RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bedoeling>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
オブジェクト obujixekuto (1) voorwerp; object; ding; (2) doel; oogmerk; bedoeling; (3) [spraakk.] voorwerp; object; (4) [fil.] object; (5) [comp.] object; systeemcomponent
ゴール gooru (1) [sportt.] goal; doelpunt; doel; (2) finish; finishplaats; eindstreep; meet; (3) doel; bedoeling; doeleinde; opzet; oogmerk; richtpunt; (4) Gallië; (5) [maatwoord voor goals;doelpunten]
企て kuwadate (1) plan; ontwerp; beraming; opzet; bedoeling; (2) project; onderneming; (3) poging; (4) complot; intrige; list
企図 kito (1) plan; voornemen; opzet; bedoeling; doel; oogmerk; beoging; (2) project; onderneming
作意 sakui (1) concept; idee; thema; motief; (2) beleid; tact; attentheid; bedachtzaamheid; (3) bedoeling; intentie; opzet; voornemen; oogmerk; (4) [shogi] strategie aangewend bij probleemschaak
向き muki (1) richting; ligging; oriëntatie; positie; gerichtheid; (2) bestemming; geschiktheid; aangewezenheid; bedoeling; (3) betrokkene; belanghebbende; mensen die ~; (4) opvliegendheid
当て ate (1) doel; streefdoel; bedoeling; oogmerk; plan; (2) verwachting; vooruitzicht; uitzicht; mogelijkheid; (3) betrouwbaarheid; vertrouwen; krediet; geloofwaardigheid
心掛け;心懸け kokorogake (1) plan; opzet; bedoeling; intentie; voornemen; oogmerk; (2) voorzichtigheid; zorg; behoedzaamheid; omzichtigheid; (3) instelling; attitude; mentaliteit
心 kokoro (1) geest; ziel; (2) hart; innerlijk; inborst; aard; karakter; (3) gevoel; gevoelens; emotie; sentiment; hartstocht; (4) hartelijkheid; cordialiteit; warmte; vriendelijkheid; oprechtheid; eerlijkheid; (5) sympathie; genegenheid; medegevoel; deelneming; (6) aandacht; attentie; interesse; belangstelling; (7) geheugen; memorie; herinneringsvermogen; (8) wil; wilskracht; (9) intentie; bedoeling; (10) stemming; humeur; gemoedsgesteldheid; (11) betekenis; ware betekenis; zin; antwoord; het waarom
思し召し oboshimeshi (1) uw mening; idee; inzicht; opinie; gedachte; (2) uw oordeel; discretie; beschikking; (3) uw goeddunken; believen; verlangen; wens; verwachting; wil; bedoeling; (4) goedheid; vriendelijkheid; welwillendheid; gunst; (5) voorliefde; genegenheid; voorkeur; smaak; neiging; interesse
思惑 omowaku (1) verwachting; inschatting; voorspelling; (2) bedoeling; oogmerk; intentie; hoop; voornemen; motief; (3) bijbedoeling; verborgen; geheime agenda; achterliggende gedachte; (4) wat anderen over iemand denken; andermans waardering; dunk; (5) [beurst.] marktvoorspelling; speculatie
意向 ikou bedoeling; oogmerk; voornemen; wens; intentie; opzet; plan; [Belg.N.;niet alg.] inzicht
意味 imi (1) betekenis; zin; (2) bedoeling; strekking; belang; punt waar het op aankomt; (3) implicatie; gevolgtrekking
意図 ito bedoeling; oogmerk; voornemen; intentie; opzet; plan; zin; [veroud.] raad; [Belg.N.;niet alg.] inzicht
意思 ishi intentie; bedoeling; doel; plan; wens; wil
意 i (1) gevoel; gevoelen; betuiging; mening; gedachte; opinie; (2) voornemen; wil; zin; plan; [Belg.N.] gedacht; intentie; wens; (3) aandacht; attentie; zorg; behartiging; (4) voorkeur; zin; smaak; (5) zin; betekenis; bedoeling; teneur; strekking; inhoud; (6) goede gezindheid; genegenheid; (7) [boeddh.] geest; ziel
故意 koi opzet; oogmerk; bedoeling; intentie; voornemen; voorbedachtheid
料簡 ryouken (1) idee; gedachte; begrip; inzicht; opvatting; mening; voornemen; bedoeling; intentie; opzet; (2) oordeel; beoordeling; inschatting; discretie; (3) vergeving; vergiffenis; pardon; genade; geduld; tolerantie; (4) maatregel; schikking
狙い;狙 nerai (1) aanleg [van het geweer enz.]; richting; mik; het mikken; het richten; het aanleggen; (2) doel; streven; oogmerk; bedoeling; doelstelling; doeleinde
目処 medo (1) doel; streefdoel; oogmerk; bedoeling; (2) vooruitzicht; verwachting; perspectief; hoop; (3) [針の] oog
目安 meyasu (1) richtsnoer; leidraad; maatstaf; ijkpunt; norm; richtlijn; referentie; (2) oogmerk; bedoeling; intentie; opzet
目標 mokuhyou (1) doel; doelwit; doeleinde; bedoeling; doelstelling; streefdoel; objectief; object; (2) merkteken; merk; baken; luchtbaken; markering; oriëntatiepunt
目的 mokuteki doel; oogmerk; [veroud.] oogwit; bedoeling; doelstelling; intentie; voornemen; streefdoel; doeleinde; plan; opzet; objectief; onderwerp; streven; mikpunt; bestemming; einddoel
目論見;目論 mokuromi plan; opzet; oogmerk; bedoeling; [i.h.b.] bijbedoeling; heimelijk motief
目途 mokuto doel; doelstelling; oogmerk; bedoeling; [Belg.N.;niet alg.] objectief
積り;積もり;積;心算 tsumori (1) voornemen; intentie; plan; bedoeling; opzet; oogmerk; van zins ~; [veroud.] voorhebben; (2) verwachting; overtuiging; (onder de) indruk (dat); (in de ) veronderstelling (dat); (3) zich wijsmakend dat ~; zich inbeeldend dat; als ware ~; (4) raming; schatting; (5) laatste glaasje op een receptie; afzakkertje
立て tate (1) beginsel; leidraad; bedoeling; (2) regel; bepaling; (3) banket; party; (4) traktatie; (5) hoofd-; voornaamste …; (6) pas ge-…; vers ge-…; (7) [maatwoord voor een reeks opeenvolgende nederlagen]
趣旨 shushi bedoeling; doel; oogmerk