日蘭辭典+

55 resultaten voor ‘opgeven’
日蘭辭典 (trefwoord)
akirameru諦る
(諦める) i.w. berusten in; genoegen nemen met; zich neerleggen bij; (放棄) hoop opgeven; hoop laten varen.
yame止め
zn. (1) [終り] einde v.; conclusie v. (2) [中止] ophouding v.; stoppen o. (3) [廢止] afschaffing v. (4) [斷念] onthouding v.; opgeving v. ¶ 止める doen ophouden; afschaffen; uitscheiden met; stoppen; opgeven; afzien van; een einde maken aan. ¶ 仕事止める uitscheiden met werken. ¶ 學問を廢める de studie opgeven. ¶ 新聞取るのを廢める voor een krant bedanken. ¶ を廢める den drank afzweren; geheelonthouder worden.
yasegaman瘠我慢
(痩せ我慢; 瘠せ我慢) zn. volharding tot het uiterste. ¶ 瘠我慢をする tot het uiterste volharden; het niet willen opgeven.
suteru捨てる、棄てる
t.w. (1) [放棄] weggooien; wegwerpen. (2) [人、希望権利等] verzaken; opgeven; prijs geven; aan zijn lot overlaten; den rug toekeren; verstooten. ¶ を棄てる kind verstooten; kind te vondeling leggen. ¶ 一命を捨てて met levensgevaar. ¶ 一命を捨てる zijn leven wagen. ¶ を捨てる zich uit de wereld terugtrekken.
shinu死ぬ
i.w. sterven; doodgaan; overlijden. ¶ 死んで居る dood; levenloos. ¶ 死ぬ tot den dood. ¶ 死ぬ覺悟で ten koste van zijn leven. ¶ 死んでも zelfs al moest het leven kosten. ¶ 死んだ風をする zich dood houden. ¶ 死んだ者諦める de hoop opgeven, dat iemand nog in leven is. ¶ 燒け死ぬ levend verbranden. ¶ 凍え死ぬ doodvriezen. ¶ 怪我で死ぬ aan zijn wonden sterven. ¶ 死んだ overleden; wijlen; -zaliger. ¶ 死ぬかと思ふ het gevoel hebben, dat zijn laatste uur geslagen is; denken, dat men gaat sterven.
kibō希望

zn. (1) [] hoop v. (2) [豫期] verwachting v. (3) [所望] bedoeling v.; wensch m.; verlangen o. ¶ の希望して in de hoop op; met de bedoeling om. ¶ 希望を棄てる de hoop opgeven. ¶ 希望に副う aan de verwachting beantwoorden. ¶ 希望する hopen; wenschen; verlangen; verwachten. ¶ 希望者 sollicitant. ¶ 希望者は自身來訪ありたし sollicitanten gelieven zich persoonlijk te vervoegen bij......

kuppuku屈服

zn. onderwerping v.; overgave v. ¶ 屈服する zich onderwerpen; zich vergeven; toegeven; het hoofd buigen; den strijd opgeven.

zetsubō絶望

zn. wanhoop v.; vertwijfeling v. ¶ 絶望的 wanhopig; hopeloos. ¶ 絶望する die hoop opgeven; geen hoop meer hebben; wanhopen; vertwijfelen.

