日蘭辭典+

48 resultaten voor ‘staat’
日蘭辭典 (trefwoord)
kuni
(国) zn. (1) [國家] staat m.; rijk o. (2) [國土] land o. (3) 行政區劃 provincie v. (4) [故鄕] geboorteplaats v. (5) [領地] gebied o. ¶ nationaal. ¶ voor het vaderland.
kokka國家
(国家) zn. staat m.; rijk o.; natie v. ¶ 國家經濟 staathuishoudkunde; politieke economie. ¶ 國家系論策 staatkunde; staatsmanswijsheid. ¶ 國家の爲に死ぬ voor het vaderland sterven. ¶ 國家nationaal; staats-. ¶ 國家の事業 staatsbedrijven; gouvernementsbedrijven. ¶ 國家主義 nationalisme.
arisama有樣
(有り様・有様) zn. toestand m.; omstandigheiden v.mv.; situatie v.; staat m.; staat van zaken.
atou能ふ
(能う) i.w. kunnen. ¶ 能ふべき in staat om. ¶ 能はざる niet in staat om. ¶ 能ふべくんば zoo mogelijk. ¶ 能ふ限り al het mogelijk; Noot: Schrijftaal voor ‘dekiru’ (Kenkyusha, 1974).
jitai事態
zn. staat van zaken; toestand m.; omstandigheiden v.mv.; de tijden m.mv.
kōsen交戰

(交戦) zn. oorlog m.; strijd m.; gevecht o.; slag m. ¶ 交戰する oorlog voeren; strijd leveren; ¶ 交戰狀態 staat van oorlog. ¶ 交戰國 oorlogvoerende mogendheid. ¶ 交戰中 gedurende de vijandelijkheden.

zokuseki族籍

zn. burgerlijke staat en domicilie v.

zokkoku屬國

(属国) zn. ondergeschikte staat m.; afhankelijk land o.

zenpyō全豹
zenkyoku全局

zn. algemeene toestand m.; staat van zaken. ¶ 全局に亙りて alles bij elkaar; over het algemeen beschouwd. ¶ 全局の algemeen.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

utsuwa

(器) zn. (1) [容器] vat o. (2) [道具] gereedschap o.; werktuig o. ¶ 水は方圓の器に隨ふ water neemt den vorm aan van het vat, waarin het zich bevindt. ¶ 僕はその器ぢゃありません daartoe ben ik niet in staat; dat gaat boven mijn begrip.

uru得る

t.w. behalen; verkrijgen; hulpw. kunnen; i.w. in staat zijn; bij machte zijn. ¶ 後援者を得る helper vinden. ¶ 勝利を得る overwinning behalen. ¶ 蘭語を話し得る者 iemand, die Hollandsch praten kan. ¶ 一週間に四十圓を得る veertig yen in de week verdienen.

umi

(海) zn. zee v. ¶ 海が荒れてゐる er staat veel zee.

