
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
udemae・腕前
zn. vaardigheid v.; bekwaamheid v.; handigheid v.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sayūsuru・左右する
(ww.) (1) [支配する] beheersen; macht hebben over; in de hand hebben. (2) [影響を与える] beïnvloeden; bepalen; een belangrijke factor zijn; een rol spelen. ¶ 天候が明日の試合を最も左右するだろう。 Tenkō ga ashita no shiai wo mottomo sayūsuru darō. Het weer zal de belangrijkste factor zijn in de wedstrijd van morgen. ¶ 音楽家としての成功を左右するのは、才能である。 Ongakuka to shite no seikō wo sayūsuru no wa, sainō de aru. De bepalende factor voor het succes van een musicus, is talent. ¶ 競馬は馬の能力だけでなく、ジョッキーの技術に左右される。 Keiba no uma no sairyoku dake de naku, jokkii no gijutsu ni sayūsareru. Bij paardenrennen speelt niet alleen de kracht van het paard een rol, maar ook de vaardigheid van de jockey. (yamasv) 彼の返事は彼の気分に左右される。 Kare no henji wa kare no kibun ni sayūsareru. Zijn antwoord wordt bepaald door zijn stemming. ¶ 大衆の意見が大統領の決定を左右する。 taishū no iken ga daitōryō no kettei wo sayūsuru. De publieke opinie beïnvloed de beslissingen van de president. (TTC)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus・開花
¶ 天候が寒いと多くの植物が開花できない。 Als het weer koud is kunnen de meeste planten niet bloeien. ¶ イタリアンルネッサンスを開花させるきっかけを作ったのはジョットの功績だ。 Het was de verdienste van Giotto dat hij de aanleiding creëerde die de Italiaanse renaissance deed ontluiken. ¶ 彼は数学の才能を開花した。 Hij toonde aanleg voor wiskunde. ¶ 音楽の才能は普通早く開花する。 Talent voor muziek openbaart zich gewoonlijk op jonge leeftijd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vaardigheid>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アビリティー abiritii bekwaamheid; vermogen; vaardigheid; begaafdheid; capaciteit
キャパ kyapa (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
キャパシティ kyapashiti (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
スキル sukiru skill; vaardigheid; kundigheid
テクニック tekunikku techniek; bedrevenheid; vaardigheid
一筋;一条 hitosuji (1) lijn; streep; striem; straal; streng; (2) familie; geslacht; clan; huis; (3) kunst; vaardigheid; (4) honderd aan een snoer geregen muntstukken; (5) gewone maatregelen; gebruikelijke methode; (6) gewoon; normaal; gebruikelijk; (7) toegewijd; noest; ernstig; ijverig; vlijtig; (8) vlot; ongehinderd; zonder hapering; vloeiend
力 chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
器用 kiyou (1) slimheid; vaardigheid; bekwaamheid; handigheid; (2) bekwaam; handig; behendig; bijdehand; vernuftig
器用さ kiyousa vaardigheid; bekwaamheid; behendigheid; handigheid; bedrevenheid
実力 jitsuryoku (1) prestatievermogen; vermogen; bekwaamheid; vaardigheid; competentie; praktische beheersing; capaciteit; capabiliteit; iems. kunnen; begaafdheid; (2) geweld; wapengeweld; [fig.] de wapenen
巧 kou (1) behendige techniek; (a) behendig; vaardig; (b) techniek; vaardigheid; (c) geveinsd
巧みさ takumisa vakkundigheid; ervarenheid; deskundigheid; kundigheid; bekwaamheid; vaardigheid; slagvaardigheid; bedrevenheid; handigheid; behendigheid; vernuftigheid; kunstigheid; knapheid; slimheid; vindingrijkheid; spitsvondigheid; listigheid; sluwheid
御手前;御点前 otemae (1) kost; kostwinning; levensonderhoud; onderhoud; (2) talent; bekwaamheid; vaardigheid; capaciteit; (3) (御点前) [m.b.t. theeceremonie] etiquette; protocol; ceremonieel; ceremoniële handelingen; procedure; (4) jij [gebruikt sedert de Muromachi-periode door samurai jegens een gelijke of iem. iets minder in rang]
手並み tenami vaardigheid; vakkundigheid; bedrevenheid; talent; kunde
手付き tetsuki (1) handbeweging; handgebaar; (2) handigheid; vaardigheid; (3) schrijfvaardigheid; manier van schrijven; [meton.] hand; (4) [Jap.gesch.] klerk
