日蘭辭典+

43 resultaten voor ‘aantrekken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ki
(気) zn. (1) [力] geest m.; hart o.; ziel v. (2) [質] karakter o. (3) [分] humeur o.; stemming v. (4) [傾向] neiging v.; geneigdheid v. (5) [注意] zorg v.; aandacht v. (6) [呼吸] adem m. (7) [空] lucht v.; atmosfeer v. (8) [蒸] damp m.; uitwaseming v.(9) [香] smaak m.; geur m. (10) [精] ether m. ¶ がある lust hebben; geneigd zijn. ¶ がさす ongerust zijn. ¶ が狂ふ gek worden. ¶ が違って居る niet goedwijs zijn. ¶ がふれる buiten zich zelven zijn; niet wel bij het hoofd zijn. ¶ が長い geduldig. ¶ が拔けた afgetrokken; verstrooid. ¶ が塞ぐ somber gestemd zijn; tobben; (俗) in de put zitten. ¶ が詰まる benauwd zijn. が進む volgaarne; van ganschen harte. ¶ が進まぬ geen zin hebben. ¶ が立って居る opgewonden zijn.¶ が向く geneigd zijn; lust hebben. ¶ が濟まぬ niet op zijn gemak zijn. ¶ が重くなる gedrukt zijn; somber zijn. ¶ が遠くなる bewusteloos worden; bezwijmen; flauw vallen. ¶ が咎める niet op zijn gemak zijn; zelfverwijt gevoelen. ¶ に病む ongerust zijn. ¶ ....... するになる er toe komen om; lust krijgen om. ¶ に障る hinderen; ergeren. ¶ の強い stoutmoedig; dapper. ¶ の弱い slap. ¶ の合った gelijkgezind; sympathiek. ¶ のない zouteloos; laf. ¶ の小さい kleinmoedig.¶ の狹い bekrompen; kleinzielig. ¶ 樹の大きい grootmoedig; edelmoedig (寬大); moedig. ¶ の早い driftig; opvliegend. ¶ の好い goedhartig. ¶ の利いた behendig; knap. ¶ 變り易い wispelturig. ¶ を揉む tobben; zich bezorgd maken.¶ をゆるす aandacht laten verslappen; niet goed opletten. ¶ を勵ます moedvatten. ¶ を晴らす zich ontspannen. ¶ を養ふ geest voedenを失ふ flauw vallen; bewusteloos worden; bezwijmen; bewustzijn verliezen. ¶ を探る polsen. ¶ を變へる van opinie veranderen. ¶ を配る zijn aandacht gevestigd houden op; (俗) in de gaten houden. ¶ を持つ (心をかける) zich wijden aan.¶ を長くする geduld oefenen. ¶ を拔く verslappen. ¶ を落ちつける zijn gedachten verzamelen; tot zich zelven komen. ¶ を落す den moed verliezen; den moed laten zinken. ¶ を負ふ zich laten voorstaan op; prat gaan op. ¶ を惡くする kwalijk nemen. ¶ 人のを惡くする iemand’s gevoelens kwetsen. ¶ を利かせる een wenk begrijpen. ¶ を廻す achterdocht koesteren. ¶ を附ける goed opletten; oppassen. ¶ を附け pas op !; geef acht ! (號令). ¶ は心 neem den wil voor de daad; waardeer de goede bedoeling. ¶ 何のもなしに zonder eenige (kwade) bedoeling. ¶ に懸けるな trek je er niets van aan ! ¶ あとでがついた later viel mij in ....... . ¶ が濟んだ het is mij een pak van het hart.
kokoro
zn. hart o.; ziel v.; geest m.; innerlijk o.; inborst v. ¶ の狹い kleinzielig; bekrompen. ¶ 正しい het hart op de rechte plaats. ¶ を合わせ eens van zin. ¶ に印す in het hart griffen. ¶ 開く zijn hart openleggen. ¶ を入かへる zich beteren. ¶ から van ganscher harte. ¶ は in zijn hart; in den grond. ¶ 人のを汲む zich verplaatsen in de gevoelens van een ander. ¶ ありげの vol beteekenis. ¶ をやすめる zich geruststellen. ¶ 引く aantrekken; verleiden. を落着ける tot bezinning komen. ¶ を用ゐる aandacht schenken aan. ¶ を盡す zijn best doen. ¶ 置なく naar hartelust; ronduit (率直に); vrijelijk. ¶ の儘に geheel vrijwillig; uit vrijen wil.
komanuku拱く
¶ 手を拱いて傍觀する met gekruiste armen toezien; zich er niets van aantrekken. ※ Tevens komaneku (拱く; 拱ねく).
omou思ふ
(思う) i.w. (1) [考へる] denken. (2) [沈思] peinzen. t.w. (3) [志す] bedoelen. (4) [希望] hopen. (5) [懸念] vreezen. (6) [觀察] beschouwen. (7) 感ずる (8) [想像] veronderstellen. (9) [信じる] gelooven. (10) [豫期] verwachten. (11) [愛情] liefhebben. i.w. (12) [追想] zich herinneren. ¶ 思ふに mij dunkt. ¶ いゝと思ふ goed vinden. ¶ 正しいと思ふする doen, wat men meent, dat recht is. ¶ 何とも思はぬ niets geven om; zich niets aantrekken van. ¶ 我子を思ふ verlangen naar zijn kind.
kuyokuyoくよくよ
bw. tobberig; zwartgallig. ¶ くよくよする tobben; zich erg aantrekken; gebukt gaan.
shinogu凌ぐ