tsutomaru勤まる

(勤まる) i.w. geschikt zijn voor; in staat zijn om het werk te doen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
ingaritsu因果律
(identiek aan 因果法則 inga hōsoku) zn. het principe dat ieder verschijnsel een oorzaak heeft; wet van oorzaak en gevolg; causaliteit. ¶ が知りたいのは、科学の最先端で因果律がどう扱われているか? Watashi ga shiritai no wa, kagaku no saisentan de ingaritsu ga dō atsukawarete iru ka? [vert. lett.:] Wat ik weten wil is, hoe gaat men in de voorhoede van de wetenschap om met causaliteit? (blog) ¶ 十如是(じゅうにょぜ)とは、『法華経』方便品に説かれる因果律をいうJū'nyoze to wa, Hokekyō Hōbenbon ni tokareru ingaritsu to iu. Jū'nyoze (de tien staten of factoren in bepaalde vormen van Boedhisme) is de wet van oorzaak en gevolg die wordt uiteengezet in [het hoofdstuk] ‘Geschikt middel’van de Lotus Sutra. (BCWK) ¶ 因果律を信じ大乗を誹謗せず、ただただ無上道心を起すIngaritsu wo shinji Daijō wo hibōsezu, tadatada mujō dōshin wo okosu mono. Mensen die geloven in de wet van oorzaak en gevolg, geen kwaad spreken van Mahayana Boedhisme en slechts hopen verlichting te bereiken. (BCWK)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <staat>
ステート sutēto (1) staat; natie; rijk; (2) deelstaat; (3) toestand; staat; (4) stand; rang
プランテーション purantēshon plantage; [Sur.N.] staat; [Ind.N.] tuin
体面 taimen eer; aanzien; staat; prestige; [fig.] gezicht
体;躰 tai (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam; (9) [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden;lijken e.d.]; (a) lichaam; ledematen; (b) gedaante; vorm; (c) figuur; voorwerp; (d) wezen; essentie; substantie; (e) orgaan; organisatie; (f) lichamelijke opvoeding
具合 guai (1) staat; toestand; situatie; (2) gezondheidstoestand; (3) gelegenheid; goede gelegenheid; gepastheid; geschiktheid; (4) fatsoen; goede manieren; (5) manier; methode; wijze van doen; wijze van handelen
bun (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; (9) portie; dosis; hoeveelheid; (10) hoedanigheid; (11) -gehalte; (12) -tijd; (13) tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (14) [oude lengtemaat] 0,1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; (a) verdeling; opdeling; scheiding; (b) verduidelijking; (c) aftakking; apart deel; (d) bestanddeel; element; (e) tijdsgewricht; (f) attributie; plicht; (g) kwalificatie; hoedanigheid; positie; (h) staat; toestand; mate
sei (a) kracht; macht; energie; vitaliteit; (b) natuurkracht; (c) situatie; staat; toestand; (d) teelbal; (e) [mil.] troepensterkte; (f) [Jap.gesch.] provincie Ise 伊勢
国家 kokka staat; rijk; natie; land
kuni (1) land; territorium; (2) rijk; keizerrijk; koninkrijk; republiek; (3) staat; natie; overheid; (4) staatsburgerschap; nationaliteit; (5) provincie; gewest; (6) vaderland; moederland; heimat; land van oorsprong
koku (1) land; rijk; natie; staat; (2) provincie; gewest; (3) geboorteplaats; geboortedorp; plaats waar iemand geboren is; plaats waar iemand geboren en getogen is
境地 kyōchi (1) staat; fase; stadium; toestand; (2) [fig.] terrein; paden
境遇 kyōgū (1) milieu; omgeving; leefwereld; (2) (materiële) positie; situatie; staat; conditie; omstandigheden; toestand; lot; (3) maatschappelijke positie; rang; stand
kyō (1) plaats; streek; gebied; (2) gemoedstoestand; stemming; staat; (3) omgeving; situatie; (4) [boeddh.] viṣaya [= cognitief object]; vastu [= ding]; (a) grens; (b) gebied; terrein; domein; (c) situatie; toestand; (d) [boeddh.] viṣaya; gebied van de zintuigen
姿 sugata (1) figuur; gedaante; gestalte; vorm; [arch.] gestaltenis; (2) voorkomen; verschijning; aanzicht; (3) toestand; staat; gesteldheid; (4) gekleed als …; gestoken in …
kan (1) staat; regering; (2) staatsinstelling; overheidsorgaan; overheidsdienst; rijksdienst; (3) regeringsambtenaar; rijksambtenaar; overheidsambtenaar; overheidsdienaar; (4) grootkanselarij; (5) positie; rang; (a) staatsinstelling; overheidsdienst; (b) rijksambtenaar; overheidsdienaar; (c) functie; positie; (d) publiek; staatseigendom; (e) orgaan; zintuig
州;洲 shū (1) provincie; gewest; [in het V.K.] graafschap; (2) staat; deelstaat; [in Belg.] gewest; [in Duitsland;Oostenrijk] Land; [in Zwitserland] kanton; (3) continent; werelddeel
情事 jōji (1) hartszaak; (2) staat; omstandigheden; toestand; situatie; (3) hartsaangelegenheid; liefdesaangelegenheid; liefdesaffaire; liefdesbetrekking; liefdesverhouding; (4) liefdesavontuur; buitenechtelijke verhouding; relatie; affaire; liaison; avontuurtje; galanterie; amourette; romance; idylle; intimiteiten; [veroud.] minnarij
tai (1) vorm; gedaante; gestalte; voorkomen; (2) [taalk.] vorm; (a) staat; gesteldheid; toestand; conditie; situatie
有り様 ariyō (1) waarheid; ware toedracht; (2) toestand; staat; gesteldheid; conditie; (3) ideaal; ideale toestand; staat; (4) bestaanbaarheid; mogelijkheid
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; situatie; omstandigheden; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
栽培場 saibaijō plantage; aanplanting; aanplant; [Sur.N.] staat; [Ind.N.] tuin
様子 yōsu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
様態 yōtai (1) wijze; modus; (2) [fil.] modaliteit; (3) toestand; conditie; staat; gesteldheid
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
消息 shōsoku (1) nieuws; informatie; tijding; bericht; brief; contact; (2) toestand; staat; situatie; conditie; omstandigheden; (3) wederwaardigheden; lotgevallen; gebeurtenissen; ups en downs; wisselvalligheden; (4) aankondiging van de reden van z'n bezoek
状態;情態 jōtai toestand; gesteldheid; staat; stand (van zaken); status; omstandigheden; gebeuren; situatie; gelegenheid; conditie; constellatie; [inform.] bedoening
状況;情況 jōkyō omstandigheden; situatie; toestand; staat; stand van zaken; gebeuren
(1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport; (4) -brief; (5) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~
農園 nōen (1) [landb.] tuinderij; tuindersbedrijf; tuinbouwbedrijf; (2) plantage; aanplanting; aanplant; [Sur.N.] staat; [Ind.N.] tuin
農場 nōjō (1) boerderij; boerenhoeve; hoeve; boerenhofstede; hofstede; hofstee; havezate; havezaat; boerenerf; boerenplaats; ranch; rancho; farm; [gew.] doening; (2) plantage; [Sur.N.] staat; [Ind.N.] tuin
邦家 hōka land; staat; rijk
(a) land; staat; (b) Japans
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 16 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'staat'). 
2005-2026