日蘭辭典+

64 resultaten voor ‘betrekking’
日蘭辭典 (trefwoord)
aidagara間柄
ichi位置
zn. (1) [所在] plaats v.; ligging v.; situatie v. (2) [身分] stand m.; rang m. (3) [] positie v.; betrekking v. ¶ 僕の位置に立てばどうするか wat zou jij in mijn plaats doen? ¶ 位置エネルギー arbeidsvermogen van plaats. ¶ 店の位置は上等だ de winkel is zeergunstig gelegen.
tsuite就いて
(ついて) vz. (1) [關して] met betrekking tot; aangaande; wat betreft; omtrent; van; over; voor. (2) [每に] per. (3) [沿って] langs. (4) [共に] met. ¶ 是に就いて wat dit betreft; hieromtrent. ¶ 一斤について五十 vijftig sen per kin. ¶ について行く langs de rivier loopen; de rivier volgen. ¶ 兄について行く met zijn broer meegaan.
zagyō坐業
zn. zittend werk o.; zittende betrekking.
zaieki在役
zn. actieve dienst m. ¶ 在役中 in actieven dienst. ¶ 在役する in actieven dienst zijn; dienst doen; dwangarbeid verrichten (罪人が).
zaikan在官
zn. ambtstijd m.; bekleeding van een betrekking; ¶ 在官する ambt bekleeden; in functie zijn.
meshi
(1) [米飯] gekookte rijst v.; nassi (馬來語) v. (2) [食物] voedsel o.(3) [食事] maaltijd m.; maal o. ¶ 食の betrekking; broodwinning. ¶ 食のを無くして broodeloos.
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
shokugyō職業
zn. beroep o.; bedrijf o.; werk o.; vak o.; kostwinning v.; (俗) baantje o.; ¶ 職業紹介所 arbeidsbureau; arbeidsbeurs. ¶ 自由職業 vrij beroep.
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
kuchi
zn. (1) [] mond m. (2) [言語] taal v. ; woord v. (3) [味感] smaak m. (4) [入] deur v.; ingang m. (5) [吸] mondstuk o. (6) [] opening v.; gat o. (7) [空位] vacature v.; vacante plaats v.; betrekking v. (8) [人數] aantal personen m. (9) [割前] aandeel o.; portie v.; (10) [部類] soort v.; artikel o.; merk o. ¶ 開く den mond opendoen. ¶ をきく spreken met. ¶ 出す zich mengen in; zich bemoeien met. ¶ がすべる zich verspreken. ¶ 惡い gemeene taal uitslaan. ¶ と腹とは違ふ niet meenen wat men zegt. ¶ 合ふ naar den smaak zijn. ¶ を探す een baantje zoeken. ¶ 此のは品切れになりました dit artikel is uitverkocht; deze soort hebben wij niet meer. ¶ にて mondeling.
kan-suru關する
(関する) i.w. (1) [關係する] verband houden met; in betrekking staan tot; t.w. aangaan; betreffen. i.w. (2) [影響] van invloed zijn op. (3) [干涉]する] zich bemoeien met.
fuchi扶持
zn. bezoldiging (給金) v.; rantsoen (食料) o. ¶ 扶持にありつく een betrekking hebben; () een baantje hebben. ¶ 扶持に離れる zijn betrekking verliezen. ¶ 扶持する in het onderhoud voorzien. ¶ 扶持金 ondersteuning; onderstand; maandgeld. ¶ 扶持米 rantsoen.
kan
zn. het gouvernement o.; regeering v.; ambt o. ¶ 官に就く ambtelijke betrekking hebben; ambtenaar zijn. ¶ 官の officieel; regeerings-.
naka

zn. verhouding v.; betrekking v. ¶ 深い intieme relatie; innige verhouding. ¶ 惡い oneenigheid hebben; kwestie hebben. ¶ よい bevriend zijn.

kosoこそ

bw. inderdaad; juist; net. ¶ それこそ私の尋ねて居た物だ dat is net, wat ik zocht! ¶ 彼こそ適任なれ hij is juist de geschikte man voor die betrekking.

zetsuen絶緣

(絶縁) zn. (1) [縁切] verbreking van relaties. (2) [電氣] isolatie v. ¶ 絶緣する betrekkingen afbreken; isoleeren. ¶ 絶緣線 geïsoleerde draad. ¶ 絶緣體 isoleerend lichaam. ¶ 絶緣物 isolator.

zennin前任

zn. vroegere betrekking v.; vorig ambt o. ¶ 前任者 ambtsvoorganger. ¶ 前任所 vorige standplaats. ¶ 前任知事 de vorige resident.

zekkō絕交

zn. verbreking van vriendschappelijke betrekkingen. ¶ 絕交する vriendschap opzeggen; met iemand breken.

zashoku坐職

zn. zittende betrekking v. ¶ 坐職する zittend leven leiden; zittende betrekking hebben.

yukari

(縁) zn. betrekking v.; relatie v.

