日蘭辭典+

48 resultaten voor ‘gebied’
日蘭辭典 (trefwoord)
tochi土地
zn. land o.; grond m.; terrein o.; gebied o. ¶ 土地landhonger. ¶ 肥えた土地 vruchtbare grond. ¶ 土地を開拓する terrein ontginnen. ¶ 土地plaatselijk. ¶ 土地の新聞 locale pers; plaatselijke bladen. ¶ 土地の人 landvolk. ¶ 土地臺帳 kadaster. ¶ 土地plaatselijk gebruik. ¶ 土地訛 dialect; plaatselijke uitdrukking. ¶ 土地所有 grondeigendom. ¶ 土地収用 onteigening van grond. ¶ 土地測量 kadastrale opmeting.
kuni
(国) zn. (1) [國家] staat m.; rijk o. (2) [國土] land o. (3) 行政區劃 provincie v. (4) [故鄕] geboorteplaats v. (5) [領地] gebied o. ¶ nationaal. ¶ voor het vaderland.
kokudo國土
(国土) zn. gebied o.
kuiki區域

(区域) zn. (1) [地帶] gebied o. (2) [限界] grens v. (3) [圈內] sfeer v. (4) [管區] ressort v.

zokuryō屬領

(属領) zn. bezitting v.; afhankelijk gebied o.

zokuchi屬地

(属地) zn. afhankelijk gebied o.; bezitting v.

SUPPLEMENT (trefwoord)
daitokai大都会
zn. een metropool; een grote stad; de grote stad. ¶ ハバロフスク市が極東ロシアで大都会の一つです。 Habarofusuku-shi ga kyokutō de daitokai no hitosu desu. Chabarovsk is een van de grote steden van het Verre Oosten van Rusland; Chabarovsk is een metropool in het Russische verre oosten. (TTC) ¶ 東京ような大都会で借金なしでやっていくのは本当にむずかしい。 Tōkyō no yō na daitokai de shakkin nashi de yatte iku no wa hontō ni muzukashii. Het is erg lastig om in een metropool zoals Tokio rond te komen zonder geld te lenen. (TTC) ¶ 今日世界中の人々は、田舎の小さなから出て騒々しい大都会へ移動しつつある。 Kyō sekaijū no hitobito wa, inaka no chiisana mura kara dete sōzōshii daitokai e idōshitsutsu aru. Heden ten dage zijn mensen overal ter wereld bezig te verhuizen van plattelandsdorpjes naar lawaaierige grote steden. (TTC) ¶ メガロポリスは、多くの大都市が深い関係をもって帯状に連なっている地域のこと。Megaroporisu wa, ōku no daitokai ga fukai kankei wo motte obijō ni tsuranatte iru chiiki no koto. Een megalopolis is een gebied van talrijke grote steden die hechte relaties met elkaar hebben dat zich uitstrekt in de vorm van een band; Een megalopolis is een gebied met een aaneenschakeling van talrijke grote steden met hechte onderlinge relaties. (Wikipedia)

