RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanvoerder>
キャップ kyappu (1) pet; muts; [Belg.N.;spreekt.] klak; (2) dop; beschermkapje; sluiting; (3) baas; meerdere; chef; hoofd; leider; [チームの] aanvoerder; captain; [Belg.N.] kapitein
キャプテン kyaputen [sportt.] kapitein [van een sportploeg]; captain; aanvoerder
プリンス purinsu (1) prins; (2) [fig.] prins; aanvoerder; eerste; (3) Prince
リーダー rīdā (1) leider; leidsman; aanvoerder; voorman; (2) [drukk.] blokpunten; (3) leesboek; handboek; pedagogische bloemlezing; reader; (4) lezer; [verzameln.] lezerspubliek; [verzameln.] lezerskring
主将 shushō (1) [sportt.] aanvoerder; captain; (2) [mil.] opperbevelhebber; generalissimus; generalissimo
兄 konokami (1) oudste zoon; eerstgeboren zoon; (2) oudere broer; zus; (3) oudere; ouder iemand; (4) clanhoofd; (5) hoofd; aanvoerder; leider
司令 shirei (1) [mil.] bevel; commando; leiding; aanvoering; (2) [mil.] commandant; bevelvoerder; bevelhebber; leider; aanvoerder
司令官 shireikan [mil.] bevelvoerende officier; bevelvoerder; bevelhebber; commandant; leider; aanvoerder
団長 danchō groepsleider; leider; hoofd van een groep; [sportt.] captain; aanvoerder
大人 otona (1) volwassene; volwassen mens; volwassen persoon; volwassen man; volwassen vrouw; meerderjarige; (2) hoofd; aanvoerder; oudste; overste; deken
将 shō (1) legeraanvoerder; aanvoerder; commandant; leider; (2) [mil.] opperofficier; (3) generaal; veldheer; (a) aanvoeren; het commando voeren; legeraanvoerder; (b) brengen; (c) staan te gebeuren; (d) [mil.] generaal
引率者 insotsusha leider; aanvoerder; gids; leidsman; commandant
指導者 shidōsha leider; aanvoerder; gids; leidsman; [sportt.] coach; [onderw.] studieleider; tutor; mentor; [Belg.N.] monitor
指揮官 shikikan [mil.] bevelvoerende officier; bevelvoerder; bevelhebber; commandant; leider; aanvoerder
棟梁 tōryō (1) vorst en balken [hoofddelen van een dakconstructie]; (2) [Jap.gesch.] gouverneur; (3) hoofd; leider; aanvoerder; chef; baas; voorman; (4) ploegbaas; [i.h.b.] meester-timmerman
盟主 meishu leider; aanvoerder
親分 oyabun baas; chef; leider; aanvoerder; leidende figuur; patroon
長 osa hoofd; chef; leider; aanvoerder
長 chō (1) hoofd; chef; baas; leider; oudste; aanvoerder; meerdere; meester; directeur; voorzitter; patroon; president; principaal; (2) meerdere in jaren; (3) het beste (onder ~); sterk punt; gunstig element; goede eigenschap; fort; kwaliteit; voordeel; merites; (4) [muz.] majeur; dur
隊長 taichō (1) [mil.] commandant; bevelhebber; (2) leider; hoofd; chef; aanvoerder; kapitein
音頭取り ondotori (1) leiding; aanvoering; initiatief; [muz.] het aangeven van de maat; toon; (2) koorleider; kooraanvoerder; voorzanger; toonaangever; toongever; (3) aanvoerder; leider; initiatiefnemer; gangmaker
音頭 ondo (1) degene die voorgaat in het uitbrengen van een toost; het roepen van hoera enz.; toostmeester; [fig.] aanvoerder; leider; initiatiefnemer; (2) [muz.] voorzanger; (3) [muz.] ondo-lied [= traditionele beurtzang waarbij solist en koor elkaar afwisselen]; (4) [muz.] leider van de blazerspartij in een gagaku-ensemble
頭 kashira (1) hoofd; kop; (2) hoofdhaar; (3) begin; kop; (4) chef; baas; leider; boss; hoofd; aanvoerder; voorman; ploegbaas; (5) hoofd; kop van een pop; poppenkop; (6) [nō-jargon] langharige pruik; (7) [nō-jargon] aanhef van een stuk; (8) degenknop; knop aan zwaardgevest; (9) radicaal in het topdeel van een kanji; (10) [maatwoord voor mensen;dieren]; (11) [maatwoord voor boeddhistische beelden]; (12) [maatwoord voor leiders (i.h.b. generaals;daimyō)]; (13) [maatwoord voor eboshi-hoofddeksels]
首謀者;主謀者 shubōsha leider; aanvoerder; brein; drijvende kracht
首領 shuryō bendeleider; bendehoofd; leider; hoofd; chef; aanvoerder
首 shu (1) hoofd; kop; (2) hoofd; leider; aanvoerder; (3) kopstuk; aanstoker; bendeleider; (4) begin; oorsprong; (5) [maatwoord voor tanka en Chinese gedichten (Kanshi 漢詩)]