RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <geschikt>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ぴったりした pittarishita (1) juist; gepast; geschikt; geëigend; passend; (2) dicht; spannend; strak; nauw; nauwsluitend; strakgespannen; krap; hermetisch; [veroud.] streng
ぴったりの pittarino juist; gepast; geschikt; geëigend; passend
不相応な fusououna ongepast; ongeschikt; niet passend; geschikt; ongelegen; onbehoorlijk; misplaatst; onevenredig
似合い niai (goed bij elkaar) passend; (op elkaar) afgestemd; geschikt
利 ri (1) winst; opbrengst; profijt; (2) geschiktheid; opportuniteit; (3) voordeel; nut; (4) rente; interest; intrest; (a) scherp; snedig; scherpzinnig; schrander; (b) geschikt; passend; nuttig; voordelig; (c) winst; baat; buit; (d) rente; interest
堪える;耐える taeru (1) verdragen; uithouden; uitstaan; velen; (2) doorstaan; er doorheen komen; bestand zijn tegen; ertegen kunnen; aankunnen; trotseren; het hoofd bieden (aan); weerstaan; opgewassen zijn tegen; (3) geschikt; geknipt zijn (voor); -waard zijn; -waardig zijn; opgewassen zijn tegen; berekend zijn voor
填まる;嵌まる hamaru (1) geraken in; (verzeild) raken in; vallen in; terechtkomen in; belanden in; (2) passen; geschikt; gepast; geknipt zijn voor; [条件に] voldoen aan; (3) klem raken; lopen; varen in; vast komen te zitten in; vastraken in; blijven steken in; (4) verliefd; smoorverliefd; dolverliefd zijn op; smoor; gek; dol zijn op; helemaal weg zijn van; stapel zijn op; (5) trappen in; beetgenomen worden; [計略に] in de val lopen; (6) gek; verzot; dol; verkikkerd; wild; tuk zijn op; weg zijn van; helemaal bezeten zijn van; zich zwaar interesseren voor; een ~freak zijn; helemaal into ~ zijn; geheel vervuld zijn van; warm lopen voor; enthousiast zijn over; verslaafd zijn aan
好い加減 iikagen (1) gematigd; matig; (2) juist; gepast; geschikt; passend; adequaat; aangewezen; geëigend; (3) lukraak; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; gratuit; boud; (4) niet erg overtuigend; twijfelachtig; onvolkomen; halfslachtig; half; halfbakken; met de Franse slag gedaan; lauw; mat; lauwhartig; niet erg enthousiast; halfhartig; vrijblijvend; vaag; onbestemd; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig; zozo; maar net aan; (5) enigszins; tamelijk; redelijk; nogal; vrij
好い加減な iikagenna (1) gematigd; matig; (2) juist; gepast; geschikt; passend; adequaat; aangewezen; geëigend; (3) lukraak; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; gratuit; boud; (4) niet erg overtuigend; twijfelachtig; onvolkomen; halfslachtig; half; halfbakken; met de Franse slag (gedaan); lauw; mat; lauwhartig; niet erg enthousiast; halfhartig; vrijblijvend; vaag; onbestemd; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig
好ましい konomashii (1) wenselijk; begerenswaardig; gewenst; geschikt; verlangd; (2) aangenaam; welgevallig; bevallig; innemend
好都合 koutsugou gunstig; geschikt; passend; gelegen komend; handig; van pas komend; opportuun; conveniënt; favorabel
妥当 datou (1) terechtheid; gepastheid; juistheid; passendheid; billijkheid; gerechtvaardigdheid; adequatie; toepasselijkheid; passendheid; geëigendheid; geschiktheid; gegrondheid; steekhoudendheid; [veroud.] validiteit; (2) terecht; gepast; aangewezen; juist; billijk; gerechtvaardigd; adequaat; toepasselijk; passend; geëigend; geschikt; gegrond; steekhoudend; valabel; [veroud.] valide