uchiwake內譯

(内訳) zn. posten eener rekening. ¶ 内譯をする posten eener rekening gedetailleerd opgeven.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opgeven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
へこたれる hekotareru (1) de moed verliezen; opgeven; ontmoedigd raken; mismoedig worden; moedeloos worden; moedeloos bij de pakken neerzitten; (2) zich gewonnen geven; het hoofd buigen; het voor bekeken houden; het voor gezien houden; het erbij laten; er de brui aan geven; de pijp aan Maarten geven; (3) van moeheid gaan zitten; zich vermoeid neerzetten
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [すぴーどを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
下りる oriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
中止する chuushisuru afgelasten; onderbreken; afstellen; afblazen; annuleren; stopzetten; staken; opschorten; schorsen; stilleggen; afzeggen; afbreken; opgeven
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew.;お酒を〜] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [とらんぷの札を〜] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を〜] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を〜] uithangen; (3) uiten; slaken; [音;さいんを〜] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; [料理を〜] opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を〜] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を〜] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [がすを〜] uitstoten; emitteren; [熱を〜] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を〜] uitzetten; [列車を〜] inleggen; (10) betalen; opbrengen; (11) veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [すぴーどを〜] halen; opdrijven; (12) [店;支店を〜] openen; beginnen; (13) […~] naar buiten …; uit-; (14) […~] beginnen te …; het op een … zetten
取り下げる torisageru intrekken; laten varen; afzien van; opgeven
名乗る nanoru (1) zich identificeren; zich voorstellen; [名を] z'n naam zeggen; geven; opgeven; (2) zich legitimeren; z'n identiteit bewijzen; zich bekendmaken; (3) zich noemen; zich uitroepen tot; een naam aannemen; een titel voeren; (4) [虫;鳥が] geluid maken; (5) bij uitroep venten; roepend aankondigen; uitroepen
吐く;嘔く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr.;volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr.;volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg.;uitdr.] poep van zeike gaan
吐血する toketsusuru bloed spuwen; braken; opgeven
奉る tatematsuru (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; (7) […~] [hum. hulpwerkwoord]; (8) laten aanbieden; doen geven; (9) sturen; afvaardigen; zenden
屈する kussuru (1) buigen; plooien; (2) onderwerpen; overwinnen; (3) zich onderwerpen; zich neerleggen; zwichten; zich gewonnen geven; door de knieën gaan; zich overgeven; toegeven; wijken; (4) ontmoedigd raken; de moed verliezen; terugdeinzen; versagen; opgeven
hai (a) in onbruik raken; vervallen; (b) weggooien; opgeven
廃す haisu (1) [制度を] afschaffen; afdanken; opdoeken; (2) [君主を] afzetten; aan de kant schuiven; zetten; van de troon stoten; onttronen; (3) [jur.] [法律を] herroepen; intrekken; opheffen; annuleren; tenietdoen; vernietigen; abrogeren; (4) [習慣を] ophouden met; stoppen met; opgeven; zich ontdoen van; wegdoen; afzien van
廃する haisuru (1) [制度を] afschaffen; afdanken; opdoeken; (2) [君主を] afzetten; aan de kant schuiven; zetten; van de troon stoten; onttronen; (3) [jur.] [法律を] herroepen; intrekken; opheffen; annuleren; tenietdoen; vernietigen; abrogeren; (4) [習慣を] ophouden met; stoppen met; opgeven; zich ontdoen van; wegdoen; afzien van
思い切る omoikiru (1) opgeven; laten varen; afstappen van; niet meer denken aan; (2) een besluit nemen; tot een besluit komen; zich decideren; de knoop doorhakken; de beslissende stap nemen; de sprong wagen
思い止まる omoitodomaru (de idee) opgeven; prijsgeven; laten varen; afstappen van; afzien van
戻す modosu (1) terugbrengen; terugbezorgen; teruggeven; terugplaatsen; retourneren; terugzetten; terugzenden; terugstellen; terugsturen; terugleggen; achteruitzetten; achteruitstellen; weer in zijn oude staat brengen; (2) overgeven; braken; opgeven; vomeren; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
