RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kracht>
こく koku body; karakter; kracht; pit; [ワインの] corps
パワー pawā (1) kracht; power; vermogen; sterkte; macht; [veroud.] mogendheid; (2) energie; fut; pit; uithoudingsvermogen; uithouding; drive; dynamiek; vuur; animo
パンチ panchi (1) pons; ponsmachine; ponstang; drevel; doorslag; perforator; kniptang; (2) vuistslag; slag; stoot; klap; (3) slagvaardigheid; doortastendheid; pit; energie; kracht; fut; [bokssp.] punch; jab; (4) [cul.] punch; bowldrank; bowl; krambamboeli
フォース fōsu (1) kracht; (2) [mil.] macht; strijdkracht; krijgsmacht; leger; (3) [comp.] Forth [= programmeertaal]; (4) Force; (5) Fosses
元気 genki (1) energie; vitaliteit; levenskracht; fut; pit; pittigheid; veerkracht; kracht; (2) geestkracht; wilskracht; energieke vastbeslotenheid; (3) gezondheid; welzijn; kracht; energie; (4) moed; dapperheid; flinkheid; onverschrokkenheid; vermetelheid; vuur; kloekheid; (5) vrolijkheid; opgeruimdheid; blijheid; lichte stemming; (6) energiek; levendig; vol levenskracht; vol fut; pittig; veerkrachtig; krachtig; (7) vol van geestkracht; vol van wilskracht; vastbesloten; vastberaden; vast van wil; kordaat; (8) gezond; niet ziek; verkerend in een toestand van fysiek en psychisch welbevinden; verkerend in een toestand van volkomen welzijn; (9) moedig; dapper; onverschrokken; koen; flink; vermetel; vol vuur; kloek; (10) vrolijk; opgeruimd; in lichte stemming; blij
元気付ける genkizukeru bemoedigen; aanmoedigen; sterken; opbeuren; opmonteren; opwekken; opkikkeren; verkwikken; oppeppen; encourageren; stimuleren; moed geven; inspreken; kracht; nieuwe levenskracht geven; weer op krachten doen komen; iemands moed schragen; het moreel weer opvijzelen; opfleuren; doen opleven; doen opluiken [gew.] het hart opdraaien
利き kiki (1) uitwerking; effect; werkzaamheid; doeltreffendheid; kracht; werking; effectiviteit; [薬の~] geneeskracht; (2) het dominant-zijn
力 chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
力 ryoku -kracht; -vermogen; -macht; -capaciteit
効き目;利き目 kikime uitwerking; effect; werkzaamheid; doeltreffendheid; kracht; werking
効力 kōryoku (1) effect; effectiviteit; uitwerking; resultaat; nuttig effect; (2) geldigheid; validiteit; waarde; het in voege zijn; kracht; het van kracht zijn; het van kracht worden; inwerkingtreding
効能 kōnō uitwerking; effect; werkzaamheid; doeltreffendheid; kracht; werking; effectiviteit; [薬の~] geneeskracht
動力 dōryoku beweegkracht; drijfkracht; dynamiek; energie; kracht
勢い ikioi (1) kracht; (2) energie; vitaliteit; gezondheid; zwier; gedrevenheid; (3) macht; invloed; gezag; autoriteit; (4) drang; vaart; impuls; impetus; prikkel; (5) natuurlijke gang van zaken; loop der dingen; tendens; trend; (6) strekking; stemming; toon; (7) vanzelfsprekend; daaruit volgend; als natuurlijk gevolg; voortvloeiend; onvermijdelijk; noodzakelijk; volgens de natuurlijke gang der zaken
勢力 seiryoku macht; kracht; sterkte; invloed; influentie; overwicht
勢 sei (a) kracht; macht; energie; vitaliteit; (b) natuurkracht; (c) situatie; staat; toestand; (d) teelbal; (e) [mil.] troepensterkte; (f) [Jap.gesch.] provincie Ise 伊勢
壮 sō (1) levensbloei; kracht; bloei van z'n leven; manbaarheid; volle mannelijke leeftijd; zomer des levens; (2) kwiek; kloek; manhaftig; (3) maatwoord voor de keren dat moxibustie wordt toegepast; [i.h.b.] dosis moksa; (a) levensbloei; (man in de) kracht; bloei van z'n leven; (b) dapper; manhaftig; kloek; (c) schitterend; groot
壮年 sōnen bloei; kracht; fleur van z'n leven; z'n topjaren
威力 iryoku macht; kracht; vermogen
強勢 kyōsei (1) nadruk; klem; kracht; beklemtoning; accentuering; (2) klemtoon; accent
息 iki (1) adem; het ademen; ademhaling; [inform.] asem; (2) energie; kracht; (3) toon
手 te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [トランプの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
有効 yūkō (1) effectiviteit; geldigheid; doeltreffendheid; doelmatigheid; werkzaamheid; kracht; nut; probaatheid; (2) rechtsgeldigheid; het van kracht zijn; het vigeren; (3) [m.b.t. judo] yuko; (4) geldig; doeltreffend; effectief; werkzaam; afdoend; nuttig; probaat; (5) rechtsgeldig; geldig; van kracht; vigerend
気力 kiryoku (1) wilskracht; karakter; [sportt.] moraal; (2) energie; vaart; drive; kracht; vitaliteit; gedrevenheid; (3) ruggengraat; doorzettingsvermogen; moed; durf; pit; lef
活気 kakki kracht; energie; vitaliteit; levendigheid; activiteit; bedrijvigheid
浮力 furyoku [natuurk.] drijfvermogen; opwaartse druk; kracht; [飛行船の] hefvermogen; stijgkracht; stuwkracht; draagkracht
精力 seiryoku (1) energie; vitaliteit; levendigheid; vuur; vurigheid; temperament; fut; pit; dynamiek; kracht; elan; (2) potentie; seksueel vermogen
精気 seiki (1) geest (der schepping); adem; (2) geestkracht; energie; kracht
馬力 bariki (1) paardenkracht; kracht (als) van een paard; (2) kar; sleperswagen; vrachtkar; (3) vermogen; kracht; vitaliteit; energie; (4) [veroud.;natuurk.] paardenkracht [eenheid van vermogen]; pk; HP [-> horsepower]; CV [-> cheval-vapeur]
験 shirushi (1) voorteken; voorbode; aankondiging; indicatie; teken; symptoom; (2) bovennatuurlijke werkzaamheid; kracht; (3) effect; werkzaamheid; uitwerking; doeltreffendheid; effectiviteit; (4) zinvolheid
高度 kōdo (1) hoogte; (2) sterkte; kracht; krachtigheid; intensiteit; (3) hoge mate; grote mate; hoog peil; (4) sterk; krachtig; intens; hevig; in hoge graad; in hoge mate; (5) geavanceerd; hoog ontwikkeld; gesofisticeerd; gesofistikeerd; (6) in hoge mate; in grote mate; in hoge graad; in een hoog peil
魂 tamashī (1) ziel; geest; (2) kracht; geest; pit; fut; spirit