出し midashi (1) opschrift; titel; rubriek; kop; hoofd; hoofding; hoofdje; kopje; [jur.] intitulé; (2) inhoudsopgave; index; register; (3) ingang; lemma; artikel; titelwoord; trefwoord; steekwoord
責任者 sekininsha verantwoordelijke; hoofd; chef
身代わり migawari (1) plaatsvervanging; vervanging; substitutie; (2) plaatsvervanger; plaatsvervuller; substituant; remplaçant; substituut; [filmk.] stand-in; double; (3) zondebok; kop-van-jut; hoofd-van-jut
酋長 shūchō (1) opperhoofd; stamhoofd; hoofd; (2) chef; leider; baas; voorman
osa hoofd; chef; leider; aanvoerder
chō (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
院長 inchō [病院;少年院の] directeur; directrice; [学院の] rector; rectrix; rectrice; hoofd; [修道院の] overste; abt; abdis
隊長 taichō (1) [mil.] commandant; bevelhebber; (2) leider; hoofd; chef; aanvoerder; kapitein
項目 kōmoku (1) hoofd; hoofding; titel; (2) artikel; clausule; afzonderlijke bepaling in een contract; (3) item; artikel; punt; ingang; lemma; [予算~] post; (4) [maatwoord voor artikels;items]
頭株 atamakabu leider; leidsman; leidende figuur; leidinggevend persoon; [政党の] partijleider; [会社の] hoofd; directeur
頭脳 zunō (1) brein; hersens; hersenen; (2) brein; hoofd; verstand; geest; intellect; (3) brein; knappe kop
頭角 tōkaku hoofd
atama hoofd; [釘の] kop
kashira (1) hoofd; kop; (2) hoofdhaar; (3) begin; kop; (4) chef; baas; leider; boss; hoofd; aanvoerder; voorman; ploegbaas; (5) hoofd; kop van een pop; poppenkop; (6) [nō-jargon] langharige pruik; (7) [nō-jargon] aanhef van een stuk; (8) degenknop; knop aan zwaardgevest; (9) radicaal in het topdeel van een kanji; (10) [maatwoord voor mensen;dieren]; (11) [maatwoord voor boeddhistische beelden]; (12) [maatwoord voor leiders (i.h.b. generaals;daimyō)]; (13) [maatwoord voor eboshi-hoofddeksels]
首席 shuseki (1) [onderw.] voorste bank; eerste plaats; [meton.] eerste; beste leerling van de klas; primus; (2) eerste rang; belangrijkste plaats; hoofd; deken; doyen
首班 shuhan hoofd; chef; leider; [内閣の] premier; minister-president; eerste minister
首長 shuchō (1) hoofd; leider; hoofdman; (2) bestuurder; bewindsman; (3) emir; sjeik; vorst
首領 shuryō bendeleider; bendehoofd; leider; hoofd; chef; aanvoerder
首;頸 kubi (1) hals; nek; (2) hoofd; (3) kraag; (4) hals van een fles; (5) ontslag
shu (1) hoofd; kop; (2) hoofd; leider; aanvoerder; (3) kopstuk; aanstoker; bendeleider; (4) begin; oorsprong; (5) [maatwoord voor tanka en Chinese gedichten (Kanshi 漢詩)]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.21 sec. jiten.nl: 38 treffers, warandict: 56 treffers (zoekopdracht: 'hoofd'). 
2005-2026