
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
gaman・我慢
zn. (1) [持續] volharding v.; uithouding v. (2) [忍耐] geduld o.; duldzaamheid v. (3) [忍容] verdraagzaamheid v. (4) [自制] zelfbedwang o. (5) [勘辨] pardon o. ¶ 堪忍袋の緖を切る niet langer kunnen verduren. ¶ 我慢する volhouden; standvastig geduld oefenen; dulden; verblijven; duren; zich beheerschen; ¶ 我慢出來ぬ ondragelijk; onduldbaar. ¶ 我慢強い stoicijns; geduldig.
jiyū・自由
zn. vrijheid v. ¶ 自由競爭 vrije concurrentie. ¶ 自由國 vrij land. ¶ 自由行動を許す de vrije hand geven. ¶ 自由思想 vrije gedachte. ¶ 自由思想家 vrijdenker. ¶ 自由の身である eigen baas zijn. ¶ 自由を失ふ vrijheid van beweging verliezen. ¶ 自由なる vrij; ongehinderd; onbelemmerd. ¶ 自由にする zijn eigen zin volgen. ¶ 人を自由にする iemand naar zijn hand zetten; iemand laten doen wat men wil; iemand om den vinger winden. ¶ 自由貿易 vrij handel; vrijhandel. ¶ 自由廢業 bevrijding uit blanke slavernij. ¶ 自由放任 laissez-faire (佛語); non-interventie. ¶ 自由意志 vrije wil. ¶ 自由權 recht der vrijheid. ¶ 自由戀愛 vrije liefde. ¶ 自由選擇 vrije keuze. ¶ 自由主義 liberalisme; vrijzinnigheid. ¶ どうぞ御自由になさい doe alsof je thuis was. ¶ 妻君の自由になって居る onder de pantoffel zitten. ¶ 蘭語を自由に操る de Hollandsche taal beheerschen; het Hollandsch meester zijn; goed Hollandsch spreken.
sayū・左右
zn. rechter- en linkerkant. ¶ 左右均齊 symmetrie. ¶ 左右の rechtsch en linksch. ¶ 左右を顧る rondkijken. ¶ 左右する beheerschen. ¶ 言を左右に託する eromheen draaien. ¶ 左右されて overgeleverd aan.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sayūsuru・左右する
(ww.) (1) [支配する] beheersen; macht hebben over; in de hand hebben. (2) [影響を与える] beïnvloeden; bepalen; een belangrijke factor zijn; een rol spelen. ¶ 天候が明日の試合を最も左右するだろう。 Tenkō ga ashita no shiai wo mottomo sayūsuru darō. Het weer zal de belangrijkste factor zijn in de wedstrijd van morgen. ¶ 音楽家としての成功を左右するのは、才能である。 Ongakuka to shite no seikō wo sayūsuru no wa, sainō de aru. De bepalende factor voor het succes van een musicus, is talent. ¶ 競馬は馬の能力だけでなく、ジョッキーの技術に左右される。 Keiba no uma no sairyoku dake de naku, jokkii no gijutsu ni sayūsareru. Bij paardenrennen speelt niet alleen de kracht van het paard een rol, maar ook de vaardigheid van de jockey. (yamasv) 彼の返事は彼の気分に左右される。 Kare no henji wa kare no kibun ni sayūsareru. Zijn antwoord wordt bepaald door zijn stemming. ¶ 大衆の意見が大統領の決定を左右する。 taishū no iken ga daitōryō no kettei wo sayūsuru. De publieke opinie beïnvloed de beslissingen van de president. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <beheersen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
インフレを防止する infurewoboushisuru inflatie voorkomen; een halt toeroepen; afremmen; beheersen
マスターする masutaasuru beheersen; [een taal enz.] meester zijn
会得する etokusuru verstaan; begrijpen; snappen; vatten; doorgronden; beheersen
制す seisu (1) in toom houden; in bedwang houden; beteugelen; beheersen; onder controle houden; controleren; in de hand houden; (2) bedwingen; onderdrukken; smoren; supprimeren; (3) heersen over; meester zijn over; bevelen; domineren; regeren; [bijb.;lit.t.] gebieden; [勝ちを] in de hand hebben
制する seisuru (1) in toom houden; in bedwang houden; beteugelen; beheersen; onder controle houden; controleren; in de hand houden; (2) bedwingen; onderdrukken; smoren; supprimeren; (3) heersen over; meester zijn over; bevelen; domineren; regeren; [bijb.;lit.t.] gebieden; [勝ちを] in de hand hebben
制御する seigyosuru onder controle houden; controleren; beheersen; in bedwang houden
制覇する seihasuru (1) overheersen; domineren; beheersen; de plak voeren; (2) [sportt.] het kampioenschap winnen; de titel behalen
収拾する shuushuusuru (1) vergaren; verzamelen; sprokkelen; bijeenrapen; (2) beheersen; bedwingen; in bedwang houden; in toom houden; controleren; onder controle houden; de baas blijven; beteugelen
