日蘭辭典+

42 resultaten voor ‘shi’
日蘭辭典 (titelwoord)
shi
telw. vier. ¶ 第四 vierde; nummer vier.
shi
zn. heer m.; ridder m.
shi
zn. (1) [] de heer m.; mijnheer m. (2) [] mevrouw v.; mejuffrouw v.; vnw. hij (); zij (). ¶ 某氏 zeker iemand; een persoon.
shi
shi
zn. dood m.; overlijden o. ¶ に就く den dood ingaan. ¶ を決する besluiten om te sterven.
shi
zn. gedicht o.
SUPPLEMENT (titelwoord)
shi
(voegwoord) (1) [tussen twee zinsdelen] en; en ook; tevens; eveneens. ¶ が短いし、も軽いだ。 Watashi wa ki ga mijikai shi, kuchi mo karui otoko da. Ik ben een man met een kort lontje en ik heb ook een losse tong. (TTC) (2) [aan het einde van een zin, een reden markerend maar ook afzwakkend] ¶ モロッコから帰ってきてからどうも調子悪い。咳が止まらないし Morokko kara kaette kite kara, dōmo chōshi ga warui. Seki ga tomaranai shi Sinds ik terug ben gekomen van Marokko voel ik me vreselijk beroerd. Het hoesten houdt maar niet op... (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <shi>
しっ shi (1) ks; kst; (2) sst!; s!; stil!; stilte!
shi […~] [nadrukpartikel]
shi (1) […~] [partikel dat een nevenschikkend of contrastief verband uitdrukt]; (2) […~] [causaal voegwoordelijk partikel]; (3) […~] [eindpartikel dat een onuitgesproken conclusie impliceert]; (4) […まい~] [partikel dat een retorische vraag uitdrukt]
shi […~] [uitroeppartikel]
shi (1) indiensttreding; ambtsvervulling; (a) indiensttreding; (b) doen; verrichten; (c) fonetisch teken met uitspraak "shi"
使 shi [bijb.] Handelingen van de apostelen; Handelingen (der Apostelen); Acta Apostolorum; [afk.] Hand.; [afk.] Hnd.; [afk.] Act.
shi (1) geschiedenis; historie; (2) ~ geschiedenis
shi (1) [ritsuryō] directie; (a) besturen; (b) overheidsdienaar; overheidsdienst
shi (1) snavel; bek; (2) uitsteeksel
四;4;肆;IV shi vier
shi (a) grondslag; basis; fundering; (b) overblijfselen van een bouwwerk; ruïnes
shi (1) [Jap.gesch.] samoerai; Japanse ridder; (2) persoon; man; heer; (3) [bijb.] Rechters; Richteren; [in de Vulgaat] Iudices; [afk.] Re.; [afk.] Richt.; [afk.] Iud.
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
shi menselijk lijk; dood lichaam; kadaver
shi stad [i.h.b. Japanse gemeente;municipaliteit met een bevolking van 50.000 inwoners of meer]
shi (1) leraar; leermeester; meester; (2) Eerwaarde (Heer); [afk.] Eerw.; E.H.
shi (a) vinger; teen; (b) met de vinger wijzen; aanwijzen; aanduiden
shi (a) vertakking; vertakken; afsplitsen; (b) uiteenvallen; zich verspreiden; (c) uitgeven; (d) plannen; (e) steunen; (f) blijven steken; hinder; (g) [astrol.] twaalf astrologische tekens; (h) [afkorting van Shina 支那 (China)]
shi (a) halt houden; roerloos blijven; (b) activiteit staken; stoppen; ophouden; (c) gedrag; houding
shi (a) tand; (b) leeftijd
shi (1) dood; (2) [honkb.] uitspel; uitgetikte speler
shi (1) hij; hem; [attr.] zijn; (2) [afk.] dhr.; de heer; [afk.] M.; mijnheer; [mv.;afk.] HH.; [mv.] de heren; (3) familie; geslacht; [i.h.b.] clan; (4) x heren
shi (1) privé; (a) privé; particulier; persoonlijk; (b) heimelijk; in het geheim
shi zeef; zift; het zeven; het ziften
shi (1) een tienduizendste; (2) een duizendste van een procent; (a) draad; streng; (b) draadachtig iets; (c) [muz.] snaarinstrument; snaar; (d) een tienduizendste deel; extreme geringe hoeveelheid
shi (1) de krant ~ [verkorting van shinbunshi 新聞紙]; (2) ~ papier
shi paars; purper; violet
shi (a) bereiken; aankomen; (b) opperste; (c) zonnestilstand; zonnewende; solstitium
shi (1) -visie; -beeld; -beschouwing; -opvatting; (a) zien; (b) observatie; (c) visie; beschouwing
shi (1) woorden; tekst; gedicht; (2) [Chin.letterk.] tiáncí 填詞; (3) [Jap.spraakk.] vrijstaand woord; zaakwoord; (a) woorden; tekst; poëzie; (b) woord
shi (a) proberen; beproeven; een poging wagen; (b) test; examen
shi (1) poëzie; dichtkunst; (2) gedicht; dichtwerk; vers; dichtstuk; [Lat.] poëma; [iron.] poëem; [lit.t.] zang; (3) Chinees gedicht; Chinese poëzie; (4) [Chin.lit.] Shījīng; Boek der Oden; Boek der Liederen; (5) [bijb.] het boek Psalmen; [in de Vulgaat] Psalmi; [afk.] Ps.; (a) gedicht; poëzie; (b) Chinese poëzie; (c) Shījīng
shi (a) document; geschrift; bundel; (b) [afk.] tijdschrift; blad
shi (1) kapitaal; vermogen; geldmiddelen; fondsen; (2) materiaal; (3) kwaliteiten; aanleg; talent; gave; begaafdheid; capaciteit; vermogen; aard; karakter; (a) kapitaal; geldmiddelen; (b) materiaal; (c) eigenschap; aard; (d) helpen; (e) kapitalist
shi (a) voet; teen; (b) overblijfsel; rest; ruïne
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.28 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'shi'). 
2005-2026