RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <plaats>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ゆとり yutori (1) ruimte; plaats; gelegenheid; [fig.] speelruimte; speling; vrije tijd; (2) financiële ruimte; marge; manoeuvreerruimte; bewegingsruimte; bewegingsvrijheid; armslag; (3) experimenteerruimte
スペース supeesu (1) plaats; ruimte; (2) [drukk.] spatie; tussenruimte; (3) ruimte; heelal
スポット supotto (1) [radio;tv] spot; spotje; (2) plek; plaats; (3) spotlight; schijnwerpers; [fig.] belangstelling; (4) [biljart] acquit
一節 issetsu (1) passage; passus; fragment; paragraaf; plaats; greep; (2) alinea; (3) strofe; couplet; stanza; (4) [bijb.] vers; (5) lettergreep; woorddeel; syllabe
位置 ichi (1) positie; ligging; plaats; situatie; context; (2) maatschappelijke positie; stand; rang; status; (3) positie; betrekking
位 kurai (1) rang; stand; klasse; (2) graad; maat; mate; (3) waardigheid; (4) positie; plaats; ligging; (5) troon; kroon; het koningschap; (6) (in een getal) cijfer; (7) […~] [partikel dat een hoeveelheid;mate bij benadering uitdrukt] ongeveer; circa; om en bij; omtrent; bij benadering; […~] hoeveel?; hoe lang?; hoeveel tijd?; (8) […~] [partikel dat een referentiepunt bij benadering uitdrukt] bijna; nagenoeg; haast; bijkans; zo … als; even … als; in die mate; genoeg om te …; (9) […~なら] [partikel dat een extreem voorbeeld geeft;of het belang van een voorbeeld nuanceert;overdrijft] tenminste; eerder … dan; liever … dan
余地 yochi ruimte; plaats
個所;箇所 kasho plek; plaats; punt
僻地 hekichi afgelegen gebied; plaats; verlaten streek; buitenplaats; uithoek; ergens ver weg; periferie; [fig.] rimboe
処 sho (a) zich bevinden; zijn; (b) thuisblijven; wegblijven uit het openbare leven; (c) zaken correct afhandelen; (d) plaats; plek
分 bun (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; (9) portie; dosis; hoeveelheid; (10) hoedanigheid; (11) -gehalte; (12) -tijd; (13) tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (14) [oude lengtemaat] 0,1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; (a) verdeling; opdeling; scheiding; (b) verduidelijking; (c) aftakking; apart deel; (d) bestanddeel; element; (e) tijdsgewricht; (f) attributie; plicht; (g) kwalificatie; hoedanigheid; positie; (h) staat; toestand; mate
園 sono (1) tuin; gaard; gaarde; [Belg.N.] hof; (2) plek; plaats
土地 tochi (1) grond; land; aarde; [vaderlandse enz.] bodem; (2) terrein; domein; stuk land; lap grond; [pregn.] lap; [pregn.] perceel; [lit.t.] landouw; (3) plaats; gebied; gewest; streek; regio; buurt; (4) territorium; domein; grondgebied
土 do (1) grond; bodem; aarde; (2) terrein; gebied; domein; land; territorium; streek; plaats; (3) tǔ [= 3e fase binnen de wǔxíng 五行]]; (4) zaterdag; [afk.] za.; (5) provincie Tosa; (6) Turkije; (a) grond; aarde; (b) land; gebied; streek; (c) tǔ; (d) Saturnus; (e) provincie Tosa
地位 chii status; stand; rang; positie; plaats; standing; stelling
地点 chiten punt; plaats; plek
地理 chiri (1) topografische situatie; bijzonderheden van een landstreek; plaats; buurt; omgeving; (2) aardrijkskunde; geografie
地 ji (1) grond; aarde; bodem; (2) streek; land; (3) basis; fundering; grondslag; (4) natuurlijke huid; (5) ondergrond; grondlaag; fond; veld; (6) stof; weefsel; textiel; (7) aard; karakter; (8) grondtekst; (9) werkelijkheid; realiteit; feit; (10) [go] ingenomen gebied; (11) muzikale begeleiding bij Japanse dans; (12) [Jap.muz.] motief; (13) [shamisen-muz.] grondtoon; (14) [nō-theater] koorgezang; koorzang; koorlied; koorstuk; (15) jiai-recitatie [= intonering onder shamisen-begeleiding]; (a) grond; aarde; land; (b) streek; plaats; (c) [boeddh.] bhūmi [= stadium binnen iems. religieuze ontwikkeling]; (d) grondstof; onbewerkt materiaal; (e) aard; karakter; natuur
地 chi (1) aarde; bodem; land; grond; gebied; terrein; (2) plek; plaats; (3) [m.b.t. boek;bladzijde] voet
場所 basho (1) plaats; plek; oord; lokaliteit; het waar; (2) plaats; ligging; lokatie; situering; zetel; haard; [fig.] toneel; (3) plaats; ruimte; [i.h.b.] zitplaats; (4) sumō-toernooi; één van de kampioenschappen in het sumō; basho
場 jou -terrein; -veld; -plaats; -ruimte; -perk; -stadium; [i.h.b.] -baan; [i.h.b.] -droom; [i.h.b.] -piste; [m.b.t. golf] -links