司る tsukasadoru (1) de leiding; controle nemen over; verantwoordelijk zijn voor; zich belasten met; belast zijn met; beheren; het beheer voeren; leiden; leiding hebben; aansturen; controleren; (2) [biol.] [呼吸を] regelen; (3) [国を] besturen; regeren; beheersen; administreren
封じる fuujiru (1) verzegelen; (2) afsluiten; insluiten; blokkeren; afgrendelen; (3) beteugelen; in bedwang houden; bedwingen; beheersen; (4) [rel.] bezweren; (5) verbieden; bannen
封ずる fuuzuru (1) verzegelen; afsluiten; insluiten; blokkeren; afgrendelen; (2) beteugelen; in bedwang houden; bedwingen; beheersen; (3) [rel.] bezweren; (4) verbieden; bannen
左右する sayuusuru (1) zich niet uitspreken; een ontwijkend antwoord geven; geen definitieve keuze maken; eromheen draaien; rond de pot draaien; [uitdr.] een slag om de arm houden; [uitdr.;gall.;Belg.N.] warm en koud blazen; (2) beheersen; controleren; macht uitoefenen over; heersen over; domineren; [fig.] regeren over; in bedwang hebben; [uitdr.] eronder hebben; [uitdr.] in de hand hebben; [uitdr.] in handen hebben; [uitdr.] onder controle hebben; [uitdr.] onder de duim houden; [uitdr.] de boventoon voeren over; beslissen; bepalen; [uitdr.] het voor het zeggen hebben; [uitdr.] de baas spelen over; (3) [uitdr.] naar zijn hand zetten; beïnvloeden; inwerken op; invloed hebben op; invloed uitoefenen op
怒りを抑える ikariwoosaeru z'n woede inhouden; onderdrukken; beheersen; in toom houden; in bedwang houden
慣熟する kanjukusuru beheersen; thuisraken in; onderlegd raken in; bekwaam worden in; vakkundig worden in; deskundig raken in; bedreven worden in
我が物にする wagamononisuru voor zich winnen; zich eigen maken; zich toe-eigenen; voor zichzelf houden; zich in het bezit stellen van; in bezit nemen; [言語を] onder de knie krijgen; beheersen; machtig worden
抑制する yokuseisuru beteugelen; bedwingen; in bedwang houden; inbinden; inhouden; tomen; in toom houden; intomen; breidelen; een breidel aanleggen; remmen; onderdrukken; terugdringen; aan banden leggen; onder controle houden; beheersen; reprimeren; verdringen; weerhouden; supprimeren; smoren; de baas blijven
押さえる osaeru (1) onderdrukken; naar beneden drukken; (2) beheersen; bedwingen; (met overmacht) in bedwang houden; eronder houden; (3) tegenhouden; voorkomen; terughouden; (4) arresteren; gevangennemen; in hechtenis nemen; aanhouden; in zijn kraag grijpen; (5) [de oren] dichtstoppen; [met de handen de ogen] bedekken; verbergen; [met de handen het hoofd] vasthouden; [de hand voor de mond] houden; (6) [waar men recht op heeft;een deel van het loon etc.] achterhouden; terughouden; niet geven; onthouden; (7) beslag leggen op [goederen;eigendom;documenten etc.]; gerechtelijk in beslag nemen; confisqueren; (8) grijpen; pakken; nemen; in zijn klauwen krijgen; (9) een voorzichtige raming doen; een voorzichtige schatting maken; behoedzaam begroten; (10) plafonneren; niet hoger laten oplopen dan; [de prijzen] drukken; binnen een bepaalde limiet houden; onder een bepaalde limiet houden
提督する teitokusuru controleren; beheersen
支配する shihaisuru (1) heersen (over); regeren; besturen; gebieden (over); onderhouden; de heerschappij hebben; voeren; macht uitoefenen; hebben (over); het bewind voeren (over); overheersen; (pre)domineren; [uitdr.] de scepter zwaaien; voeren; [uitdr.] aan het roer staan; [uitdr.] aan de touwtjes trekken; [uitdr.] de lakens uitdelen; [uitdr.] de dienst uitmaken; [uitdr.] het voor het zeggen hebben; (2) beheersen; bepalen; controleren; leiden; dirigeren; de leiding hebben (over)
