日蘭辭典+

85 resultaten voor ‘man’
日蘭辭典 (titelwoord)
man
(万) telw. tienduizend. ¶ 萬に一つ duizend tegen een; zeer onwaarschijnlijk.
日蘭辭典 (trefwoord)
hito
zn. (1) [人類] menschdom o. (2) [個] een man m.; persoon m. & v. (3) [世人] volk o. (4) [成] volwassene m. & v. (5) [他人] een ander m.; anderen m.mv. ¶ 伊藤と言ふ een zekere Ito. ¶ de ouden. ¶ 好き好き ieder zijn smaak. ¶ 惡い iemand met onaangenaam karakter. ¶ なる een man worden; volwassen zijn. ¶ と言ふだろう wat zal men er van zeggen? wat zullen de menschen er van zeggen? ¶ 中で in het publiek. ¶ がなくて困って居る wij hebben gebrek aan volk.
ningen人間
zn. (1) [] mensch m.; menschelijk wezen o.; schepsel o. (2) [人類] menschheid v. (3) [世間] de wereld v. ¶ 人間時代 het tijdperk van de mensch. ¶ 人間以上の bovenmenschelijk. ¶ 人間らしい menschelijk. ¶ 人間にする een man maken van. ¶ 人間の menschelijk; stervelijk. ¶ 人間嫌ひ menschenhater; misanthroop. ¶ 人間世界 de menchenwereld. ¶ 人間業 menschelijk werk; menschenwerk.
otoko
zn. (1) [子] man m.; volwassen man (大人) m. (下僕) bediende m.; knecht m.; mannelijkheid (子の意氣) v. (2) [情夫] minnaar m. ¶ の mannelijk. ¶ 盛り bloei van de mannelijke kracht; kracht van het leven. ¶ になる (が) climacterische leeftijd bereiken. ¶ 今度赤ちゃんですかですか is het een jongen of een meisje? ¶ 知らず maagdelijk.
yakusoku約束
zn. belofte v.; overeenkomst v.; verbintenis v.; voorwaarde (條件) v. ¶ 約束の時間 het overeengekomen uur. ¶ 約束を守る belofte houden; woord houden. ¶ 約束を守る人 man van zijn woord. ¶ 約束する beloven; overeenkomen; zich verbinden; afspreken. ¶ 約束手形 promesse.
yarite遣手
(遣り手) zn. (1) [仕手] maker m.; dader m. (2) [與へる人] gever m.; schenker m. (3) [手腕家] bekwaam man m. (4) [妓樓の] hoerenwaardin v.
yasaotoko優男
zn. man met beschaafde manieren.
okina
zn. oude man m.
donnaどんな
vnw. wat voor?; wat voor soort?; welk soort van?; bw. hoe. ¶ どんなwaarom? ¶ どんなでも welke ook; ¶ どんなにも hoe zeer ook. ¶ どんなにしても in elk geval; hoe het ook zij; wat er ook gebeure. ¶ 彼はどんな人か wat is hij voor een man? ¶ 御商買の方は此頃どんなです hoe staat het met de zaken tegenwoordig? ¶ どんなに彼は嬉しいだらう wat zal hij blij zijn!
danna旦那
zn. (1) [主人] heer m.; meester m. (2) [良人] echtgenoot m.; man m. (3) [敬稱] mijnheer m.; meneer m. ¶ 旦那顏をする den baas spelen. ¶ 旦那取りする gemainteneerd worden.
tadashii正しい
bn. (1) [正當な] rechtvaardig; billijk. (2) [正直な] eerlijk. (3) [眞實な] waar. (4) [適當] juist. ¶ 正しい eerlijk man. ¶ 正しき語法 juist gebruik van woorden. ¶ 正しい方法 de goede manier; de ware weg. ¶ 血統の正しい van zuiver bloed.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
kanja冠者
zn. jonkman m.; jonge man m.
daijinbutsu大人物

zn. groot man m.

daijōfu大丈夫

zn. groot man m.; man van eer; man van zijn woord.

dan

zn. (1) [男子] man m. (2) [息子] zoon m. (3) [爵] baron m.

