RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <beweging>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ジェスチャー jixesuchaa gebaar; beweging; gesticulatie; geste
ジェスチュア jixesuchua gebaar; beweging; gesticulatie; geste
ゼスチュア zesuchua gebaar; beweging; gesticulatie; geste
ムーブメント muubumento (1) beweging; organisatie; stroming; partij; (2) [muz.] deel (van een muziekstuk); (3) mouvement; raderwerk; mechanisme; gangwerk in een uurwerk
モーション mooshon (1) beweging; gebaar; geste; move; wenk; gesticulatie; (2) [honkb.] wind-up; (3) avance
一挙 ikkyo (1) beweging; verroering; (2) tenuitvoerlegging; demarche; stap; (3) [鶴;鸛の] vlucht; (4) vaart; schwung
動き ugoki (1) beweging; verroering; roersel; (2) trend; tendens; ontwikkeling; verandering; (3) teken; indicatie; (4) iems. gangen; iems. doen en laten; iems. handel en wandel; activiteit; manoeuvre
動作 dousa (1) beweging; gebaar; geste; gesticulatie; (2) houding; postuur; gedrag; manier van doen; optreden; manieren; (3) [m.b.t. machine] werking
動揺 douyou (1) schok; stoot; stoting; hort; hobbeling; [m.b.t. schip] wiegeling; rolling; deining; slingering; oscillatie; daver; beving; schudding; huivering; (2) schommeling; fluctuatie; slingerbeweging; (3) weifeling; wankeling; aarzeling; [fig.] waling; (4) woeling; onrust; opschudding; agitatie; gisting; [fig.] fermentatie; opgewondenheid; opwinding; woeligheid; turbulentie; tumult; beroering; roerigheid; roering; commotie; beweging; verwarring; perturbatie; consternatie; [veroud.] alteratie
動 dou (1) beweging; (a) bewegen; (b) in beweging brengen; (c) zich gedragen; (d) in beroering raken
楽章 gakushou [muz.] beweging; deel
横這い yokobai (1) zijdelingse gang; beweging; het zijwaarts kruipen; [かにの] krabbengang; (2) stagnatie; stabilisering; (3) [dierk.] dwergcicade; bladspringer; Cicadellidae
機動 kidou [mil.] beweging; verplaatsing
派 ha (1) groep; kamp; groepering; club; (2) partij; fractie; (3) school; volgelingen; stroming; beweging; (4) gezindte; denominatie; (5) factie; coterie; [pej.] kliek; [pej.] clique
立ち居 tachii (1) het opstaan en gaan zitten; beweging; (2) handelingen; handel en wandel; gedragingen
行動 koudou (1) handeling; daad; (2) actie; beweging; het handelen; (3) gedrag; handelwijze; houding; manieren; manier van doen; wandel; handel en wandel; (4) militaire operaties; krijgsverrichtingen
身動き miugoki beweging; verroering
身振り miburi gebaar; beweging; gesticulatie
運動 undou (1) [natuurk.] beweging; voortbeweging; (2) lichaamsbeweging; sport; oefening; training; (3) (sociale) beweging; campagne; (publieke) actie; agitatie; [fig.] kruistocht
運行 unkou (1) [惑星;衛星;彗星の] loop; beweging; omloop; (2) [電車;ばすの] dienst; verkeer; (3) voortgang; vordering
運転 unten (1) [自動車の] het besturen; besturing; het autorijden; het rijden; (2) [機械の] het bedienen; bediening; het doen draaien; het draaiende houden; het laten werken; werking; bedrijf; beweging; gang
騒ぎ sawagi (1) lawaai; leven; rumoer; kabaal; tumult; gedruis; geraas; misbaar; geroezemoes; [fig.] pandemonium; (2) drukte; gewoel; beweging; [fig.] gewriemel; vertier; omhaal; omslag; [uitdr.;gew.] een hele begankenis; [gew.] beslag; bedoening; bereddering; soesa; [fig.] poespas; spats; [volkst.] gedoe; [fig.] kermis; [fig.] circus; gejaagdheid; jachtigheid; gejakker; gejacht; opwinding; excitatie; agitatie; (3) heisa; herrie; toestand; commotie; rel; onrust; opschudding; alteratie; consternatie; beroering; roering; roerigheid; [oneig.] oproer; [arch. of gew.] laweit; [fig.] fermentatie; deining; alarm; ophef; sensatie; stampij; heibel; gemaal; poeha; stennis; keet; tamtam; [fig.] fanfare; [inform.] bombarie; spektakel; [inform.] beestenboel; gekrakeel; [i.h.b.] ruzie; [i.h.b.] twist; [i.h.b.] gekijf; [i.h.b.] onenigheid; (4) woeling; rustverstoring; ordeverstoring; rel; perturbatie; onrust; opstootje; onlusten; beroering; troebelen; [fig.] gisting; [hist.] beroerten