束ねる tabaneru (1) aaneenbinden; opbinden; samenbinden; bundelen; schoven; in garven; tot schoven binden; (2) aanvoeren; leiden; beheersen; controleren
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
殺す korosu (1) doden; (2) vermoorden; moorden; slachten; afslachten; over de kling jagen; doodslaan; ombrengen; kapot maken; koud maken; om zeep helpen; voorgoed tot zwijgen brengen; [euf.] onschadelijk maken; [uitdr.] de handen in iemands bloed wassen; (3) ter dood brengen; executeren; op grond van een vonnis terechtstellen; (4) verspillen; vermorsen; roekeloos besteden; nutteloos besteden; erdoor jagen; erdoor draaien; verkwisten; verpanden; belenen; in onderpand geven; (5) bedwingen; onderdrukken; inhouden; beheersen; in toom houden [Het lijdend voorwerp van dit werkwoord kan een gevoel;een lach;een geeuw;tranen;zijn adem etc. zijn.]; (6) [honkbal] een slagman uit het spel spelen; een slagman uitspelen
治める osameru (1) regeren; heersen over; een land besturen; de scepter zwaaien; de scepter voeren; (2) tot rust brengen; tot vrede brengen; pacificeren; (3) regelen; in orde brengen; in orde maken; organiseren; behandelen; afhandelen; afdoen; voor elkaar krijgen; (4) beheersen; bedwingen; beteugelen; onderdrukken; betomen; intomen
牽制する kenseisuru (1) bedwingen; in toom; in bedwang; onder controle; binnen de perken houden; beheersen; controleren; aan banden leggen; beteugelen; intomen; betomen; breidelen; beperken; inperken; (2) [mil.] insluiten; indammen; (3) [honkb.] een pickoff-worp doen; een pickoff-beweging maken
精通している seitsuushiteiru […に~] goed thuis zijn; grondig kennen; goed bekend zijn met; goed op de hoogte zijn; beheersen; meester zijn
統制する touseisuru controleren; beheersen; regelen; onder controle houden
自家薬籠中 jikayakurouchuu [~の物とする] voor zich winnen; de baas worden; machtig worden; overmeesteren; beheersen; onder de knie krijgen; onder de plak houden; de overhand hebben op; onder de duim houden
話せる hanaseru (1) kunnen spreken; zich kunnen uiten in; beheersen; kennen; (2) redelijk; begripvol; vol begrip; begrip tonend; begrijpend; (3) meegaand; inschikkelijk; coulant; welwillend; (4) mild; gul; genereus
通ずる tsuuzuru (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met; (6) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (7) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (8) [ー年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (9) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (10) inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前;名刺を] geven; (11) [らじおを] als medium gebruiken
造 zou (a) scheppen; creëren; (b) bereiken; beheersen; (c) plots; abrupt
長ける takeru uitblinken; uitmunten; excelleren; bedreven zijn in; beheersen
静める shizumeru (1) [鳴りを] tot stilte brengen; [場内を] stil doen worden; tot rust brengen; stemmen; rustig maken; doen verstommen; dempen; (2) matigen; temperen; afzwakken; smoren; [火事を] doven; [波を] bedaren; tot bedaren brengen; doen luwen; (3) [暴動を] bedwingen; beteugelen; beheersen; onderdrukken; de kop indrukken; supprimeren; [veroud.] neerzetten; [喧嘩を] beslechten; bijleggen; [怒りを] koelen; (4) [せきを] stillen; [心;神経を] kalmeren; opluchten; [痛みを] verlichten; lenigen; verzachten; doen afnemen; verminderen; [scherts.] afwinden; (5) [神を] verzoenen; tevredenstellen; bevredigen; [御霊を] sussen; paaien; apaiseren; troosten; [怨霊を] bezweren; (6) in slaap brengen; doen inslapen
風靡 fuubi [~する] domineren; beheersen; naar z'n hand zetten; onderwerpen
風靡する fuubisuru domineren; beheersen; naar z'n hand zetten; onderwerpen
Tijd: 1.48 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 34 treffers (zoekopdracht: 'beheersen').
2005-2026
