日蘭辭典+

40 resultaten voor ‘opening’
日蘭辭典 (trefwoord)
ana
zn. (1) [孔] gat o.; opening. (2) [針の] oog v. (3) [氣孔] porie v. (4) [巢] hol o.; leger o. (5) [洞穴] grot v. (6) [坑] put v. (7) [間隙] reet v.; spleet v. ¶ あける een gat boren; een gat graven; een kuil graven. ¶ を埋める een kuil dichtgooien. ¶ 缺損填補 een gat stoppen. ¶ にも入りたい in (又は door) den grond zinken van schaamte.
kuchi
zn. (1) [] mond m. (2) [言語] taal v. ; woord v. (3) [味感] smaak m. (4) [入] deur v.; ingang m. (5) [吸] mondstuk o. (6) [] opening v.; gat o. (7) [空位] vacature v.; vacante plaats v.; betrekking v. (8) [人數] aantal personen m. (9) [割前] aandeel o.; portie v.; (10) [部類] soort v.; artikel o.; merk o. ¶ 開く den mond opendoen. ¶ をきく spreken met. ¶ 出す zich mengen in; zich bemoeien met. ¶ がすべる zich verspreken. ¶ 惡い gemeene taal uitslaan. ¶ と腹とは違ふ niet meenen wat men zegt. ¶ 合ふ naar den smaak zijn. ¶ を探す een baantje zoeken. ¶ 此のは品切れになりました dit artikel is uitverkocht; deze soort hebben wij niet meer. ¶ にて mondeling.
kakidashi書出
(書き出し) zn. (1) [冒頭] eerste paragraaf van een opstel. (2) [告示] opmerking v. (3) [勘定書] rekening v. ¶ 書出しを下さい mag ik mijn rekening hebben?
makuaki幕開
(幕開き) zn. begin der voorstelling.
kaigyō開業

zn. opening van een zaak; begin van een bedrijf. ¶ 開業する zaak openen; bedrijf beginnen.

kuchikiri口切

zn. (1) [著手] begin o.; opening v. (2) [鑵切] blik-opener. ¶ 口切をやる een zaak op het tapijt brengen.

kugeki空隙

zn. opening v.; reet v.; spleet v.

