日蘭辭典+

14 resultaten voor ‘uittrekken’
日蘭辭典 (trefwoord)
nuku拔く
t.w. (1) [引拔く] uitrekken. i.w. [抽出] uittreksel maken. t.w. (3) [引用] aanhalen; citeeren. (4) [取除] verwijderen; uitzonderen. (5) [省略] weglaten. (6) [抽んでる] overtreffen; i.w. uitblinken; uitmunten. t.w. [攻落] veroveren; innemen. (8) [追ひ越す] inhalen. [色を脱く] verkleuren; verschieten. ¶ 空氣を拔く lucht eruit pompen. ¶ 難解の所を脱く moeilijke passages overslaan. ¶ 釘を拔く spijker uittrekken.
kugi

zn. spijker m.; nagel m. ¶ 木釘 pin; pen. ¶ 釘を打つ spijker inslaan. ¶ 釘を拔く spijker uittrekken.

kutsu

zn. schoen m.; laars (長靴) v. ¶ 靴を穿く schoenen aantrekken. ¶ 靴をぬぐ schoenen uittrekken. ¶ 深邊靴 bottines. ¶ 紐靴 veter. ¶ 編上靴 rijglaarzen. ¶ 外靴 overschoenen. ¶ 靴匠 schoenlepel. ¶ 靴屋 lees. ¶ 靴屋 schoenmaker. ¶ 靴を磨く schoenen poetsen. ¶ 靴を直す schoenen lappen. ¶ 靴一足 een paar schoenen. ¶ 靴磨 schoensmeer. ¶ 靴底 zool.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uittrekken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
取り出す toridasu (1) te voorschijn halen; eruit halen; uittrekken; eruit nemen; [i.h.b.] verwijderen; (2) uitkiezen; uitpikken; uitlichten; (3) onttrekken; extraheren
引き出す;引出す hikidasu (1) te voorschijn halen; naar buiten brengen; eruit halen; eruit trekken; uittrekken; uithalen; uitschuiven; [m.b.t. gegevens uit een databank] opvragen; [m.b.t. conclusie;les] trekken; (2) duidelijk doen uitkomen; naar voren halen; brengen; releveren; (3) [m.b.t. bankrekening] opnemen; opvragen; van de bank halen; afhalen; uit de muur trekken; [i.h.b.] pinnen; [jeugdt.] downloaden; [Barg.] flappen tappen; (4) oproepen; ontbieden; lokken; (5) [m.b.t. geld] loskrijgen; uit iem. krijgen; weten te verwerven; lospeuteren; [Barg.] pienefen; [aan geld] komen; onttrekken; ontfutselen; ontlokken; voor de dag doen komen met; doen ophoesten
引き千切る hikichigiru afrukken; afscheuren; aftrekken; uitscheuren; uitrukken; uittrekken; verscheuren; [花を] plukken
引き抜く hikinuku (1) uittrekken; uitplukken; eruit trekken; uitrukken; (2) aantrekken; overhalen; (van de concurrentie) weglokken; wegkopen; afpakken; afsnoepen; wegkapen; [i.h.b.] koppensnellen; headhunten
扱く koku (1) afristen; afrissen; aftrekken; afhalen; stropen; [葉を] ontbladeren; [稲を] hekelen; (2) oprollen; afrollen; opstropen; afstropen; (3) uittrekken; (4) slaan; ranselen; dorsen; (5) [力;技を] uitoefenen; gebruiken; aanwenden
抜き取る nukitoru (1) trekken uit; uittrekken; uitdoen; verwijderen; rooien; (2) selecteren; uitkiezen; kiezen uit; uitzoeken; uitlichten; halen uit; uithalen; uitpikken; (3) stelen; [inform.] pikken; [inform.] gappen; [inform.] jatten
抜く nuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad;ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) overslaan; (11) masturberen
抜粋する bassuisuru excerperen; selecteren (uit); uitlichten; uittrekken; extraheren; [enkele fragmenten;passages enz.] eruit halen; een uittreksel; selectie; excerpt maken (van); bloemlezen (uit); resumeren; samenvatten
datsu (1) ont-; de-; (a) uittrekken; afzetten; afwerpen; (b) verwijderen; wegnemen; (c) vergeten; bij verzuim weglaten; (d) missen; afdwalen; (e) ontkomen; vrij raken
脱ぎ捨てる nugisuteru (1) uittrekken; uitdoen; verwijderen; uitgooien; afwerpen; afgooien; uitschieten; [すりっぱを] uitschoppen; [殻を] vervellen; (2) van zich werpen; wegdoen; wegwerpen; afdanken; afleggen; terzijde leggen; aan de kant schuiven; zich ontdoen van; weggooien; wegsmijten; laten vallen; zich bevrijden van; zich losmaken van; afschudden
脱ぐ nugu uittrekken; uitdoen; [z'n hoed enz.] afnemen; afzetten; afdoen; lichten; (zich) ontdoen (van); van het lijf doen; afleggen; [het harnas] afgorden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.37 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'uittrekken'). 
2005-2026