妥当な datouna terecht; gepast; aangewezen; juist; billijk; gerechtvaardigd; adequaat; toepasselijk; passend; geëigend; geschikt; gegrond; steekhoudend; valabel; [veroud.] valide
宜しい yoroshii (1) passend; gelegen (komend); goed te keuren; geoorloofd; geschikt; (2) goed; (3) akkoord; nou goed; (4) neen; bedankt
宜しく;宜敷 yoroshiku (1) goed; zoals het hoort; gepast; op de juiste manier; geschikt; in orde; passend; naar eigen goedvinden; (2) de groeten aan ~; (3) als ware ~; alsof ~; (4) aangenaam (met u kennis te maken); (5) laten we goed met elkaar opschieten
宜 gi (1) het passend-zijn; het geschikt-zijn; passendheid; geschiktheid; (a) geschikt; passend; gepast; goed; juist
当て嵌まる atehamaru passen; geschikt; gepast; passend zijn; van toepassing zijn op; zich lenen; gelden; slaan op
応分 oubun (1) [~の] passend; geschikt; aangewezen; gepast; billijk; schappelijk; (2) [~の] behapbaar; haalbaar; (3) [~の] behoorlijk; fatsoenlijk; redelijk; [Belg.N.] treffelijk
思わしい omowashii (1) tevredenstellend; bevredigend; voldoening schenkend; (2) wenselijk; gewenst; geschikt; passend; (3) gunstig
手頃 tegoro (1) handig; praktisch; gerieflijk; handzaam; (2) geschikt; gepast; passend; voegzaam; schappelijk; redelijk; billijk
手頃な tegorona (1) handig; praktisch; gerieflijk; handzaam; (2) geschikt; gepast; passend; voegzaam; schappelijk; redelijk; billijk
方便 houben (1) [boeddh.] upāya [= hulpmiddel om tot de ware leer te komen]; (2) [esoterisch boeddh.] upāya [= volmaakte toepassing van zelfbegunstiging en altruïsme]; (3) hulpmiddel; redmiddel; expediënt; middeltje; ressource; (4) gelegen komend; opportuun; passend; geschikt; handig
旨い umai (1) lekker; smakelijk; heerlijk; delicieus; (2) passend; gelegen komend; handig; conveniënt; gunstig; geschikt
正当な seitouna (1) eerlijk; fatsoenlijk; fair; billijk; schappelijk; rechtvaardig; redelijk; (2) gepast; aangewezen; passend; juist; gerechtvaardigd; gewettigd; adequaat; geëigend; geschikt; geijkt; gegrond; steekhoudend; valabel; legitiem; verantwoord; [veroud.] valide
正当 seitou (1) eerlijk; billijk; fair; schappelijk; redelijk; rechtvaardig; fatsoenlijk; (2) gepast; aangewezen; passend; juist; gerechtvaardigd; gewettigd; adequaat; geëigend; geschikt; geijkt; gegrond; steekhoudend; valabel; legitiem; verantwoord; [veroud.] valide
然るべき shikarubeki (1) geëigend; aangewezen; passend; gepast; toepasselijk; juist; geschikt; bekwaam; behoorlijk; (2) […て~] voordehandliggend; terecht; logisch; billijk; vanzelfsprekend; [Belg.N.] evident; (3) voorbestemd; gedoodverfd; te verwachten; (4) mogelijk; aannemelijk; plausibel; (5) voortreffelijk; uitstekend; prima; degelijk
相当 soutou (1) passend; geschikt; gepast; evenredig; voegzaam; geëigend; toepasselijk; in aanmerking komend; doelmatig; berekend op; (2) behoorlijk; flink; heel; redelijk; aardig; aanmerkelijk; merkelijk; aanzienlijk; beduidend; considerabel; (3) behoorlijk; flink; heel; redelijk; aardig; tamelijk; aanmerkelijk; merkelijk; aanzienlijk; considerabel; nogal wat; best wel; vrij
相当な soutouna (1) passend; geschikt; gepast; evenredig; voegzaam; geëigend; toepasselijk; in aanmerking komend; doelmatig; berekend op; (2) behoorlijk; flink; heel; redelijk; aardig; aanmerkelijk; merkelijk; aanzienlijk; considerabel
相応 souou geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk
相応しい fusawashii geschikt; gepast; passend; behoorlijk; voegzaam; betamelijk
相応した sououshita geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk; [〃値段] ordentelijk; schappelijk
