
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
shi・市
shi・詩
zn. gedicht o.
SUPPLEMENT (titelwoord)
shi・し
(voegwoord) (1) [tussen twee zinsdelen] en; en ook; tevens; eveneens. ¶ 私は気が短いし、口も軽い男だ。 Watashi wa ki ga mijikai shi, kuchi mo karui otoko da. Ik ben een man met een kort lontje en ik heb ook een losse tong. (TTC) (2) [aan het einde van een zin, een reden markerend maar ook afzwakkend] ¶ モロッコから帰ってきてからどうも調子悪い。咳が止まらないし Morokko kara kaette kite kara, dōmo chōshi ga warui. Seki ga tomaranai shi Sinds ik terug ben gekomen van Marokko voel ik me vreselijk beroerd. Het hoesten houdt maar niet op... (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <shi>
しっ shi (1) ks; kst; (2) sst!; s!; stil!; stilte!
し shi […~] [nadrukpartikel]
し shi (1) […~] [partikel dat een nevenschikkend of contrastief verband uitdrukt]; (2) […~] [causaal voegwoordelijk partikel]; (3) […~] [eindpartikel dat een onuitgesproken conclusie impliceert]; (4) […まい~] [partikel dat een retorische vraag uitdrukt]
し shi […~] [uitroeppartikel]
仕 shi (1) indiensttreding; ambtsvervulling; (a) indiensttreding; (b) doen; verrichten; (c) fonetisch teken met uitspraak "shi"
使 shi [bijb.] Handelingen van de apostelen; Handelingen (der Apostelen); Acta Apostolorum; [afk.] Hand.; [afk.] Hnd.; [afk.] Act.
史 shi (1) geschiedenis; historie; (2) ~ geschiedenis
司 shi (1) [ritsuryō] directie; (a) besturen; (b) overheidsdienaar; overheidsdienst
嘴 shi (1) snavel; bek; (2) uitsteeksel
四;4;肆;IV shi vier
址 shi (a) grondslag; basis; fundering; (b) overblijfselen van een bouwwerk; ruïnes
士 shi (1) [Jap.gesch.] samoerai; Japanse ridder; (2) persoon; man; heer; (3) [bijb.] Rechters; Richteren; [in de Vulgaat] Iudices; [afk.] Re.; [afk.] Richt.; [afk.] Iud.
子 shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
屍 shi menselijk lijk; dood lichaam; kadaver
市 shi stad [i.h.b. Japanse gemeente;municipaliteit met een bevolking van 50.000 inwoners of meer]
師 shi (1) leraar; leermeester; meester; (2) Eerwaarde (Heer); [afk.] Eerw.; E.H.
指 shi (a) vinger; teen; (b) met de vinger wijzen; aanwijzen; aanduiden
支 shi (a) vertakking; vertakken; afsplitsen; (b) uiteenvallen; zich verspreiden; (c) uitgeven; (d) plannen; (e) steunen; (f) blijven steken; hinder; (g) [astrol.] twaalf astrologische tekens; (h) [afkorting van Shina 支那 (China)]
止 shi (a) halt houden; roerloos blijven; (b) activiteit staken; stoppen; ophouden; (c) gedrag; houding
歯 shi (a) tand; (b) leeftijd
死 shi (1) dood; (2) [honkb.] uitspel; uitgetikte speler
氏 shi (1) hij; hem; [attr.] zijn; (2) [afk.] dhr.; de heer; [afk.] M.; mijnheer; [mv.;afk.] HH.; [mv.] de heren; (3) familie; geslacht; [i.h.b.] clan; (4) x heren
私 shi (1) privé; (a) privé; particulier; persoonlijk; (b) heimelijk; in het geheim
篩 shi zeef; zift; het zeven; het ziften
糸 shi (1) een tienduizendste; (2) een duizendste van een procent; (a) draad; streng; (b) draadachtig iets; (c) [muz.] snaarinstrument; snaar; (d) een tienduizendste deel; extreme geringe hoeveelheid
紙 shi (1) de krant ~ [verkorting van shinbunshi 新聞紙]; (2) ~ papier
紫 shi paars; purper; violet
至 shi (a) bereiken; aankomen; (b) opperste; (c) zonnestilstand; zonnewende; solstitium
視 shi (1) -visie; -beeld; -beschouwing; -opvatting; (a) zien; (b) observatie; (c) visie; beschouwing
詞 shi (1) woorden; tekst; gedicht; (2) [Chin.letterk.] tiáncí 填詞; (3) [Jap.spraakk.] vrijstaand woord; zaakwoord; (a) woorden; tekst; poëzie; (b) woord
試 shi (a) proberen; beproeven; een poging wagen; (b) test; examen
詩 shi (1) poëzie; dichtkunst; (2) gedicht; dichtwerk; vers; dichtstuk; [Lat.] poëma; [iron.] poëem; [lit.t.] zang; (3) Chinees gedicht; Chinese poëzie; (4) [Chin.lit.] Shījīng; Boek der Oden; Boek der Liederen; (5) [bijb.] het boek Psalmen; [in de Vulgaat] Psalmi; [afk.] Ps.; (a) gedicht; poëzie; (b) Chinese poëzie; (c) Shījīng
誌 shi (a) document; geschrift; bundel; (b) [afk.] tijdschrift; blad
資 shi (1) kapitaal; vermogen; geldmiddelen; fondsen; (2) materiaal; (3) kwaliteiten; aanleg; talent; gave; begaafdheid; capaciteit; vermogen; aard; karakter; (a) kapitaal; geldmiddelen; (b) materiaal; (c) eigenschap; aard; (d) helpen; (e) kapitalist
趾 shi (a) voet; teen; (b) overblijfsel; rest; ruïne
Tijd: 1.28 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'shi').
2005-2026