yoritsuki寄附

zn. begin o.; opening v. ¶ 寄附く naderkomen; naderen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opening>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
オープニング oopuningu opening; start; lancering
冒頭 boutou begin; opening; aanhef
切り口 kirikuchi (1) snijvlak; (2) snede; snee; opening; insnijding; keep; kerf; (3) inkeping; (4) insteek; benadering; perspectief; (5) houwtechniek; (6) [wisk.] doorsnede; (7) [Jap.herald.] gestileerde doorsnede van een nashi; (8) [dierk.] kirikuchi-zalmforel
kuchi (1) mond; muil; bek; [inform.] bakkes; (2) taal; spraak; woord; (3) smaak; smaakzin; (4) persoon ten laste; mond die gevoed moet worden; (5) openstaande betrekking; vacature; vacante plaats; (6) betrekking; dienstbetrekking; baan; job; aanstelling; (7) mondstuk (van een muziekinstrument); (8) kurk; stop (van een fles); (9) opening; gat; fuit; (10) route; bergpad; riviermonding; estuarium; natuurlijke haven; (11) deur; poort; ingang; uitgang; (12) soort; artikel; merk; (13) begin; (14) gerucht; praatje; verhaal dat de ronde doet; (15) aandeel; actie; effect; portie; (16) opening van een zweer
始まり hajimari (1) begin; aanvang; start; opening; [i.h.b.] aanhef; (2) begin; oorsprong; origine; aanzet
始め;初め;始;初 hajime (1) begin; oorsprong; origine; eerste; (2) begin; aanvang; start; opening; [i.h.b.] aanhef; (3) ~ inbegrepen; ~ en anderen; [iedereen;allen enz.] te beginnen met ~
差し入れ口 sashiireguchi opening; sleuf; gleuf
jo (1) orde; schikking; voorrang; (2) voorwoord; woord vooraf; inleiding; voorbericht; prolegomena; intro; (3) begin; start; opening; aanvang; beginstadium; aanvangsstadium; voorstadium; (4) [Jap.stijll.] jokotoba; (5) [nō-toneel] introductie; [theat.] voorstukje; lever de rideau; (6) afscheidsrede; (a) orde; schikking; (b) begin; start; (c) voorwoord
序盤 joban (1) [go;shōgi] beginspel; opening; openingszetten; (2) beginfase; beginstadium; aanvangsstadium
打開 dakai doorbraak; opening; wending; oplossing
明き;明 aki opening
itoma (1) vrije tijd; (2) vrijaf; vakantie; verlof; (3) ontslag; uitdiensttreding; ontheffing; (4) afscheid; vertrek; vaarwel; (5) scheiding; (6) kier; opening; (7) rouwretraite
皮切り kawakiri (1) begin; start; opening; (2) eerst aangestoken moksa-propje
目;眼 me (1) oog; doppen; kijkers; [kindert.] piepers; kijkerd; gaten; glimmers; [gew.;vulg.] keut; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; (2) het zien; gezicht; gezichtsvermogen; zicht; gezichtsveld; vizier; blik; oogopslag; kijk; optiek; gezichtspunt; oogpunt; zienswijze; inzicht; zorg; (3) aanzicht; aanblik; (4) ervaring; (5) opening; tussenruimte; (6) maatstreep; maat; (7) volume; inhoud; (8) foei; (9) -ste; -de [ordinaal suffix]; (10) [achtervoegsel dat een grens of raakvlak tussen twee zaken;toestanden e.d. markeert;het wordt aangesloten op de ren'yōkei van werkwoordsvormen]; (11) -ig [aangesloten op de stam van adjectieven of op de ren'yōkei van werkwoorden;drukt een mate;eigenschap of tendens uit die neigt naar het genoemde]
ana (1) gat; opening; holte; spleet; bres; perforatie; porie; [針の] oog; (2) holte; kuil; put; uitholling; (3) hol; grot; spelonk; nis; [dierk.] leger; kuil; burcht; (4) [mijnb.] schacht; (5) [fin.] put; verlies; deficit; tekort; derving; (6) leemte; hiaat; lacune; gebrek; gemis; defect; euvel; onvolkomenheid; het ontbrekende; mankement; tekortkoming; zwak punt; zwakke plek; (7) schuilplaats; stek; stekkie; wijkplaats; (8) aanrader voor insiders; weinig bekende toplocatie; verborgen parel; (9) [paardenrennen;keirin] verrassende uitslag; (10) [paardenrennen;keirin] dark horse; outsider; niet-favoriete mededinger; (11) [ton.] zitplaatsen gelijkvloers; parterre; (12) graf; (13) [Edo-Barg.] inside-information
空き aki (1) opening; ruimte; tussenruimte; interval; gat; lege plek; onbezette stoel; leegte; leemte; (2) vacature; vacante plaats; openstaande betrekking; [Belg.N.] te begeven betrekking; (3) vrijaf; vakantie; (4) beschikbaarheid
空き間 akima (1) kier; opening; gat; tussenruimte; (2) vrije kamer; leegstaande kamer
笑み emi (1) glimlach; smile; (2) opening; barsting (van bloemknoppen); (3) groef aan weerszijden van het borststuk van een Japanse stijgbeugel
kai (a) het openen; opening; (b) ontginnen; (c) beschaven; (d) beginnen; (e) [wisk.] worteltrekken
開き hiraki (1) opening; het openen; het opengaan; (2) deur; poortje; (3) [cul.] opengesneden; gedroogde vis; (4) verklaring; uitleg; opheldering; toelichting; (5) bevrijding; verlossing; verlichting; (6) herleving; herstel; (7) ontwijkende beweging; motiliteit; (8) [plantk.] bloei; het uitkomen; (9) [euf.] einde; beëindiging; afsluiting; sluiting; het opbreken; het uit elkaar gaan; opheffing; besluit; (10) verschil; gat; discrepantie; kloof; (11) [scheepv.] het loeven; het overstag gaan; (12) [no-theat.] hiraki-figuur [dansfiguur waarbij de uitvoerder twee of drie passen achteruitzet en daarbij beide armen naar voren brengt en openspreidt]; (13) [muz.] topgedeelte van een shamisen-plectrum dat de snaren aantokkelt; (14) [foto.] lensopening; apertuur
開口 akuchi [足袋;脛当て;沓の] opening
開口 kaikou (1) opening; beginfrase; aanhef; exordium; introductie; inleiding; binnenkomer; (2) [anat.] apertuur
開園 kaien [動物園;植物園;遊園地;幼稚園の] opening
開場 kaijou opening
開幕 kaimaku (1) [ton.] het opgaan van het doek; (2) start; begin; opening
開所 kaisho opening; inwijding van een kantoor; instelling; centrum enz.
開拓 kaitaku ontginning; ontwikkeling; cultivering; het in cultuur brengen; ontsluiting; openlegging; opening; [veroud.] aanbouw; [fig.] aanboring
開放 kaihou opening; het openzetten van iets
開示 kaiji openbaarmaking; bekendmaking; opening; het vrijgeven; vrijgave; overlegging; [jur.] terinzagelegging
開設 kaisetsu oprichting; vestiging; opening; installatie
隙間;透き間 sukima opening; gat; spleet; kier; reet; fissuur; nauwe tussenruimte; spelinkje
隙;透き;透 suki (1) gat; opening; spleet; kier; speling; wat plaats; wat ruimte; plaatsruimte; (2) gaatje; vrij ogenblikje; (3) buitenkans(je); onbewaakt; geschikt; kwetsbaar ogenblik; gelegenheid; kans; opportuniteit
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.7 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'opening'). 
2005-2026