koshinuke腰拔

zn. (1) [跛] kreupelheid v.; kreupele (人) m.; (2) [隠病] lafheid v.; lafaard m.; man zonder ruggegraat; lammeling m.

kosoこそ

bw. inderdaad; juist; net. ¶ それこそ私の尋ねて居た物だ dat is net, wat ik zocht! ¶ 彼こそ適任なれ hij is juist de geschikte man voor die betrekking.

kuchikiki口利

zn. (1) [辯舌家] goed spreker m. (2) [勢力家] man van invloed m.

kuiawaseru食合せる

i.w. (1) [食物を] dingen eten, waar man niet tegen kan; voedsel eten dat iemand niet goed bekomt. (2) [楔形接目で] samenvoegen met zwaluwstaarten.

kunshi君子

zn. hoogstaand man m.; wijze m.; man van eer.

kuromaku黑幕

(黒幕) zn. (1) [幕] zwart scherm o. (2) [人] de man achter de schermen; de man, die aan de touwtjes trekt.

kyō-iku敎育

(教育) zn. opvoeding v.; onderwijs o.; beschaving v. ¶ 義務敎育 leerplicht. ¶ 工業敎育 technisch onderricht; technische opleiding. ¶ 敎育する beschaafd; wel onderwezen; wel opgevoed. ¶ 敎育ある人 man van beschaving. ¶ 敎育なき onbeschaafd. ¶ 敎育する opvoeden; opleiden; onderwijzen. ¶ 敎育學 opvoedkunde; pedagogie. ¶ 敎育法 methode van onderwijs. ¶ 敎育家 opvoedkundige; pedagoog ¶ 敎育者 opvoeder; leeraar; onderwijzer.

kyojin巨人

zn. reus m.; groot man m.

kyōkaku俠客
zenpu前夫
zennan善男

zn. vroom man m.

zennin善人

zn. braaf man m.; goed mensch m.

zen

zn. dientafeltje o.; gerecht o.; disch m. ¶ 膳に附く gaan eten; aan tafel gaan. ¶ 膳が出た het eten is opgediend. ¶ 箸一膳 een stel eetstokjes. ¶ 膳を摒る eten klaar zetten; naar een man hengelen (女が).

yūshikisha有識者

(有識者) zn. man van ontwikkeling; iemand, die goed op de hoogte is; intellectueel m.

yūryoku na有力な
yosooi

(装い) zn. toilet o.; costuum o.; aankleeding v. ¶ 男の裝をする zich als man verkleeden. ¶ 裝ふ zich voordoen als; voorwenden; doen alsof; zich verkleeden als; zich vermommen als. ¶ 無知を裝ふ doen alsof men van niets weet; zich van den domme houden.

yokorenbo橫戀慕

(横恋慕) zn. liefde voor de vrouw (den man) van een ander; ongeoorloofde liefde v.

yado宿

zn. (1) [住家] huis o.; woning v. (2) [宿屋] herberg v.; hotel o. (3) [良人] man m. ¶ 宿なき dakloos. ¶ 宿を取る logeeren; verblijven; wonen. ¶ 宿を貸す logies verleenen; een onderdak geven.

udekiki腕利

zn. bekwaam man m.

uchitsuke ni打附に
uchi

(内) zn. (1) [内部] binnenste o.; binnenkant o. (2) [家宅] huis o.; woning v. (3) [家族] familie v.; gezin o. (4) [夫] mijn man m. ¶ 内で thuis; binnenshuis; binnen. ¶ の中で onder; tusschen; in; te midden van. ¶ 内の者 mijn familie; mijn vrouw. ¶ 内に (在宅) thuis; in huis. ¶ の内に binnen. ¶ 今週の中に binnen deze week; van de week. ¶ 夜の中に gedurende de nacht. ¶ 時のたつ中に na verloop van tijd. ¶ 彈雨の中に onder een kogelregen. ¶ 近い中に eerstdaags; binnen kort. ¶ 若い中に in de jeugd; op jeugdigen leeftijd. ¶ 内ほどよい所はない oost west thuis best. ¶ 御主人はおうちですか is mijnheer thuis? ¶ 日の出ない中に vóór zonsopgang.

