RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <man>
やれ yare (1) hé; hei; zeg; hallo [= aanroep of uitroep om de aandacht te trekken]; (2) hè; hèhè; pfiew; pfoe; poehpoeh; blij toe; goddank; godzijdank; gelukkig; de hemel zij dank [= uiting van opluchting;vreugde]; (3) o; oh; goh; ah; ach; jee; man; sjonge; nee maar; goeie genade; lieve hemel; asjemenou; amai [= uiting van verbazing;ergernis]; (4) komaan; vooruit; kom; allee; tsa [= uiting van aansporing]
マン man (1) [comp.] MAN [= metropolitan area network]; (2) Mann; Horace [= Amerikaans onderwijshervormer;1796-1859]; (3) Mann; Heinrich [= Duits schrijver;1871-1950]; (4) Mann; Thomas [= Duits schrijver;1875-1955]; (5) Munn; Harold Warner [= Amerikaans schrijver;1903-1981]; (6) Mann; Herbie [= Amerikaans jazzmusicus;1930-2003]; (7) Mann; Michael Kenneth [= Amerikaans cineast;geb. 1943]; (8) Mann; Ami Canaan [= Amerikaans cineaste;geb. 1970]; (9) Man; (10) MAN [= Duits conglomeraat]; (11) -man
万 man (1) tienduizend; (2) tienduizendtal; horde; myriade; zeer groot aantal
主人 shujin (1) heer (des huizes); huisheer; pater familias; gezinshoofd; (2) baas; meester; mijnheer; meneer; [m.b.t. zaak] patroon; chef; principaal; [i.h.b.] waard; [i.h.b.] hospes; (3) echtgenoot; man; (4) gastheer
亭主 teishu (1) eigenaar; waard; (2) man; echtgenoot; (3) gastheer
人 jin iemand afkomstig uit ~; iemand wonend in ~; inwoner; bewoner van ~; -er; -aan; -ees; -aar; -man; -iet; -ling
人 nin (1) mens; persoon; ziel; sterveling; (2) [maatwoord voor personen]; (3) -er; -aar; -e; -man; -ant
人;ヒト hito (1) mens; Homo sapiens; (2) persoon; mens; ziel; sterveling; [oorspr.bijb.] mensenkind; [oneig.] man; [oneig.] vrouw; figuur; individu; type; iemand; (3) karakter; inborst; aard; persoonlijkheid; [i.h.b.] talent; (4) de mensen; hij of zij; iemand anders; de andere; men; je
士 shi (1) [Jap.gesch.] samoerai; Japanse ridder; (2) persoon; man; heer; (3) [bijb.] Rechters; Richteren; [in de Vulgaat] Iudices; [afk.] Re.; [afk.] Richt.; [afk.] Iud.
大所 ōdokoro (1) grote naam; invloedrijk persoon; belangrijk iemand; man; vrouw van gewicht; autoriteit; (2) invloedrijke organisatie; (3) vermogende; rijke familie
大物 ōmono (1) groot exemplaar; prachtexemplaar; kanjer; kokkerd; kokker; (2) kopstuk; zwaargewicht; belangrijk iemand; hoge ome; piet; bigshot; man; vrouw van gewicht; iemand van kaliber; leidende figuur; (3) [sportt.] sterspeler; topspeler
大統領 daitōryō (1) president; (2) [groot gelijk,] joh!; [zo mogen wij het horen,] maat!; [heel juist,] man!
夫 otto man; echtgenoot; huwelijkspartner; levensgezel; levenspartner; wederhelft; eega
奴 yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
妻 tsuma (1) echtgenote; vrouw; gade; gemalin; eega; wederhelft; (2) wolfeind; driehoekig zijvlak van een Japans zadeldak (kirizuma-yane 切妻屋根) of wolfdak (irimoya-yane 入母屋屋根); (3) garneersel (bestaande uit rauwkost of zeewier); garnering; garnituur; versiering; [i.h.b.] ~ van het tweede garnituur; bijzaak [alternatieve kanji: 具]; (4) echtgenoot; man; gade; gemaal; eega; wederhelft [epistolaire term waarmee een briefschrijfster haar man aanduidt;spelling: 夫]
子 shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
小父さん ojisan (1) [kindert.] man; vent; kerel; (2) [als aanspreekvorm (yobikake 呼びかけ)] meneer; mijnheer; u
御主人;ご主人 goshujin (1) echtgenoot; man; huwelijkspartner; (2) gezinshoofd; het hoofd van een huishouden; huisvader; pater familias ; (3) gastheer; gastvrouw; heer des huizes; vrouw des huizes; (4) werkgever; persoon die werkkrachten in dienst heeft; baas; chef; meerdere; (5) uitbater; eigenaar; winkelier; winkelhouder; hotelhouder; waard; kastelein
愛縁;相縁;合縁 aien (1) [boeddh.] liefdesrelatie; liefdesbetrekking; minne; min; (2) hechte relatie als tussen ouder; kind; man; vrouw of leraar; discipel
