日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘voeren’
日蘭辭典 (trefwoord)
ura
zn. (1) [裏面] achterkant m.; keerzijde v.; onderkant m. (2) [後部] achtergedeelte v. (3) [反對] tegendeel o.; tegengestelde o. (4) [衣服の] voering v. (5) [足袋等の] zool v. (6) [路地] steeg v. (7) [心の] binnenste v. ¶ 心の裏 binnenste; grond van het hart. ¶ の裏 keerzijde van een munt. ¶ 裏門 achterdeur. ¶ 裏から言ふ ironisch spreken. ¶ 裏で van achteren; achter. ¶ 家の裏で achter het huis; aan den achterkant van het huis. ¶ 裏をつける voeren.
kurawasu食はす

t.w. (1) [與食] eten geven; t.w. voeden; voeren. i.w. (2) [打つ] een klap geven. t.w. (3) [誘惑ふ] overhalen; verleiden. ¶ 食はすに利を以てす overhalen door mooie beloften.

kuwaseru食せる

i.w. (1) [食物を] te eten geven; voeren met; voeden met. (2) [扶養する] in het onderhoud voorzien van; zorgen voor. t.w. (3) [欺く] bedriegen; erin laten loopen. ¶ 笠聲を食せる een vuistslag geven.

urazukeru裏附ける

t.w. voeren; van achteren beplakken.

urautsu裏打つ

t.w. voeren; met papier beplakken.

uchitsuzukeru打續ける

(打続ける) i.w. (1) [毆り續ける] blijven ranselen. (2) [銃等を] doorgaan met vuren. (3) [興行] voortgaan met op te voeren.

tsuzumayaka na約やかな

bn. (1) [簡易] eenvoudig; beknopt. (2) [質素] sober; zuinig; bescheiden. ¶ 約やかに暮す eenvoudig leven leiden; sober bestaan voeren.