tsuresou連添ふ

i.w. getrouwd zijn; man en vrouw zijn.

tsureai連合

(連れ合い) zn. echtgenoot m.; man m.; echtgenoote v.; vrouw v.; echtpaar (夫婦) o.

tsuma

z. man m.; echtgenoot m.

tsūjin通人

zn. man van de wereld.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kono yoこの世
(frase) het leven; de wereld; de aarde; het leven op aarde. ¶ ああこのためにどれほど多くの悲しいことがこの世起こることであろうか! Aa, kane, kane! Kono kane no tame ni dore hodo ooku no kanashii koto ga kono yo ni okoru koto de arō ka! Ach, geld, geld! Hoe vaak zal het (wel niet) zijn dat trieste dingen in dit leven gebeuren omwille van dat geld! (tweet) ¶ この世新しいものはない。 Kono yo ni atarashii mono wa nai. Niks nieuws onder de zon. (TTC) ¶ この世で一番の幸せ者だ。 Kare wa kono yo de ichiban shiawase mono da. Hij is de gelukkigste man op aarde. (TTC) ¶ 詩人この世を男がを見つめるように見つめる。 Shijin wa kono yo wo otoko ga onna wo mitsumeru yō ni mitsumeru. Een dichter kijkt naar de wereld zoals een man naar een vrouw kijkt. (TTC)

date-otoko伊達男
(zn.) (1) trendy [smaakvolle, chique] manspersoon. (2) dandy; modegek; ijdeltuit. (3) riddelijke man (maar mogelijk oplichter). ¶ 伊達男は素足に革靴できめる! Date-otoko wa su-ashi ni kawagutsu de kimeru! Een modegek draagt leren schoenen zonder sokken! (twitter)

shi
(voegwoord) (1) [tussen twee zinsdelen] en; en ook; tevens; eveneens. ¶ が短いし、も軽いだ。 Watashi wa ki ga mijikai shi, kuchi mo karui otoko da. Ik ben een man met een kort lontje en ik heb ook een losse tong. (TTC) (2) [aan het einde van een zin, een reden markerend maar ook afzwakkend] ¶ モロッコから帰ってきてからどうも調子悪い。咳が止まらないし Morokko kara kaette kite kara, dōmo chōshi ga warui. Seki ga tomaranai shi Sinds ik terug ben gekomen van Marokko voel ik me vreselijk beroerd. Het hoesten houdt maar niet op... (twitter)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:12-14〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
この男は岡田と云う学生で、僕より一学年若いのだから、とにかくもう卒業に手が届いていた。岡田がどんな男だと云うことを説明するには、その手近な、際立った性質から語り始めなくてはならない。それは美男だと云うことである。

Kono otoko wa, Okada to iu gakusei de, boku yori ichigakunen wakai da kara, tonikaku mō sotsugyō ni te ga todoite ita. Okada ga donna otoko da to yū koto wo setsumeisuru ni wa, sono tejikana, kiwadatta seishitsu kara katawarihajimenakute wa naranai. Sore wa binan da to yū koto de aru.