yaku

zn. (1) [官職] ambt o.; post v.; betrekking v. (2) [職務] taak v.; ambtsplicht v.; functie v.; werkkring m. (3) [芝居の] rol v. (4) [效用] nut o. ¶ 役に立つ nuttig; bruikbaar; geschikt. ¶ 役に立てる nuttig gebruik maken van. ¶ 役に立たぬ onbruikbaar; nutteloos; het geeft niets. ¶ 役を勤める functie vervullen; rol spelen; dienst doen als; fungeeren als.

yakugara役柄

zn. ambt o.; werkkring m.; functie v.; aard der betrekking; positie v.

tsutomeguchi勤口

(勤口) zn. baantje o.; betrekking v.

tsutomesaki勤先

(勤先) zn. ambt o.; betrekking v.

tsutomeru勤める

(勤める) i.w. (1) [就職] betrekking vervullen; ambt bekleeden. (2) [努力] trachten; streven. (3) [役を演ず] rol vervullen. ¶ 宣傳に力める zich wijden aan de propaganda; ijveren voor. ¶ 現役を勤めてゐる in actieven dienst zijn. ¶ 通譯を勤める als tolk optreden; fungeeren als tolk. ¶ 努めて ijverig.

tsunagari繫がり

zn. relatie v. ¶ 繫がる op de voeten volgen (續く); (結ばる) verbonden zijn; vastzitten aan; hangen aan; (關聯する) in relatie staan met; in betrekking staan tot.

tsuite就いて

vz. (1) [關して] met betrekking tot; aangaande; wat betreft; omtrent; van; over; voor. (2) [每に] per. (3) [沿うて] langs. (4) [共に] met. ¶ 是に就いて wat dit betreft; hieromtrent. ¶ 一斤について五十錢 vijftig sen per kin. ¶ 川について行く langs de rivier loopen; de rivier volgen. ¶ 兄について行く met zijn broer meegaan.

tsūjiru通じる

i.w. (1) [通過] passeeren; voorbijgaan. (2) [精通] grondig op de hoogte zijn; t.w. kennen. i.w. (3) [了解] verstaan worden; gangbaar zijn. (4) [姦通] onzedelijke betrekkingen hebben; liaison hebben. (5) [內應] in ’t geheim in verbinding staan t.w. (6) [通過さす] laten passeeren; doorlaten. (7) [連絡] verbinden. (8) [知らす] laten weten; bekend maken. ¶ 都市には鐵道が通じてゐます de voornaamste steden zijn door spoorwegen verbonden. ¶ 蘭語に通じる goed Hollandsch kennen. ¶ 英語の通じない處はない Engelsch wordt overal verstaan. ¶ 敵に通じる in geheime relatie staan met den vijand. ¶ 女と通じる scharrelen met een vrouw. ¶ 橋を通じる door een brug verbinden; brug slaan. ¶ 電流を通じる stroom sluiten. ¶ 意志を通じる bedoeling bekend maken. ¶ 電話が通じない de telefoon geeft geen gehoor.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <betrekking>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
オーバードクター oobaadokutaa gepromoveerde zonder werk; betrekking; aanstelling
コネクション konekushon (1) connecties; invloedrijke relaties; contacten; (2) connectie; verband; betrekking; relatie; (3) drugscircuit; [i.h.b.] drugskoerier; [euf.] contactman
ポジション pojishon (1) positie; (2) betrekking; post
ポスト posuto (1) brievenbus; bus; (2) postbus; postvak; postbox; (3) post; betrekking; positie; (4) [voetb.] doelpaal; paal; (5) post-
交わり majiwari (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; (2) seks; geslachtsgemeenschap; geslachtsverkeer; vleselijke omgang; seksuele betrekkingen; seksueel contact; (3) [wisk.] doorsnede; doorsnee; intersectie
kou (1) omgang; betrekking; contact; (2) overgang; wisseling; (a) omgang; betrekking; contact; (b) elkaar kruisen; samenkomen; (c) gemengd raken; mengen; (d) wisselen; ruilen; uitwisselen; (e) leveren; (f) onderling; bij beurten
仕事 shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.;techn.] arbeid
付き合い tsukiai (1) omgang; verkeer; betrekking; contact; gemeenschap; relatie; gezelschap; vriendschap; anschluss; [i.h.b.] verkering; kennissen; kennissenkring; (2) [meegaan enz. uit] sociale beleefdheid
naka betrekking; verstandhouding; band; verhouding; [in uitdr.] voet
nin (1) opdracht; taak; missie; plicht; verantwoordelijkheid; (2) ambt; positie; betrekking; post; (a) opdragen; met een taak belasten; (b) overheidsambt; functie; (c) overlaten; laten
位置 ichi (1) positie; ligging; plaats; situatie; context; (2) maatschappelijke positie; stand; rang; status; (3) positie; betrekking
入居 nyuukyo betrekking; intrek; het gaan wonen in een huis; aanvaarding
勤め;勤 tsutome (1) Boeddhistische dienst; (2) werk; baan; dienst; betrekking; ambt; functie; werkzaamheden
kuchi (1) mond; muil; bek; [inform.] bakkes; (2) taal; spraak; woord; (3) smaak; smaakzin; (4) persoon ten laste; mond die gevoed moet worden; (5) openstaande betrekking; vacature; vacante plaats; (6) betrekking; dienstbetrekking; baan; job; aanstelling; (7) mondstuk (van een muziekinstrument); (8) kurk; stop (van een fles); (9) opening; gat; fuit; (10) route; bergpad; riviermonding; estuarium; natuurlijke haven; (11) deur; poort; ingang; uitgang; (12) soort; artikel; merk; (13) begin; (14) gerucht; praatje; verhaal dat de ronde doet; (15) aandeel; actie; effect; portie; (16) opening van een zweer
tsukasa (1) overheidsdienst; dienst; (2) overheidsdienaar; ambtenaar; (3) ambt; betrekking; post; (4) hoofdzaak; het voornaamste; (5) hoofd; chef; directeur
寄せ yose (1) verzameling; samenbrenging; (2) [go;shōgi] eindspel; laatste fase van een partij; laatste zetten; eindzetten; (3) [golf] approach; (4) aangetrokkenheid; vertrouwen; (5) zorg; hoede; toezicht; (6) band; betrekking; relatie; (7) reden; grond; (8) [tanka] geassocieerd woord; associatiewoord; (9) [kabuki] trommuziek bij de entree van een personage
seki (1) zitplaats; plaats; zitgelegenheid; zitje; zetel; gestoelte; (2) locatie; gelegenheid; [i.h.b.] bijeenkomst; (3) positie; betrekking; post; functie; (4) variététheater; (5) rieten mat; bamboemat; (6) [maatwoord voor zitplaatsen;plaatsen]
役職 yakushoku (1) betrekking; post; functie; ambt; (2) bestuursfunctie; leidinggevende functie; managementfunctie
yaku (1) plicht; taak; functie; rol; opdracht; verantwoordelijkheid; pakkie-an; (2) (openbare) betrekking; (regerings)ambt; staatsbetrekking; post; positie [bij het Rijk]; officie; officium; [in zijn] hoedanigheid [van]; portefeuille; baan; job; dienst; (3) toneelrol; rol; (4) vroondienst; corvee; herendienst; hand- en spandienst; (5) cijns; schatting; tiend; belasting; recht; (6) [m.b.t. kaartspel;mahjong] roemer; roem in het kaartspel of bij mahjong; roemkaarten of -schijven; (7) menstruatie; maandbloeding; ongesteldheid; menses; maandstonden; (8) [maatwoord voor taken;functies;(toneel)rollen]
te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [とらんぷの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
yue (1) reden; oorzaak; (2) aanzienlijke afkomst; goede komaf; (3) smaak; charme; (4) band; betrekking; relatie; (5) ongeval; ongeluk; (6) […ゆえ] door; wegens; vanwege; (7) […ゆえ] hoewel; ofschoon; schoon; terwijl
求職の申し込み kyuushokunomoushikomi sollicitatie naar een functie; betrekking
kizuna (1) band; betrekking; [fig.] keten; [fig.] kluister; [fig.] boei; (2) tui; tuier; tuiertouw; tuierketting; lijn; ketting; [鷹狩りで] langveter; veter
結び付き musubitsuki relatie; betrekking; connectie; verband; band; verbinding
en (1) kans; toevallige gebeurtenis; lot; toeval; karma; (2) band; betrekking; relatie; connectie; verwantschap; (3) verband; relatie; connectie; samenhang; (4) veranda; waranda; loggia
縁;所縁 yukari band; betrekking; relatie; connectie
繋がり;繋 tsunagari (1) verband; betrekking; relatie; binding; link; band; verhouding; connectie; verbinding; [i.h.b.] betrokkenheid; (2) verwantschap; parentage; filiatie; maagschap(sband)
gi (1) gerechtigheid; recht; rechtvaardigheid; gerechtvaardigdheid; gerechtige zaak; (2) betekenis; inhoud; zin; strekking; (3) band; betrekking; relatie; (4) aangetrouwd; behuwd-; schoon-; (5) kunst-; vals
shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
職場 shokuba (1) werkplek; [fig.] werkvloer; [i.h.b.] kantoor; (2) [meton.] werk; post; betrekking; baan; job
職業 shokugyou beroep; vak; metier; professie; betrekking; ambacht; werk; baan; job; [niet alg.] stiel; [fig.] roeping
連係 renkei verband; connectie; betrekking; link; contact; relatie
間柄 aidagara verhouding; relatie; betrekking; band; binding; verstandhouding; [fig.] voet; omgang
関わり kakawari (1) verband; relatie; betrekking; connectie; verhouding; betrokkenheid; (2) betrokkene; belanghebbende
関係 kankei (1) relatie; betrekking; verhouding; verwantschap; verband; bemoeienis; bemoeiing; (2) deelname; aandeel; (3) invloed; (4) (seksuele) relatie; omgang
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.45 sec. jiten.nl: 29 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'betrekking'). 
2005-2026