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gebied>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
エリア eria gebied; regio
スコープ sukoopu (1) bereik; omvang; gebied; bestek; reikwijdte; draagwijdte; gezichtsveld; (2) [comp.] scope; (3) -scoop
ドメイン domein (1) domein; gebied; terrein; (2) [comp.] domein; (3) branche; tak; (4) [comp.] domeinnaam
フランス領 furansuryou Franse bezittingen; gebiedsdelen; bodem; Frans grondgebied; gebied; staatsgebied; territorium; territoir
ベルト beruto (1) riem; gordel; ceintuur; lijfband; draagband; koppel; (2) drijfriem; (a) … zone; … gordel; -gebied
分野 bunya terrein; domein; gebied; veld; vlak; vak; tak; branche; sector
区間 kukan (1) ruimte tussen twee zones; districten; (2) [道路の] zone; [鉄道の] traject; sectie; baanvak; (3) gebied; district; territorium; (4) [wisk.] interval; (5) [sportt.] etappe; manche; [駅伝の] estafetteonderdeel; [scheepv.] slag; rak; (6) [maatwoord voor zones;etappes]
国土 kokudo (1) grondgebied; gebied; territorium; territoir; domein; terrein; land; rijk; (2) grond; aarde; (3) geboortestreek; geboorteplaats; geboortegrond; heimat
ken (1) sfeer; kring; domein; gebied; terrein; veld; zone; bereik; blok; (a) kring; gebied; (b) bolletje; kringetje
土地 tochi (1) grond; land; aarde; [vaderlandse enz.] bodem; (2) terrein; domein; stuk land; lap grond; [pregn.] lap; [pregn.] perceel; [lit.t.] landouw; (3) plaats; gebied; gewest; streek; regio; buurt; (4) territorium; domein; grondgebied
do (1) grond; bodem; aarde; (2) terrein; gebied; domein; land; territorium; streek; plaats; (3) tǔ [= 3e fase binnen de wǔxíng 五行]]; (4) zaterdag; [afk.] za.; (5) provincie Tosa; (6) Turkije; (a) grond; aarde; (b) land; gebied; streek; (c) tǔ; (d) Saturnus; (e) provincie Tosa
地区 chiku district; zone; sector; gebied; regio; streek; [i.h.b.] wijk; buurt; strook
地域 chiiki gebied; streek; regio; gewest; zone
地帯 chitai zone; gordel; streek; gebied; strook
地方 chihou (1) landstreek; gewest; gebied; regio; district; arrondissement; streek; kant; (2) platteland; provincie; regio; periferie; plaatselijk ~ [tgov. de stad;het centrum]
chi (1) aarde; bodem; land; grond; gebied; terrein; (2) plek; plaats; (3) [m.b.t. boek;bladzijde] voet
rachi (1) heining; omheining; schutting; (2) afbakening; afscheiding; grens; (3) ren; kraal; (a) heining; omheining; (b) perk; gebied; begrenzing
iki (1) gebied; domein; (2) grenzen; perken; (3) niveau; peil; (a) grens; terrein; gebied; (b) land; streek
境内 keidai (1) omheind terrein; gebied; omsloten ruimte; compound; (2) [rel.] tempelgrond; tempelterrein; domein; terrein van een heiligdom
kyou (1) plaats; streek; gebied; (2) gemoedstoestand; stemming; staat; (3) omgeving; situatie; (4) [boeddh.] viṣaya [= cognitief object]; vastu [= ding]; (a) grens; (b) gebied; terrein; domein; (c) situatie; toestand; (d) [boeddh.] viṣaya; gebied van de zintuigen
天地 tenchi (1) hemel en aarde; (2) heelal; universum; (3) wereld; schepping; natuur; (4) gebied; terrein; wereld; land; (5) boven- en onderkant
山地 sanchi berggebied; bergstreek; bergland; bergachtig terrein; gebied; bergachtige landstreek; gebergte
川上 kawakami (1) bovenloop; bovengedeelte van een rivier; stroomopwaarts gedeelte; gebied; bovenstroomse streek; (2) Kawakami [= titel van een kyōgen-stuk]; (3) Kawakami
川下 kawashimo benedenloop; benedengedeelte van een rivier; stroomafwaarts gedeelte; gebied
後進国 koushinkoku achtergebleven land; gebied; onderontwikkeld land; gebied
所;処 tokoro (1) plaats; plek; stee; oord; zetel [der regering enz.]; gebied; lokatie; ruimte; afstand; ligging; (2) adres; verblijfplaats; (3) [bij iem.] thuis; (4) [~の] streek-; … van het platteland; plaatselijk; plaatselijke; gewestelijk; gewestelijke; (5) deel; gedeelte; stuk; passage; (6) [弱い;強い] punt; kant; trek; (7) positie; rol; (8) omstandigheid; geval; gelegenheid; (9) [maatwoord voor plekken;stuks e.d.]; (10) [maatwoord voor godheden;edellieden e.d.]; (11) [op het] moment [dat …]; de tijd dat …; [op het] punt [staan te …]; [op het] ogenblik [dat …]; (12) een kwestie van …; in de orde van …; (13) dat wat …; datgene wat …; (14) waaraan; waarover; (15) toen …; wanneer …
方面 houmen (1) richting; streek; [ter] hoogte [van]; [in de] buurt [van]; ~ en daaromtrent; ~ en omgeving; ~ en omstreken; (2) gebied; terrein; vlak; facet; domein; kring; kant; aspect
本領 honryou (1) talent; gave; begaafdheid; capaciteit; competentie; kunnen; specialiteit; (2) functie; kerntaak; branche; terrein; gebied; competentiesfeer; (3) [gesch.] erfgebied; erfgrond; erfland; kernland
産地 sanchi productiegebied; productiestreek; [i.h.b.] teeltgebied; plaats van herkomst; gebied; streek waar iets vandaan komt; [fig.] kraamkamer
kai (1) omsloten ruimte; gebied; terrein; veld; domein; zone; sector; rijk; (2) vereniging; gezelschap; gemeenschap; kring; wereld; (3) grens; scheiding; (4) [boeddh.] dhātu; (5) liniëring; lijn [op papier]; (6) hulplijn; hulpstreep; (7) [biol.] Rijk; regnum; (8) [geol.] groep [lithostratigrafische eenheid]; (a) scheiding; afbakening; grens; (b) ruimte; sfeer; groep; gemeenschap
畑;畠 hatake (1) akker; veld; land; akkerland; [i.h.b.] plantage; (2) domein; gebied; terrein; branche; vak; (3) schoot; baarmoeder
空き地 akichi onbebouwd stuk land; terrein; gebied; lege ruimte; [i.h.b.] bouwterrein; stuk bouwgrond
範囲 hani bereik; omvang; bestek; sfeer; veld; kader; terrein; domein; gebied; kring; perken; grens; reikwijdte; scope; extensie; draagwijdte; [fig.] dracht; omvang; strekking; gamma
縄張り nawabari (1) het spannen van een touw; koord; afspanning; het omheinen; afzetten; omringen met touwen of koorden; (2) het leggen van een kordon; (3) terrein; domein; gebied; (4) invloedssfeer; krachtveld; machtsgebied; machtssfeer; (5) [biol.] territorium; (6) [bouwk.] aanleg van de omwalling; omgrachting
hen (1) buurt; omgeving; omtrek; wijk; gebied; gewest; omstreek; rondte; nabijheid; (2) omtrent ~ [drukt een benadering uit]; (3) [wisk.] zijde; rib [van meetkundige figuur]
部位 bui [geneesk.] streek; gebied
men (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst.;fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg.;volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen;sport: kendō;honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]; (9) [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels;luiten;suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]
領土 ryoudo territorium; territoir; grondgebied; gebied; gebiedsdeel
領地 ryouchi (1) territorium; territoir; grondgebied; gebied; domein; revier; (2) leengoed; leen
領域 ryouiki (1) territorium; territoir; domein; grondgebied; gebied; areaal; revier; (2) terrein; domein; gebied; branche; veld
ryou (1) [ritsuryō] districthoofd; (2) grondgebied; staatsgebied; territorium; territoir; gebied; bezitting; domein; (3) [maatwoord voor harnassen;kostuums e.d.]; (a) nek; kraag; (b) essentieel deel; (c) gebieden over; bezitten; (d) toezicht; [i.h.b.] chef; (e) ontvangen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.49 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 41 treffers (zoekopdracht: 'gebied'). 
2005-2026