Aangezien deze man, Okada geheten, in het jaar voor mij zat, zou hij in ieder geval over niet al te lange tijd kunnen afstuderen. Om uit te leggen wat voor man Okada was, moet ik beginnen met een opvallende en voor de hand liggende eigenschap van hem. Dat is dat hij een knappe man was.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <man>
やれ yare (1) hé; hei; zeg; hallo [= aanroep of uitroep om de aandacht te trekken]; (2) hè; hèhè; pfiew; pfoe; poehpoeh; blij toe; goddank; godzijdank; gelukkig; de hemel zij dank [= uiting van opluchting;vreugde]; (3) o; oh; goh; ah; ach; jee; man; sjonge; nee maar; goeie genade; lieve hemel; asjemenou; amai [= uiting van verbazing;ergernis]; (4) komaan; vooruit; kom; allee; tsa [= uiting van aansporing]
マン man (1) [comp.] MAN [= metropolitan area network]; (2) Mann; Horace [= Amerikaans onderwijshervormer;1796-1859]; (3) Mann; Heinrich [= Duits schrijver;1871-1950]; (4) Mann; Thomas [= Duits schrijver;1875-1955]; (5) Munn; Harold Warner [= Amerikaans schrijver;1903-1981]; (6) Mann; Herbie [= Amerikaans jazzmusicus;1930-2003]; (7) Mann; Michael Kenneth [= Amerikaans cineast;geb. 1943]; (8) Mann; Ami Canaan [= Amerikaans cineaste;geb. 1970]; (9) Man; (10) MAN [= Duits conglomeraat]; (11) -man
man (1) tienduizend; (2) tienduizendtal; horde; myriade; zeer groot aantal
主人 shujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
亭主 teishu (1) eigenaar; waard; (2) man; echtgenoot; (3) gastheer
jin iemand afkomstig uit ~; iemand wonend in ~; inwoner; bewoner van ~; -er; -aan; -ees; -aar; -man; -iet; -ling
nin (1) mens; persoon; ziel; sterveling; (2) [maatwoord voor personen]; (3) -er; -aar; -e; -man; -ant
人;ヒト hito (1) mens; Homo sapiens; (2) persoon; mens; ziel; sterveling; [oorspr.bijb.] mensenkind; [oneig.] man; [oneig.] vrouw; figuur; individu; type; iemand; (3) karakter; inborst; aard; persoonlijkheid; [i.h.b.] talent; (4) de mensen; hij of zij; iemand anders; de andere; men; je
shi (1) [Jap.gesch.] samoerai; Japanse ridder; (2) persoon; man; heer; (3) [bijb.] Rechters; Richteren; [in de Vulgaat] Iudices; [afk.] Re.; [afk.] Richt.; [afk.] Iud.
大所 ōdokoro (1) grote naam; invloedrijk persoon; belangrijk iemand; man; vrouw van gewicht; autoriteit; (2) invloedrijke organisatie; (3) vermogende; rijke familie
大物 ōmono (1) groot exemplaar; prachtexemplaar; kanjer; kokkerd; kokker; (2) kopstuk; zwaargewicht; belangrijk iemand; hoge ome; piet; bigshot; man; vrouw van gewicht; iemand van kaliber; leidende figuur; (3) [sportt.] sterspeler; topspeler
大統領 daitōryō (1) president; (2) [groot gelijk,] joh!; [zo mogen wij het horen,] maat!; [heel juist,] man!
otto man; echtgenoot; huwelijkspartner; levensgezel; levenspartner; wederhelft; eega
yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
tsuma (1) echtgenote; vrouw; gade; gemalin; eega; wederhelft; (2) wolfeind; driehoekig zijvlak van een Japans zadeldak (kirizuma-yane 切妻屋根) of wolfdak (irimoya-yane 入母屋屋根); (3) garneersel (bestaande uit rauwkost of zeewier); garnering; garnituur; versiering; [i.h.b.] ~ van het tweede garnituur; bijzaak [alternatieve kanji: 具]; (4) echtgenoot; man; gade; gemaal; eega; wederhelft [epistolaire term waarmee een briefschrijfster haar man aanduidt;spelling: 夫]
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
小父さん ojisan (1) [kindert.] man; vent; kerel; (2) [als aanspreekvorm (yobikake 呼びかけ)] meneer; mijnheer; u
御主人;ご主人 goshujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
愛縁;相縁;合縁 aien (1) [boeddh.] liefdesrelatie; liefdesbetrekking; minne; min; (2) hechte relatie als tussen ouder; kind; man; vrouw of leraar; discipel
旦那さん dannasan (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