手前;点前 temae (1) aan deze zijde; aan deze kant; vóór; (2) bekwaamheid; vaardigheid; vakkundigheid; deskundigheid; (3) (点前) [m.b.t. theeceremonie] etiquette; protocol; ceremonieel; ceremoniële handelingen; procedure; (4) [ter] wille [van]; -halve; [in het] belang [van]; [uit] consideratie [voor]; [uit] eerbied [voor]; [uit] achting [voor]; [uit] piëteit [jegens]; (5) ik; (6) jij; [Belg.N.] gij; [Belg.N.] ge
手腕 shuwan bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; kundigheid; vakkundigheid
手許;手元 temoto (1) handbereik; (2) gereed geld; gerede penningen; geld; contanten in kas; geld op zak; (3) beurs; buidel; portemonnee; zak; (4) zorg; hoede; (5) vaardigheid; bedrevenheid; (6) eetstokjes; stokjes; chopsticks
手足れ tedare (1) meesterschap; bedrevenheid; deskundigheid; behendigheid; vaardigheid; (2) meester; expert; deskundige; adept
手際 tegiwa (1) behendigheid; handigheid; bedrevenheid; vaardigheid; bekwaamheid; kunde; kundigheid; kunnen; (2) vakmanschap; vakbekwaamheid; vakkennis
手 te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [とらんぷの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
技能;伎能 ginou (1) vaardigheid; vakkundigheid; techniek; bedrevenheid; (2) [maatwoord voor vaardigheden;technieken]
技芸;伎芸;妓芸 gigei (1) kunst; techniek; vaardigheid; (2) muzikale vaardigheid; (3) [onderw.] technische vakken en technologie
技量 giryou bedrevenheid; bekwaamheid; talent; vaardigheid; kundigheid; kunde; deskundigheid; bekwaamheid; competentie
技 gi (1) kunst; vaardigheid; bekwaamheid; kundigheid; kunde; bedrevenheid; techniek; (2) prestatie; toer; (3) opvoering; vertolking
敏捷 binshou (1) behendigheid; vlugheid; vaardigheid; gezwindheid; rapheid; radheid; promptheid; (2) scherpzinnigheid; gewiekstheid; gevatheid; scherpte; spitsheid; pienterheid; schranderheid; slimheid; (3) behendig; vlug; kwiek; vaardig; gezwind; rap; rad; prompt; (4) scherpzinnig; gewiekst; gevat; scherp; spits; pienter; schrander; slim; alert; ad rem
敏捷さ binshousa (1) behendigheid; vlugheid; vaardigheid; gezwindheid; rapheid; radheid; promptheid; (2) scherpzinnigheid; gewiekstheid; gevatheid; scherpte; spitsheid; pienterheid; schranderheid; slimheid
敏腕 binwan (1) bekwaamheid; competentie; vakkundigheid; behendigheid; bedrevenheid; vaardigheid; kundigheid; (2) bekwaam; competent; vakkundig; behendig; bedreven; vaardig; kundig
業;技 waza (1) vaardigheid; vakkundigheid; bedrevenheid; handigheid; kunde; (2) techniek; [judo] waza
熟練 jukuren vakkundigheid; kunde; kundigheid; vaardigheid; bedrevenheid; beheersing; bekwaamheid; deskundigheid; behendigheid
熟達 jukutatsu vakkundigheid; kunde; kundigheid; vaardigheid; bedrevenheid; beheersing; bekwaamheid; deskundigheid
練達 rentatsu deskundigheid; expertise; kunde; bedrevenheid; kundigheid; vaardigheid; behendigheid; bekwaamheid
能力 nouryoku (1) bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; [i.h.b. psych.] faculteiten; competentie; geschiktheid; capaciteit; kunde; knapheid; kundigheid; capabiliteit; [veroud.] vatbaarheid; (2) [jur.] bevoegdheid; competentie; (3) [taalk.] beheersing
腕 ude (1) [anat.] arm; (2) bekwaamheid; vaardigheid; geschiktheid; talent; bedrevenheid
芸 gei (1) artistieke vaardigheid; bekwaamheid; kunst; kundigheid; talent; (2) opvoering; vertolking; [pregn.] prestatie; kunststuk; knap stuk werk; staaltje; (3) truc; kunstje; toer; (a) kunde; vaardigheid; techniek; (b) kunst; (c) amusement; entertainment; (d) provincie Aki 安芸
術 jutsu (1) vaardigheid; kundigheid; kunst; techniek; skill; (2) toverij; tovenarij; toverkunst; magie; (3) manier; wijze; (a) kunde; kunst; techniek; (b) kunstgreep; truc; list; kneep
通達 tsuutatsu (1) doordringing; (2) bekwaamheid; vaardigheid; vakkundigheid; beheersing; bedrevenheid; geoefendheid; geverseerdheid; habiliteit; volleerdheid; (3) bekendmaking; mededeling; bericht; kennisgeving; aankondiging; (4) nota; formele kennisgeving; officiële mededeling; aanzegging; notificatie; zendbrief
Tijd: 2.38 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'vaardigheid').
2005-2026