相応な sououna geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk; [〃値段] ordentelijk; schappelijk
相応に sououni geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk
確当 kakutou (1) overeenkomst; overeenstemming; correspondentie; (2) passend; gepast; geschikt; adequaat; toepasselijk; toepasbaar
程好い hodoyoi (1) juist; passend; geschikt; gunstig; (vrij) goed; (2) matig; gematigd; redelijk
穏当 ontou (1) redelijk; gepast; aanvaardbaar; passend; betamelijk; juist; geschikt; toepasselijk; (2) volgzaam; gedwee
能力のある nouryokunoaru bekwaam; kundig; capabel; knap; competent; deskundig; bevoegd; geschikt
良い;善い;好い;吉い;佳い;快い yoi (1) goed; juist; correct; (2) goed; knap; uitstekend; mooi; welgevallig; (3) geschikt; passend; (4) acceptabel; aanvaardbaar; geoorloofd; (5) makkelijk te ~; eenvoudig
該当 gaitou toepasselijk; ter zake doend; dienend; desbetreffend; aangewezen; geschikt; relevant
誂え向き atsuraemuki (1) [~だ] dat is juist wat iemand wou; zocht; dat is precies wat werd gevraagd; dat is iemand op het lijf geschreven; dat komt perfect aan iemands wensen tegemoet; dát is het (precies); da's je ware; (2) [~の] ideaal; perfect; geknipt; geschikt; aangewezen; best denkbaar; gedroomd
誂え向きの atsuraemukino ideaal; perfect; geknipt; geschikt; aangewezen; best denkbaar; gedroomd
適した tekishita gepast; geschikt; passend; adequaat; geknipt
適任 tekinin (1) aangewezen persoon; juiste man; vrouw; (2) geschikt; passend; gepast; geknipt; geëigend; uit het goede hout gesneden; bekwaam; competent; gekwalificeerd
適切 tekisetsu (1) gepastheid; geschiktheid; juistheid; adequatie; aangewezenheid; toepasselijkheid; raakheid; relevantie; pertinentie; (2) gepast; passend; juist; geschikt; behoorlijk; geëigend; adequaat; aangewezen; voegzaam; toepasselijk; treffend; raak; relevant; afdoend; pertinent; naar behoren; naar den eis
適切な tekisetsuna gepast; passend; juist; geschikt; geknipt; geëigend; adequaat; aangewezen; voegzaam; toepasselijk; treffend; raak; ad rem; relevant; afdoend; pertinent
適宜 tekigi geschikt; gepast; passend; toepasselijk; aangewezen; gelegen; juist
適宜な tekigina geschikt; gepast; passend; toepasselijk; aangewezen; gelegen; juist
適宜に tekigini (1) geschikt; gepast; passend; (2) volgens eigen goeddunken; naar eigen believen; naar verkiezing; naar smaak; naar wens; naar eigen oordeel; naar eigen inzicht; naar bevind van zaken
適当 tekitou (1) geschiktheid; gepastheid; toepasselijkheid; (2) gepast; geschikt; doelmatig; bekwaam; passend; voegzaam; toepasselijk; geëigend; aangewezen; adequaat; treffend; juist; billijk; (3) gepast; juist schikkend; niet overdreven; vrijblijvend; neutraal
適当な tekitouna (1) gepast; geschikt; passend; voegzaam; toepasselijk; geëigend; aangewezen; adequaat; treffend; juist; billijk; (2) gepast; juist schikkend; niet overdreven; vrijblijvend; neutraal
適格 tekikaku (1) competentie; bevoegdheid; geschiktheid; kwalificatie; adequatie; capabiliteit; bekwaamheid; habiliteit; capaciteit; (2) bevoegd; competent; geschikt; capabel; adequaat; gekwalificeerd; gerechtigd; bekwaam; habiel
適正 tekisei passend; billijk; redelijk; schappelijk; fair; geschikt; juist; correct; terecht
隙;透き;透 suki (1) gat; opening; spleet; kier; speling; wat plaats; wat ruimte; plaatsruimte; (2) gaatje; vrij ogenblikje; (3) buitenkans(je); onbewaakt; geschikt; kwetsbaar ogenblik; gelegenheid; kans; opportuniteit