打っ遣る utcharu (1) weggooien; wegdoen; zich ontdoen van; (2) verwaarlozen; in de steek laten; aan zijn lot overlaten; verlaten; achterlaten; opgeven; zich niet aantrekken; negeren; niet letten op; (3) [sumō-jargon] op z’n allerlaatst een achterwaartse pivot-worp uitvoeren; (4) [fig.] de rollen omdraaien; nog net de overwinning behalen; net niet verslagen worden
tou (1) [sportt.] het werpen; worp; het gooien; gooi; (2) [honkb.] pitchers; werpers; (3) worp; gooi; (a) gooien; begooien; (b) inwerpen; (c) eruit gooien; wegwerpen; opgeven; (d) toedienen; toesturen; (e) afstemmen; samenvallen; (f) blijven; verblijven
投げる nageru (1) werpen; gooien; smijten; slingeren; jenzen; keilen; kogelen; patsen; fazelen; [i.h.b.] pitchen; [inform.] lazeren; [inform.] flikkeren; [inform.] donderen; [fig.;inform.] mikken; (2) [i.c.m. 身] zich werpen; zich storten; zich gooien; (3) [in het judo;sumō e.d.] (de tegenstander met een bep. techniek) op de grond werpen; vloeren; (4) [視線を] een blik werpen; (5) [een examen enz.] (halverwege) opgeven; eraan geven; ermee ophouden; staken; (6) met verlies van de hand doen; met schade verkopen
投げ出す nagedasu (1) uitgooien; uitwerpen; uitsmijten; naar buiten gooien; werpen; smijten; eruit gooien; werpen; smijten; (2) opofferen; offeren; opgeven; prijsgeven; afstaan; afstand doen van
挙げる ageru (1) [式を] houden; organizeren; vieren; (2) [例として] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; quoten; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (3) [腕を] opsteken; [頭を] oprichten; (4) [委員に] benoemen; aanstellen; (5) verenigen; samenbrengen; verenen; (6) [子を] krijgen; hebben; (7) arresteren; aanhouden; inrekenen; oppakken
挫ける kujikeru (1) [足が] zich verzwikken; (2) [勢い;意欲が] bekoelen; getemperd raken; [勇気が] de moed verliezen; laten zakken; opgeven; ontmoedigd raken; mismoedig worden; versagen
振る furu (1) zwaaien; heen en weer bewegen; wuiven met; kwispelen met; zwiepen met; (2) strooien; sprenkelen; schudden; (3) toedelen; toewijzen; toebedelen; (4) afwijzen; dumpen; laten vallen; in de steek laten; verlaten; laten zitten; de bons geven; afdanken; (5) opgeven; ter beschikking stellen; opofferen; overslaan; wegblijven van; (6) uitgeven; in omloop brengen
捧げる sasageru (1) hoog opsteken; omhoogsteken; in de hoogte steken; in de hoogte geven; opgeven; aanreiken; (2) offeren; opdragen; wijden (aan); toewijden; inscriberen; [rel.] bevelen; [veroud.] opofferen; [m.b.t. boek] dedicaceren; [veroud.] toe-eigenen
捨てる;棄てる suteru (1) wegwerpen; weggooien; wegsmijten; vergooien; dumpen; storten; afdanken; wegdoen; lozen; [kaartsp.] ecarteren; (2) in de steek laten; aan zijn lot overlaten; achterlaten; verlaten; laten zitten; laten zakken; verzaken; weggaan bij; de bons geven; (3) opgeven; prijsgeven; laten varen; neerleggen; abandonneren; afstand doen van; afstappen van; aan de kant zetten; schuiven; vaarwel zeggen; de rug toekeren; renonceren; verloochenen; afzweren; zich niet meer storen aan; laten vallen; verloren geven; [fig.] overboord gooien; [uitdr.] op de schroothoop gooien; [uitdr.] met de vuilnisman meegeven; [uitdr.] naar de schroothoop verwijzen
掲げる kakageru (1) [櫛で] opkammen; in de hoogte kammen; (2) [簾を] oprollen; omrollen; [裾を] opstropen; omstropen; [gew.] opsloven; [gew.] opstroppen; (3) [火を] opstoken; aanwakkeren; aanstoken; aanjagen; (4) in de hoogte heffen; steken; opheffen; hoog opsteken; lichten; tillen; optillen; ophijsen; hijsen; oplaten; (5) [fig.] [迷いを] opheffen; lichten; uit de weg ruimen; doen verdwijnen; (6) afficheren; in de kijker plaatsen; bekendmaken; afkondigen; melden; ophangen; [Belg.N.] uithangen; [政策;理想を] huldigen; (7) [記事を] publiceren; voeren; brengen; opgeven
放り出す houridasu (1) eruit gooien; eruit werpen; eruit kegelen; eruit smijten; eruit kieperen; (2) opgeven; in de steek laten; achterlaten; laten zitten; ophouden met; staken; laten liggen; van zich af zetten; neerleggen; terzijde leggen; (3) verwaarlozen; veronachtzamen; aan z'n lot overlaten; (4) ontslaan; de laan uitsturen; afdanken; aan de dijk zetten; de zak; bons geven; wegzenden; wegsturen