t.w. (1) [耐へる] dulden; doorstaan; uithouden; verduren. i.w. (2) [防ぐ] zich behoeden voor; zicht beschutten tegen. (3) [凌駕する] de baas zijn; t.w. overtreffen. i.w. (4) [聳える] zich verheffen boven. ¶ 退屈を凌ぐ den tijd dooden. ¶ 困難を凌ぐ moeilijkheden te boven komen. ¶ を凌ぐ zich van zijn superieuren niets aantrekken. ¶ 凌ぎ難い onduldbaar; ondragelijk; niet door te komen.

kutsu

zn. schoen m.; laars (長靴) v. ¶ 靴を穿く schoenen aantrekken. ¶ 靴をぬぐ schoenen uittrekken. ¶ 深邊靴 bottines. ¶ 紐靴 veter. ¶ 編上靴 rijglaarzen. ¶ 外靴 overschoenen. ¶ 靴匠 schoenlepel. ¶ 靴屋 lees. ¶ 靴屋 schoenmaker. ¶ 靴を磨く schoenen poetsen. ¶ 靴を直す schoenen lappen. ¶ 靴一足 een paar schoenen. ¶ 靴磨 schoensmeer. ¶ 靴底 zool.

yoso餘所

(余所) zn. andere plaats v.; bw. elders; ergens anders. ¶ 餘所の van elders; ander. ¶ 餘所から van elders. ¶ 餘所へ行く ergens heengaan; uitgaan; weggaan. ¶ 餘所に見る zich er niets van aantrekken. ¶ 業務を餘所にする zijn werk niet doen; zijn plicht verzuimen.

ugatsu穿つ

t.w. (1) [掘る] graven; boren. i.w. (2) [眞相を] juist beeld geven; spijker op den kop slaan. t.w. (3) [着ける] aantrekken. ¶ 靴を穿つ schoenen dragen.