場 ba (1) plek; plaats; [i.h.b.] zitplaats; (2) ruimte; plaats; (3) omstandigheden; gelegenheid; (4) [ton.;film] scène; (5) beursvloer; beurssessie; effectenhandel; effectenmarkt; (6) veld; terrein
境 kyou (1) plaats; streek; gebied; (2) gemoedstoestand; stemming; staat; (3) omgeving; situatie; (4) [boeddh.] viṣaya [= cognitief object]; vastu [= ding]; (a) grens; (b) gebied; terrein; domein; (c) situatie; toestand; (d) [boeddh.] viṣaya; gebied van de zintuigen
局所 kyokusho (1) deel; plaats; (2) [geneesk.] aangetast deel; zieke plek; (3) [anat.] schaamstreek; schaamdelen; geslachtsdelen
局部 kyokubu (1) deel; plaats; (2) geslachtsdelen; genitaliën; edele delen
席 seki (1) zitplaats; plaats; zitgelegenheid; zitje; zetel; gestoelte; (2) locatie; gelegenheid; [i.h.b.] bijeenkomst; (3) positie; betrekking; post; functie; (4) variététheater; (5) rieten mat; bamboemat; (6) [maatwoord voor zitplaatsen;plaatsen]
座席 zaseki plaats; zitplaats; zitje; bank
弱点 jakuten zwakke plek; plaats; zwak; teer punt; zwak; achilleshiel; zwakheid; kwetsbare plaats; zijde; gevoelige; pijnlijke; zere plek; gebrek; tekortkoming
所;処 tokoro (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い;強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid; (9) [maatwoord voor plekken;stuks e.d.]; (10) [maatwoord voor godheden;edellieden e.d.]; (11) [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (12) een kwestie van …; in de orde van …; (13) dat wat …; datgene wat …; (14) waaraan; waarover; (15) toen …; wanneer …
所 toko (1) plaats; plek; (2) huis; thuis; (3) familie; afkomst; (4) moment; (5) geval; (6) […がとこ] ten bedrage van
文章 bunshou (1) zin; passage; locus; plaats; tekst; (2) opstel; artikel; schriftstuk; geschrift; [i.h.b.] stijl
某 bou (1) zeker iemand; dinges; die en die; zekere plaats; zeker tijdstip; x [= onbekende;geanonimiseerde persoon;plaats of datum]; (2) [♂;hum.] ik; (a) x; onvernoemde persoon; plaats; datum
椅子 isu (1) stoel; zetel; divan; (2) plaats; vacature; openstaande betrekking; (3) [大臣の~] portefeuille
欄 ran (1) rubriek; kolom; -berichten; kroniek; (2) vakje; hokje; plaats; ruimte; veld
番手 bante (1) garennummer; (2) slotwachter; kasteelbewaker; schildwacht; (3) rotatie; toerbeurt; wisselbeurt; (4) [sportt.] positie; plaats; (5) [mil.] linie
番 ban (1) volgorde; rangorde; orde; plaatsing (in een volgorde); plaats; (2) beurt; speelbeurt; (3) nummer; nr.; (4) wacht; het waken; het oppassen; bewaking; hoede; uitkijk; waak; [arch.] wake; (5) dienst; werkbeurt; (6) wacht; bewaker; hoeder; wachter; oppasser; (7) partij; spel; wedstrijd; rondje; potje
短 tan (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]; (4) kort; kortstondig
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
空間 kuukan (1) ruimte; plaats; (2) [maatwoord voor ruimtes]
立場 tachiba (1) positie; situatie; plaats; stelling; hoedanigheid; [fig.] iems. schoenen; [対等の] voet; [苦しい~] parket; (2) standpunt; stellingname; houding; opstelling; opvatting; [oneig.] gezichtspunt; [oneig.] oogpunt; [fig.] hoek
節 fushi (1) [plantk.] knoop; nodus; [i.h.b.] stengelknoop; knorf; kwast; knoest; war; noest; kwar; knobbel; gewricht; gewrichtsknobbel; geleding; kneukel; knokkel; knokel; kluwen; knot; knoedel; (2) punt; plek; plaats; passage; locus; (3) moment; gewichtige gebeurtenis; tijdsgewricht; overgangspunt; sluitstuk; (4) [muz.] melodie; toon; noot; [muz.] passage; (5) intonatie; klemtoon; accent; (6) gedroogde bonito (Katsuwonus pelamis); (7) [maatwoord voor knopen;kneukels]
船位 seni [scheepv.] bestek; plaats; positie van een schip; scheepspositie
辺地 henji (1) [boeddh.] plaats waar Amida-sceptici herboren worden; (2) [vanuit China's of India's standpunt] Japan; (3) uithoek; afgelegen oord; plaats; streek; buitenplaats; buitengewest; buitenpost; boerengat; negorij; negerij
辺地 henchi (1) uithoek; afgelegen oord; plaats; streek; buitenplaats; buitengewest; buitenpost; boerengat; negorij; negerij; (2) [boeddh.] plaats waar Amida-sceptici herboren worden; (3) [vanuit China's of India's standpunt] Japan
郷 kyou (1) heimat; geboortestreek; vaderland; (a) platteland; (b) heimat; geboortestreek; vaderland; (c) plaats; oord
郷 gou (1) platteland; dorp; (2) [ritsuryō] gemeente; (3) [ritsuryō] ± kanton; (4) Gō; (a) dorp; (b) thuisdorp; geboortestreek; (c) plaats; plek; oord
間 ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing