RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <smaak>
お好み okonomi [hon.] keuze; voorkeur; zin; smaak; believen
伊達 date (1) vertoon; schijn; show; praal; bluf; affectatie; (2) smaak; verfijning; stijl; elegantie; sofisticatie; sophistication; (3) zwier; branie; (4) Date; (5) stijlvol; elegant; verfijnd; chic; deftig; gedistingeerd; geraffineerd; (6) dandyachtig; fatterig
口 kuchi (1) mond; muil; bek; [inform.] bakkes; (2) taal; spraak; woord; (3) smaak; smaakzin; (4) persoon ten laste; mond die gevoed moet worden; (5) openstaande betrekking; vacature; vacante plaats; (6) betrekking; dienstbetrekking; baan; job; aanstelling; (7) mondstuk (van een muziekinstrument); (8) kurk; stop (van een fles); (9) opening; gat; fuit; (10) route; bergpad; riviermonding; estuarium; natuurlijke haven; (11) deur; poort; ingang; uitgang; (12) soort; artikel; merk; (13) begin; (14) gerucht; praatje; verhaal dat de ronde doet; (15) aandeel; actie; effect; portie; (16) opening van een zweer
味わい ajiwai (1) smaak; (2) [fig.] smaak; karakter; charme
味覚 mikaku smaakzin; smaakzintuig; smaak; gevoel van smaak
味 aji (1) smaak; (2) charme; karakter; flair; jeu; (3) ervaring; ondervinding; nagevoel; genot; (4) [beurst.] stemming; (5) [囲碁;将棋で] effect; (6) chic; fris; blits; vlot; hip; koket; (7) slim; gevat; geestig; (8) vreemd; curieus; apart; bizar; (9) [maatwoord voor smaken]
嗜好 shikō smaak; voorkeur; genoegen; meug; [Belg.N.;spreekt.] goesting
塩梅 anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
塩梅 enbai (1) zout en azijn; (2) smaak; kruiding; (3) regeling; bestuur
奥床しさ okuyukashisa (1) elegantie; élégance; bevalligheid; gratie; sierlijkheid; stijl; charme; zwier; zwierigheid; (2) verfijning; verfijndheid; smaak; raffinement
好み;好 konomi (1) smaak; persoonlijke voorkeur; voorliefde; neiging; zwakheid; (2) neiging; drang; tendens; inclinatie; geneigdheid; (3) keuze; het kiezen; optie; voorkeur; preferentie; pré; (4) hoop; verwachting; wens; verlangen; (5) mode; trend; vogue; (6) [ton.] stijl in navolging van bepaald acteur
当たり atari (1) treffer; raakschot; hit; succes; (2) [光;風の] werking; (3) [honkb.] slagprestatie; (4) gok; berekening; voorspelling; verwachtingspatroon; (5) houding; manier; inschikkelijkheid; omgang; (6) [ワインの] gevoel op de tong; smaak; (7) kneuzing (van vruchten); gekneusde plek; kneus; (8) [viss.] beet; (9) per …; (10) -vergiftiging; -aandoening; -affect
思し召し oboshimeshi (1) uw mening; idee; inzicht; opinie; gedachte; (2) uw oordeel; discretie; beschikking; (3) uw goeddunken; believen; verlangen; wens; verwachting; wil; bedoeling; (4) goedheid; vriendelijkheid; welwillendheid; gunst; (5) voorliefde; genegenheid; voorkeur; smaak; neiging; interesse
情 jō (1) gevoel; emotie; (2) menselijkheid; inleving; betrokkenheid; attentheid; mededogen; medeleven; (3) liefde; gehechtheid; affectie; genegenheid; hart; (4) lust; begeerte; (5) smaak; charme; karakter; (6) toestand; gesteldheid; situatie; (7) reden; grond
意 i (1) gevoel; gevoelen; betuiging; mening; gedachte; opinie; (2) voornemen; wil; zin; plan; [Belg.N.] gedacht; intentie; wens; (3) aandacht; attentie; zorg; behartiging; (4) voorkeur; zin; smaak; (5) zin; betekenis; bedoeling; teneur; strekking; inhoud; (6) goede gezindheid; genegenheid; (7) [boeddh.] geest; ziel
捻り hineri (1) draai; draaiing; omdraaiing; verdraaiing; verwringing; [m.b.t. biljart] effect; [m.b.t. schoonspringen] schroef; [sportt.] spin; spineffect; (2) cachet; smaak; wending; (3) snuifje
故 yue (1) reden; oorzaak; (2) aanzienlijke afkomst; goede komaf; (3) smaak; charme; (4) band; betrekking; relatie; (5) ongeval; ongeluk; (6) […ゆえ] door; wegens; vanwege; (7) […ゆえ] hoewel; ofschoon; schoon; terwijl
旨み;旨味 umami (1) smaak; (2) smaakmaker; umami; natriumglutamaat; glutamaat; ve-tsin; (3) smakelijkheid; charme; pit; aantrekkelijkheid; het boeiende ervan; (4) flair; handigheid; kunstigheid; (5) voordeel; profijt; baat; winst; iets lucratiefs; percentje
気が抜ける kiganukeru (1) zin verliezen; de moed verliezen; ontmoedigd raken; genoeg hebben van; (2) verschalen; geur; pit; smaak; kracht verliezen; verslappen; verflauwen; vervlakken; (3) versuft raken; bewustzijn verliezen
流行 ryūkō (1) mode; het in zijn; trend; smaak; (in) zwang; (in) trek; (en) train; populariteit; modeverschijnsel; rage; hype; [inform.;veroud.] snuf; [veroud.] zwier; (2) [m.b.t. een ziekte] het wijd verspreid raken; epidemiciteit
舌 shita (1) tong; [Barg.;kindert.] lap; (2) tongvormig iets; [鐘の] klepel; bengel; (3) [fig.] tong; spraak; (4) [fig.] tong; smaak; (5) [muz.] tong; riet
薫;香 kaori geur; lucht; geurigheid; parfum; luchtje; geurtje; aroma; bouquet; [lit.t.] aroom; [fig.] smaak
趣 omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
趣味 shumi (1) smaak; schoonheidszin; (2) gading; meug; [Belg.N.;spreekt.] goesting; hobby; liefhebberij; [i.h.b.] stokpaardje; [veroud.] marot; [i.h.b.] interesse; [i.h.b.] belangstelling
趣 shu (1) [boeddh.] gati; ± bestaanswereld; (a) zich begeven; (b) gedachte; zin; (c) smaak; gevoel; voorkomen; (d) [boeddh.] gati
風味 fūmi smaak; aroma
風情 fūjō (1) smaak; charme; elegantie; (2) aanblik; voorkomen; sfeer; indruk
風流 fūryū smaak; elegantie; élégance; verfijning; verfijndheid; schoonheidszin; raffinement
風雅 fūga (1) elegantie; élégance; verfijndheid; verfijning; chic; stijl; smaak; raffinement; (2) [Bashō-school] haiku-esthetiek; (3) [Chin.lit.] fēngyǎ [= wijzen en lofliederen in de Shījīng 詩経]; (4) voornaam; chic; verfijnd; stijlvol; smaakvol; elegant; fraai; gedistingeerd; geraffineerd; (5) gecultiveerd; kunstzinnig; artistiek
飲み口 nomikuchi (1) smaak; aroma; smaakindruk; (2) sakeliefhebber; (3) gelegenheid; aanleiding om een dronk uit te brengen; (4) lip van een sake-kommetje; sake-kopje; (5) manier van sake drinken; drinkstijl; (6) [キセルの] mondstuk