放る;抛る;投る houru (1) werpen; gooien; smijten; keilen; slingeren; kogelen; [inform.] flikkeren; jenzen; lazeren; mikken; fazelen; (2) opgeven; ophouden met; eraan geven; de brui geven aan; uitscheiden met; laten liggen; in de steek laten; laten zitten; laten steken; laten sloffen; verwaarlozen; nalaten
放棄する houkisuru verzaken; afstand doen van; afstaan; in de steek laten; prijsgeven; opgeven; renonceren; laten varen; [m.b.t. les] laten uitvallen; vaarwelzeggen; verlaten; neerleggen; afgaan van; afzien van; afzweren; [育児を] laten verkommeren; verwaarlozen
断つ tatsu (1) breken; snijden; afsnijden; afbreken; afhakken; doorsnijden; doorhakken; (2) staken; uitscheiden met; stoppen met; ophouden met; verbreken; laten; niet langer doen; opgeven; [悪習;麻薬を] afkicken; (3) [電流を] uitschakelen; uitdraaien; afzetten; [接続を] afkoppelen
明け渡す akewatasu [城を] prijsgeven; opgeven; overdragen; overgeven; overleveren; afstaan; afgeven; [店を] overdoen; [gew.] overlaten; [家を] ontruimen; verlaten; evacueren
棄権する kikensuru afstand doen van; opgeven; laten varen; afzien van; renonceren; [Belg.N.] verzaken; [投票を] zich onthouden; [sportt.] zich terugtrekken; niet opkomen; [Belg.N.] forfait geven
止す yosu ophouden (met); stoppen met; uitscheiden (met); kappen (met); nokken met; (achterwege) laten; opgeven
止める yameru (1) ophouden met; stoppen met [werken enz.]; uitscheiden met; beëindigen; nokken met; aftaaien; [het vuren enz.] staken; kappen met; geen [ruzie enz. meer] maken; een eind maken aan; [m.b.t. een gewoonte] afschaffen; afleggen; breken met; terugkeren van; afzweren; er de brui aan geven; [het roken enz.] laten; (2) [m.b.t. een plan] laten varen; laten schieten; opgeven; [m.b.t. een contract] opzeggen; (3) afleren; afwennen; (4) wachten tot de regen enz. voorbij is
気落ちする kiochisuru mismoedig worden; de moed verliezen; opgeven; laten zakken; versagen; het hoofd laten hangen; vertwijfelen
渡す watasu (1) overzetten; overvoeren; overvaren; overschepen; (2) [m.b.t. touw] spannen; [m.b.t. brug] leggen; slaan; bouwen; (3) overbrengen; overmaken; overdragen; delegeren; overleveren; overgeven; uitleveren; afdragen; afstaan; opgeven; (4) overhandigen; in handen geven; indienen; ter hand stellen; afgeven; overreiken; aanreiken; presenteren; leveren
脱落する datsurakusuru (1) afvallen; loslaten; loskomen; losgaan; [必要な文字が] ontbreken; wegvallen; mankeren; [羽毛が] ruien; uitvallen; (2) loslaten; lossen; [Belg.N.] de rol lossen; achteropraken; afhaken; uitvallen; afvallen; niet meekunnen met; niet meer meedoen; opgeven; [学校から] niet afmaken; vroegtijdig verlaten
見切る mikiru (1) alles zien; ten einde toe bekijken; uitkijken; uitzien; (2) het voor bekeken houden; opgeven; prijsgeven; laten vallen; (3) scherp zien; waarnemen; onderscheiden; (4) goedkoop verkopen; met verlies verkopen; (5) evalueren; vaststellen; opmaken
見放す mihanasu opgeven; in de steek laten; laten vallen; begeven; aan z'n lot overlaten; de rug toekeren
記載する kisaisuru (1) vermelden; melden; opgave doen; opgeven; gewag maken; [veroud.] wagen; (2) aantekenen; optekenen; noteren; opschrijven; neerschrijven; boeken; te boek stellen; boekstaven; inschrijven; registreren; vastleggen; coucheren
課す kasu opleggen; belasten met; bezwaren met; onereren met; [宿題を] toebedelen; opgeven; [税を] heffen; [w.g.] imponeren
課する kasuru opleggen; belasten met; bezwaren met; onereren met; [宿題を] toebedelen; opgeven; [税を] heffen; [w.g.] imponeren
諦める akirameru opgeven; prijsgeven; laten varen; berusten; zich schikken; zich neerleggen
譲る yuzuru (1) afstaan; [zijn ambt] overdragen; overlaten; uit handen geven; overleveren; overgeven; overhandigen; [eigendom] vervreemden; [onroerend goed] vermaken; nalaten; legateren; legeren; (2) verkopen; (3) wijken; toegeven; opgeven; zwichten; (4) [de bal] afgeven; [voorrang] geven; [van plaats] wisselen; verruilen; laten voorgaan; (5) uitstellen; opschorten; verschuiven (tot later); wegleggen; sparen
返上する henjousuru (1) [form.] teruggeven; retourneren; (2) [休みを] afzien van; opgeven; verzaken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.47 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 46 treffers (zoekopdracht: 'opgeven'). 
2005-2026