tsukasa

zn. (1) [官廳] gouvernementsbureau o. (2) [官職] ambtsplicht v.; dienst m. (3) [長官] chef m.; hoofd o. ¶ 司人 ambtenaar. ¶ 司どる beheeren; belast zijn met; het beheer voeren; leiding hebben.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voeren>
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud.;lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
勤める tsutomeru (1) werken; werkzaam zijn; [i.h.b.] ambtenaar; functionaris zijn; in dienst zijn (bij); [een bep. functie] waarnemen; bekleden; een betrekking; aanstelling; functie hebben; [voor de klas enz.] staan; (2) voorgaan in [een religieuze dienst]; leiden; voeren; verzorgen; [de mis enz.] dienen; [i.h.b.] bedienen
及ぶ oyobu (1) reiken; bereiken; leiden tot; voeren; zich uitstrekken; belopen; oplopen tot; bedragen; (2) treffen; overkomen; betrekking hebben op; raken; aangaan; betreffen; gelden; (3) opwegen tegen; opgewassen zijn tegen; kunnen tippen aan; van hetzelfde kaliber zijn als; niet onderdoen voor; het halen bij; (4) in staat zijn tot; berekend zijn voor; beantwoorden aan
導く michibiku (1) leiden; gidsen; de weg wijzen; geleiden; begeleiden; opbrengen; (2) koers doen zetten; in een bepaalde richting doen gaan; loodsen; voeren
振う;奮う;揮う furuu (1) [暴力を] plegen; gebruiken; aanwenden; laten gelden; [権力を] uitoefenen; hanteren; voeren; [刀を] zwaaien; wuiven; schudden; [手腕を] tentoonspreiden; demonstreren; aan de dag leggen; (2) [勇気を] scheppen; vatten; verzamelen; bij elkaar schrapen; (3) gedijen; tieren; welvaren; bloeien; floreren; welvarend zijn; voorspoedig zijn; succes hebben; het goed doen
採る toru (1) [een bep. houding;allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken;methoden;personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid;politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
掲げる kakageru (1) [櫛で] opkammen; in de hoogte kammen; (2) [簾を] oprollen; omrollen; [裾を] opstropen; omstropen; [gew.] opsloven; [gew.] opstroppen; (3) [火を] opstoken; aanwakkeren; aanstoken; aanjagen; (4) in de hoogte heffen; steken; opheffen; hoog opsteken; lichten; tillen; optillen; ophijsen; hijsen; oplaten; (5) [fig.] [迷いを] opheffen; lichten; uit de weg ruimen; doen verdwijnen; (6) afficheren; in de kijker plaatsen; bekendmaken; afkondigen; melden; ophangen; [Belg.N.] uithangen; [政策;理想を] huldigen; (7) [記事を] publiceren; voeren; brengen; opgeven
支配する shihaisuru (1) heersen (over); regeren; besturen; gebieden (over); onderhouden; de heerschappij hebben; voeren; macht uitoefenen; hebben (over); het bewind voeren (over); overheersen; (pre)domineren; [uitdr.] de scepter zwaaien; voeren; [uitdr.] aan het roer staan; [uitdr.] aan de touwtjes trekken; [uitdr.] de lakens uitdelen; [uitdr.] de dienst uitmaken; [uitdr.] het voor het zeggen hebben; (2) beheersen; bepalen; controleren; leiden; dirigeren; de leiding hebben (over)
為す;成す nasu (1) doen; bedrijven; begaan; plegen; beoefenen; verrichten; voeren; betrachten; (2) [van emoties: bang;boos;woest enz.] worden; (3) [fortuin;naam] maken; [zijn doel] verwezenlijken; vormen; uitmaken; (4) x tot y maken; er ~ van maken
行う okonau (1) doen; handelen; aanvangen; (2) zich gedragen; (3) uitvoeren; volbrengen; tot uitvoering brengen; toepassen; implementeren; verwezenlijken; effectueren; (4) [取り締まりを] uitoefenen; [法律を] opleggen; in werking stellen; doen uitvoeren; [研究を] voeren; leiden; bedrijven; (5) [会議;葬式;祭りを] houden; [儀式を] uitvoeren; opvoeren; vieren; celebreren; voltrekken
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
裏を付ける uraotsukeru (1) [衣服に] voeren; een voering aanbrengen in; van binnen bekleden; (2) bij z'n eerste bezoek aan een prostituee een tweede afspraak maken
裏付ける urazukeru (1) staven; ondersteunen; funderen; van gronden voorzien; onderbouwen; steunen; schragen; sterken; substantiëren; bewijs leveren; corroboreren; confirmeren; bewijzen; bevestigen; bekrachtigen; (2) voeren; een voering aanbrengen in; van binnen bekleden
裏打ちする urauchisuru (1) voeren; een voering aanbrengen in; van binnen bekleden; (2) staven; bekrachtigen; bewijzen
談合する dangōsuru (1) overleg plegen; voeren; beraad houden; beraadslagen; besprekingen; onderhandelingen voeren; ruggespraak houden; samenspraken houden; [w.g.] samenspreken; een onderhoud hebben; een conferentie houden; confereren over; (2) samenzweren; complotteren; buiten de officiële kanalen om een overeenkomst afsluiten; gemene zaak maken met; onder één hoedje spelen; handjeklap doen; spelen met; in geheime verstandhouding staan met; [m.b.t. aanbesteding] onderhands inschrijven; [i.h.b.] prijszetting toepassen
運ぶ hakobu (1) vorderen; vooruitgaan; opschieten; (vlot) verlopen; vooruitkomen; (goed) gaan; (2) vervoeren; transporteren; overbrengen; aanvoeren; aanbrengen; brengen; voeren; (3) [zijn schreden enz.] wenden naar; [koers enz.] richten naar; [geen stap;voet enz.] verzetten; (4) voortgaan met; voortzetten; vervolgen; [de pen enz.] voeren
運営する un'eisuru leiden; besturen; beheren; administreren; runnen; [国事を] voeren; uitvoeren; [会議を] voorzitten
遣る yaru (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen;gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) [水を] gieten; begieten; water geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) bedriegen; (13) kastijden; doodslaan; (14) uithuwelijken; aan de man brengen; (15) nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) leven; een bestaan leiden; (17) doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen ; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) het doen; gemeenschap hebben; vrijen; (19) [een handeling doen;verrichten]; (20) [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (21) [drukt de beëindiging van een handeling uit;vaak vergezeld van een negatie]; (22) [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
酔わせる yowaseru (1) dronken maken; voeren; bedwelmen; bedwelmend; benevelen; in een roes brengen; [veroud.] een roes aanzetten; (2) verrukken; in extase; vervoering brengen; betoveren; bekoren; in z'n ban brengen
預かる azukaru (1) bewaren; houden; in bewaring nemen; in deposito nemen; in depot nemen; zorgen voor; zorg dragen voor; verzorgen; onder z'n hoede nemen; passen op; oppassen; letten; verantwoordelijk zijn voor; opvangen; [子供を] in de kost nemen; (2) beheren; het beheer voeren over; leiden; voeren; toezicht hebben op; (3) [けんかを] bemiddelen; intermediëren; settelen; afwikkelen; (4) inhouden; voor zich houden; nog niet bekendmaken; achterwege laten; [コメントを] zich onthouden van; nalaten; wachten met; opschorten; ervan afzien; (5) [sumō-jargon] [勝負を] onbeslist laten; (6) niet terugtrakteren; (7) renteloos lenen; (8) huren; pachten; in pacht nemen
食らわす kurawasu (1) [min.] voeren; doen vreten; [賄賂を] omkopen; (2) [拳骨を] toebrengen; uitdelen; er van langs geven
食わす kuwasu (1) voeden; eten geven; voeren; (2) onderhouden; in de levensbehoeften voorzien; (3) slaan; een klap toedienen; (4) bedotten; bedriegen; beetnemen; in de luren leggen
食わせる kuwaseru (1) voeden; eten geven; voeren; (2) in de mond steken; (3) samenbrengen; invoegen; (4) onderhouden; in de levensbehoeften voorzien; (5) opleggen; opdringen; berokkenen; doen slikken; (6) slaan; een klap toedienen; (7) een pijl aanleggen; (8) bedotten; bedriegen; beetnemen; in de luren leggen; (9) culinair verwennen; delicatessen voorschotelen
養う yashinau (1) grootbrengen; opvoeden; kweken; (2) onderhouden; in het onderhoud voorzien van; voorzien in de levensbehoeften van; zorgen voor; (3) voeden; voeding geven; te eten geven; voederen; voeren; (4) adopteren; aannemen; (5) [病を] herstellen van; genezen van; er weer bovenop komen; weer bijkomen; zich (goed) verzorgen; (6) cultiveren; vormen; ontwikkelen; aankweken; opbouwen; [fig.] veredelen
餌をやる esaoyaru voederen; voeren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.32 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'voeren'). 
2005-2026