旦那様 dannasama (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
楫取り kajitori (1) roerganger; stuurman; man-te-roer; [inform.] stuur; [lit.t.] palinuur; (2) het sturen; stuurmanskunst; (3) leiding; het besturen; bestuur; management
法師 hōshi (1) [boeddh.] boeddhistisch leermeester; [oneig.] goeroe; [i.h.a.] bonze; boeddhistisch priester; monnik; (2) leek in de gedaante van een geestelijke; meester; (3) jongetje; knaap; (4) -man; -figuur
man (1) volheid; volte; (2) vol jaar; (3) [~…歳] ten volle … jaar; (a) volledig gevuld raken; (b) (aantal; termijn) volmaken; (c) volstaan; voldoende zijn; tevredenstellen; (d) overvloedig; weelderig; (e) alles; integraal; (f) Mantsjoerije
kan (1) China; (2) [Chin.gesch.] Hàn [= naam van meerdere Chinese dynastieën]; (3) Han-Chinezen; (4) Melkweg; (5) streek van Hànzhōng; (6) -man; -kerel; -type; (a) Hàn-rivier; (b) Melkweg; (c) man; (d) [Chin.gesch.] Hàn-dynastie; (e) China; [i.h.b.] Han-Chinezen
男の人 otokonohito man; persoon van het mannelijke geslacht
男子 danshi (1) jongen; knaap; (2) man; [mv.;opschrift enz.] heren
男性 dansei (1) man; [biol.] mannetje; [mv.] man(s)volk; [mv.] man(s)lui; [verzameln.] sterke geslacht; (2) mannelijkheid; het man-zijn; masculiniteit; (3) [taalk.] masculinum; mannelijk genus; geslacht
otoko (1) man; persoon van het mannelijke geslacht; (2) kerel; vent; makker; baas; oude baas; oude knar; (3) volwassene; volwassen man; (4) knecht; huisknecht; dienstbode; bediende; dienaar; (5) mannelijkheid; viriliteit; manhaftigheid; flinkheid; eer; reputatie; goede naam; eergevoel; ponteneur; (6) minnaar; geliefde; vrijer; lief; beminde
dan (a) man; (b) vijfdegraads adelstitel; [i.h.b.] baronnenstand
nan (a) man; (b) zoon
老若男女 rōnyakunannyo man; vrouw; jong of oud
老齢者 rōreisha bejaarde; oudje; man; vrouw op leeftijd; [verzameln.] ouden van dagen
man (a) kruipend gewas; kruiper; klimplant; klimmer; (b) wild groeien; woekeren; kruipen; klimmen
tsū (1) kenner; expert; connaisseur; deskundige; autoriteit; sommiteit; (2) vertrouwdheid; kennis; deskundigheid; autoriteit; (3) begrip; inleving; (4) subtiel persoon; geraffineerd iemand; (5) man; vrouw van de wereld; mondain iemand; (6) het vertrouwd zijn met; het goed op de hoogte zijn van; het goed ingelicht zijn over; het goed ingevoerd zijn in; het goed thuis zijn in; het geverseerd zijn in; het doorkneed zijn in; het bedreven zijn in; het goed onderlegd zijn in; het bekend zijn met; het wegwijs zijn in; (7) x brieven; x stuks; x exemplaren [kwantor voor brieven;documenten;afschriften enz.]
(1) …ste zoon van een gezin; (a) láng [= Chinese ambtelijke titel]; (b) partner [i.h.a.] man; kerel; (c) vazal; dienaar
配偶者 haigūsha (1) echtgenoot; wederhelft; gemaal; huwelijkspartner; man; [scherts.;deftig] eega; [scherts.;deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos; (2) echtgenote; wederhelft; betere helft; gemalin; huwelijkspartner; vrouw; [scherts.;deftig] eega; [scherts.;deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos
野郎 yarō (1) [min.] lul; zak; klootzak; idioot; klier; hufter; schoft; schurk; smeerlap; [Belg.N.] crapuul; rotvent; rotzak; ploert; (2) man; kerel; vent; makker; maat; (3) jongeman met kaalgeschoren voorschedel; [i.h.b.] kabuki-acteur met kaalgeschoren voorschedel; (4) kaalgeschoren voorschedel; maantje; (5) schandknaap
金玉 kintama (1) gouden juweel; gouden bol; (2) [inform.] bal; ballen; [vulg.] kloot; kloten; [gew.;vulg.] schaal; schalen; (3) man; kerel; gast; knul; (4) Japanse kumquat; Fortunella japonica
man [dierk.] paling; aal
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.47 sec. jiten.nl: 45 treffers, warandict: 40 treffers (zoekopdracht: 'man'). 
2005-2026