tsukkake ni突掛けに

(突掛けに) bw. dadelijk; direct; schielijk. ¶ 突掛ける aanschieten; vlug aantrekken. ¶ 草履を突掛ける sloffen aanschieten.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aantrekken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アピールする apiirusuru (1) oproepen; verzoeken; smeken; aankloppen bij; zich richten tot; (2) aantrekkelijk zijn; aantrekken; aanspreken; bekoren; in de smaak vallen; (3) [sportt.] appelleren
上向く uwamuku (1) opkijken; de ogen opslaan; (2) [調子が] vooruitgaan; beter worden; zich ten goede keren; ten goede veranderen; [econ.] opleven; aantrekken
入会させる nyuukaisaseru als lid aanvaarden; toelaten; aanwerven; werven; rekruteren; inlijven; opnemen; aantrekken
入隊させる nyuutaisaseru rekruteren; aanwerven; werven; aantrekken; inlijven
募る tsunoru (1) in kracht toenemen; aan kracht winnen; opzetten; aanzwellen; aangroeien; steeds sterker; heviger worden; verzwaren; verergeren; (2) aantrekken; werven; aanwerven; rekruteren; ronselen; [基金を] inzamelen; verzamelen; bijeenbrengen
吸い寄せる suiyoseru (1) aanzuigen; (2) aantrekken; aanlokken
吸引する kyuuinsuru (1) opzuigen; absorberen; opnemen; opslorpen; zuigen; (2) aantrekken
呼ぶ yobu (1) roepen; (2) noemen; betitelen; uitmaken voor; heten; (3) laten komen; roepen; (laten) halen; [een taxi] aanroepen; (4) uitnodigen; inviteren; vragen; nodigen; (5) wekken; aantrekken; uitlokken; oproepen; (6) verzamelen
履く;穿く;佩く haku (1) [een broek;schoenen;kousen enz.] aantrekken; aandoen; [i.h.b.] zich schoeien; (2) [het zwaard enz.] aangorden; omgorden; omdoen; om het middel binden
引き付ける hikitsukeru (1) trekken; aantrekken; (2) doen naderen; dichterbij; naderbij brengen; naar zich toehalen; (3) aanlokken; aantrekken; bekoren; lokken; boeien; voor zich winnen; charmeren; (4) betrekken op; betrekking doen hebben op; (5) ruim interpreteren; verdraaien; forceren; [fig.] geweld aandoen; (6) de stuipen krijgen; stuiptrekkingen krijgen; stuiptrekken; zich krampachtig samentrekken
引き寄せる hikiyoseru dichterbij halen; naderbij brengen; aanhalen; aanslepen; bijhalen; bijslepen; bijtrekken; tot zich trekken; aantrekken; aanlokken
引き抜く hikinuku (1) uittrekken; uitplukken; eruit trekken; uitrukken; (2) aantrekken; overhalen; (van de concurrentie) weglokken; wegkopen; afpakken; afsnoepen; wegkapen; [i.h.b.] koppensnellen; headhunten
引き締める hikishimeru (1) aanhalen; aantrekken; spannen; strak trekken; uitrekken; rekken; (2) schrap zetten; (3) [hand.] stabiliseren; stabiel; stabieler maken
引っ張る;引張る hipparu (1) trekken (aan); rukken (aan); halen; (2) spannen; strak trekken; aantrekken; (3) [een arrestant e.d.] opbrengen; meebrengen; [naar het politiebureau enz.] meenemen; (4) uitstellen; [de tijd enz.] rekken; [iem.] aan het lijntje houden; (5) [honkbal] naar links uithalen [of naar rechts in het geval van een linkshandige slagman]; (6) [tot toetreding enz.] overhalen; [naar de overwinning] brengen
引っ掛ける;引掛ける;引っかける;引っ懸ける hikkakeru (1) ophangen (aan); hangen (aan); [i.h.b.] vasthaken; (2) (nonchalant; haastig) aantrekken; [een trui enz.] aanschieten; [zijn kleren] aangooien; (3) spatten (op); bespatten; spetten; plassen; [een vloeistof] uitstorten; (4) [een drankje] achteroverslaan; in één teug legen; [er eentje] achterovergooien; (5) strikken; vangen; verstrikken; verschalken; verlokken; beetnemen; bedotten; om de tuin leiden; in de val laten lopen; iem. in de luren leggen; (6) aanrijden; omverrijden; grijpen
招致する shouchisuru uitnodigen; ontbieden; laten komen; inviteren; aantrekken; binnenhalen
持ち直す mochinaosu (1) zich herstellen; zich herpakken; er weer bovenop komen; weer op krachten komen; beter worden; verbeteren; opknappen; opleven; aantrekken; (2) van hand wisselen; overpakken; vervatten
服す fukusu (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
服する fukusuru (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
気を引く kiwohiku (1) iemands belangstelling; aandacht trekken; aantrekken; aanlokken; (2) iemands gevoelens peilen; naar iemands mening vissen; polsen over; iem. uit z'n tent lokken
着ける tsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
着る;著る kiru (1) [服を] aantrekken; aandoen; zich aankleden; [素早く~] aanschieten
着込む kikomu (1) onder z'n andere kleren aandoen; eronder aantrekken; onder elkaar aandoen; nog een extra ~ aandoen; aantrekken; (2) zich uitdossen in; zich opkleden in; zich dossen in
緊縮 kinshuku (1) het aanhalen; aantrekken; aanspannen; samentrekking; contractie; straktrekking; (2) bezuiniging; besnoeiing; besparing; inkrimping; inperking; beperking; beknotting; matiging; versobering; inlevering
緊縮する kinshukusuru (1) aanhalen; aantrekken; aanspannen; samentrekken; contraheren; strak trekken; krapper maken; (2) bezuinigen; besnoeien; besparen; economiseren; inkrimpen; inperken; beperken; beknotten; matigen; versoberen; terugbrengen; inleveren; de buikriem aanhalen
締め付ける shimetsukeru (1) aanhalen; strak trekken; aantrekken; vastsnoeren; stevig vastmaken; dichtsnoeren; (2) beklemmen; beknellen; benauwen; prangen; (3) [fig.] onder de plak houden; kort houden; eronder houden
纏う matou (1) aantrekken; aandoen; zich hullen in; (2) winden om; slingeren om; (3) zich slingeren om; zich winden om; heendraaien om; rondhangen om; constant vergezellen
羽織る haoru [こーとを] aantrekken; aandoen; [急いで] aanschieten
荒む susamu (1) verruwen; ruw worden; verharden; verruigen; (2) verfijning verliezen; tanen; verboersen; verwilderen; verloederen; verworden; ontaarden; degenereren; (3) [雨;風が] krachtiger worden; verhevigen; aantrekken; opsteken; (4) [酒色に] zich overgeven aan; geheel opgaan in; zich verliezen in; zich te buiten gaan aan; zwelgen in
hi (1) [drukt passiviteit uit;of het ondergaan van een actie]; (a) bedekken; afdekken; (b) aantrekken; opzetten; hoofdbedekking; (c) incasseren; verduren; ondergaan; (d) ge… worden
誘致する yuuchisuru (1) aantrekken; lokken; aanlokken; uitnodigen; verlokken; nodigen; (2) teweegbrengen; veroorzaken
身に付ける minitsukeru (1) aantrekken; aandoen; aan het lichaam doen; aankrijgen; (2) aanleren; zich eigen maken; machtig worden
雇い入れる yatoiireru in dienst nemen; aannemen; tewerkstellen; inhuren; aanwerven; werven; aantrekken; engageren; employeren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.74 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'aantrekken'). 
2005-2026