旦那さん dannasan (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
旦那様 dannasama (1) meester; heer; baas; mijnheer; meneer; (2) echtgenoot; man; (3) mainteneur; beschermheer; patroon; (4) mijnheer; meneer
楫取り kajitori (1) roerganger; stuurman; man-te-roer; [inform.] stuur; [lit.t.] palinuur; (2) het sturen; stuurmanskunst; (3) leiding; het besturen; bestuur; management
法師 hōshi (1) [boeddh.] boeddhistisch leermeester; [oneig.] goeroe; [i.h.a.] bonze; boeddhistisch priester; monnik; (2) leek in de gedaante van een geestelijke; meester; (3) jongetje; knaap; (4) -man; -figuur
満 man (1) volheid; volte; (2) vol jaar; (3) [~…歳] ten volle … jaar; (a) volledig gevuld raken; (b) (aantal; termijn) volmaken; (c) volstaan; voldoende zijn; tevredenstellen; (d) overvloedig; weelderig; (e) alles; integraal; (f) Mantsjoerije
漢 kan (1) China; (2) [Chin.gesch.] Hàn [= naam van meerdere Chinese dynastieën]; (3) Han-Chinezen; (4) Melkweg; (5) streek van Hànzhōng; (6) -man; -kerel; -type; (a) Hàn-rivier; (b) Melkweg; (c) man; (d) [Chin.gesch.] Hàn-dynastie; (e) China; [i.h.b.] Han-Chinezen
男の人 otokonohito man; persoon van het mannelijke geslacht
男子 danshi (1) jongen; knaap; (2) man; [mv.;opschrift enz.] heren
男性 dansei (1) man; [biol.] mannetje; [mv.] man(s)volk; [mv.] man(s)lui; [verzameln.] sterke geslacht; (2) mannelijkheid; het man-zijn; masculiniteit; (3) [taalk.] masculinum; mannelijk genus; geslacht
男 otoko (1) man; persoon van het mannelijke geslacht; (2) kerel; vent; makker; baas; oude baas; oude knar; (3) volwassene; volwassen man; (4) knecht; huisknecht; dienstbode; bediende; dienaar; (5) mannelijkheid; viriliteit; manhaftigheid; flinkheid; eer; reputatie; goede naam; eergevoel; ponteneur; (6) minnaar; geliefde; vrijer; lief; beminde
男 dan (a) man; (b) vijfdegraads adelstitel; [i.h.b.] baronnenstand
男 nan (a) man; (b) zoon
老若男女 rōnyakunannyo man; vrouw; jong of oud
老齢者 rōreisha bejaarde; oudje; man; vrouw op leeftijd; [verzameln.] ouden van dagen
蔓 man (a) kruipend gewas; kruiper; klimplant; klimmer; (b) wild groeien; woekeren; kruipen; klimmen
通 tsū (1) kenner; expert; connaisseur; deskundige; autoriteit; sommiteit; (2) vertrouwdheid; kennis; deskundigheid; autoriteit; (3) begrip; inleving; (4) subtiel persoon; geraffineerd iemand; (5) man; vrouw van de wereld; mondain iemand; (6) het vertrouwd zijn met; het goed op de hoogte zijn van; het goed ingelicht zijn over; het goed ingevoerd zijn in; het goed thuis zijn in; het geverseerd zijn in; het doorkneed zijn in; het bedreven zijn in; het goed onderlegd zijn in; het bekend zijn met; het wegwijs zijn in; (7) x brieven; x stuks; x exemplaren [kwantor voor brieven;documenten;afschriften enz.]
郎 rō (1) …ste zoon van een gezin; (a) láng [= Chinese ambtelijke titel]; (b) partner [i.h.a.] man; kerel; (c) vazal; dienaar
配偶者 haigūsha (1) echtgenoot; wederhelft; gemaal; huwelijkspartner; man; [scherts.;deftig] eega; [scherts.;deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos; (2) echtgenote; wederhelft; betere helft; gemalin; huwelijkspartner; vrouw; [scherts.;deftig] eega; [scherts.;deftig] eegade; [arch.] gade; [gew.] soos
野郎 yarō (1) [min.] lul; zak; klootzak; idioot; klier; hufter; schoft; schurk; smeerlap; [Belg.N.] crapuul; rotvent; rotzak; ploert; (2) man; kerel; vent; makker; maat; (3) jongeman met kaalgeschoren voorschedel; [i.h.b.] kabuki-acteur met kaalgeschoren voorschedel; (4) kaalgeschoren voorschedel; maantje; (5) schandknaap
金玉 kintama (1) gouden juweel; gouden bol; (2) [inform.] bal; ballen; [vulg.] kloot; kloten; [gew.;vulg.] schaal; schalen; (3) man; kerel; gast; knul; (4) Japanse kumquat; Fortunella japonica
鰻 man [dierk.] paling; aal