日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘paar’
日蘭辭典 (trefwoord)
ichiryōnichi一兩日
(一両) zn. een paar dagen m.mv.; een dag of twee.
kutsu

zn. schoen m.; laars (長靴) v. ¶ 靴を穿く schoenen aantrekken. ¶ 靴をぬぐ schoenen uittrekken. ¶ 深邊靴 bottines. ¶ 紐靴 veter. ¶ 編上靴 rijglaarzen. ¶ 外靴 overschoenen. ¶ 靴匠 schoenlepel. ¶ 靴屋 lees. ¶ 靴屋 schoenmaker. ¶ 靴を磨く schoenen poetsen. ¶ 靴を直す schoenen lappen. ¶ 靴一足 een paar schoenen. ¶ 靴磨 schoensmeer. ¶ 靴底 zool.

tsui

(対) zn. paar o.; stel van twee. ¶ 對の dubbel; gepaard; een paar vormend. ¶ 對の相手 tegenhanger; andere van het paar.

tsūgai

zn. (1) [對] paar o.; stel van twee. (2) [雌雄] paar o.; koppel o. (3) [關節] lasch m.; koppeling v. ¶ 番目 plaats der lassching; lasch.

tsūgau番ふ

i.w. bij elkaar behooren; een paar vormen; (つるむ) paren met; dekken. ¶ 牝馬を番はせる een merrie laten dekken.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <paar>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
カップル kappuru paar; koppel; duo; stel; span; tweetal
コンビ konbi (1) duo; paar; tweetal; tweemansteam; (2) combinatie; (3) Kombi [= Volkswagen Type 2]; (4) Combi
ペア pea paar; tweetal; koppel; stel
ryou (1) tweetal; twee; paar; koppel; span; stel; beide; allebei; (2) ryō [oude Japanse munteenheid]; (3) [maatwoord voor zware voertuigen of rijtuigen]
二つ;2つ futatsu (1) twee; stel; paar; [Barg.] bas; (2) (ten) tweede; secundo; (3) twee jaar oud
二人 futari twee personen; tweetal; twee; beiden; beidjes; paar; stel; koppel; duo
guu (a) pop; imitatie van een mensengedaante; (b) paar; koppel; duo; (c) even getal; (d) onverwacht; toevallig
sou (1) paar; (2) evenknie; partuur; (3) [Jap.muz.] zesde noot van de chromatische toonschaal; ± G; (4) [maatwoord voor paren]; (a) twee; paar; (b) evenaren; opwegen tegen; opgewassen zijn tegen
夫妻 fusai de heer en mevrouw ~; echtpaar; paar; koppel
夫婦 fuufu echtpaar; getrouwd stel; koppel; paar; man en vrouw; echtelieden; echtgenoten
tsui paar; tweetal; koppel
番い tsugai (1) paar; stel; koppel; span; (2) groep; ploeg; troep; ensemble; team; toom; (3) partner; wederhelft; (4) ploegendienst; shift; (5) verbinding; verbindingsstuk; voeg; (6) gewricht; geleding; scharnier; (7) moment; gelegenheid; (8) [maatwoord voor groepen;ploegen]
kumi (1) klas (in een school); (2) gezelschap; groep; ploeg; team; bende; (3) set; paar; pak; assortiment; (4) (in de boekdrukkunst) het letterzetten; (5) [maatwoord voor klassen;groepen]
配偶 haiguu (1) koppeling; paring; (2) partner; wederhelft; gade; (3) koppel; paar
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.38 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'paar'). 
2005-2026