日蘭辭典+

20 resultaten voor ‘genieten’
日蘭辭典 (trefwoord)
ajiwau味ふ
(味わう) t.w. (1) [味を見る] proeven. (2) [詩文等を] waardeeren; genieten. (3) [經驗] ervaren; ondervinden; ondergaan.
tanoshimi

(楽) (楽しみ) zn. (1) [愉快] vreugde v.; genot.; genoegen o. (2) [娯樂] vermaak o.; pleizier o.; pret v. (3) [幸福] geluk o. ¶ 樂む genieten van; vreugde scheppen in; zich vermaken met; zich verheugen over.

kyōju享受

zn. genot o. ¶ 享受する genieten; begunstigd zijn door.

yūsuzumi suru夕涼する

i.w. genieten van de avondkoelte.

yorokobu喜ぶ

i.w. blijde zijn; zich verheugen; t.w. genieten. ¶ 喜んで met genoegen; gaarne; ¶ 心から喜ぶ hartelijk blijde zijn; zich van harte verheugen. ¶ 彼の成功を喜ぶ ik verheug mij over zijn succes; ik ben blij, dat hij geslaagd is. ¶ 喜んで迎へる hartelijk verwelkomen.

yoku-suru浴する

i.w. (1) [水に] baden. (2) [恩惠に] genieten van; overladen worden met; begunstigd worden.

tsukimi月見

zn. genieten van het maanlicht. ¶ 月見草 primula; sleutelbloem.

SUPPLEMENT (trefwoord)
hoshū補習
(zn; -suru ww.) Het geven van onderwijs buiten de reguliere schooltijden voor het bijbrengen van extra kennis; aanvullend onderwijs; aanvullende les; bijles. ¶ 補習する hoshūsuru bijles geven; aanvullend onderwijs geven. ¶ 補習教育 hoshū kyōiku aanvullend onderwijs; voortgezet onderwijs. ¶ 先生も連休をエンジョイしたかったが、どっかの6人組の補習やら準備やらで連休無かったぞ! Sensei mo renkyū wo enjoi shitakatta ga, dokka no roku-ningumi no hoshū yara junbi yara de renkyū nakatta zo! Ik had ook van de vakantieperiode willen genieten, maar door aanvullende lessen, voorbereidingen en wat al niet voor een zekere ploeg van zes personen had ik helemaal geen vakantie! (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <genieten>
与る azukaru (1) betrokken zijn bij; deelnemen aan; in; een rol spelen bij; een factor zijn in; de hand hebben in; deel hebben aan; bijdragen tot; meewerken aan; participeren in; aandeel hebben in; gekend worden in; (2) [お褒めに] genieten; [お招きに] ontvangen; deelachtig worden; delen in
享受する kyōjusuru hebben; genieten; het genot hebben van; jouïsseren; beschikken over
享有する kyōyūsuru genieten; hebben; bezitten; beschikken over; [jur.] het genot hebben van
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek;ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
受給する jukyūsuru ontvangen; krijgen; trekken; genieten
授かる sazukaru (1) geschonken; toegekend krijgen; gezegend; begiftigd zijn met; bedacht worden met; genieten; ontvangen; (2) les; onderricht krijgen in; onderwezen worden in; ingewijd worden in
浴する yokusuru (1) een bad nemen; baden; (2) genieten; zich verheugen in
被る kōmuru [叱責を] krijgen; [恩恵を] genieten; [損を] lijden; [損害を] oplopen; ondergaan; incasseren; [不興を] zich op de hals halen
観賞する kanshōsuru genieten; appreciëren
設ける mōkeru (1) voorbereiden; klaarmaken; gereedmaken; in gereedheid brengen; voorzien in; plannen; (2) aanmaken; opstellen; ontwerpen; vormen; oprichten; opzetten; organiseren; op touw zetten; inrichten; stichten; vestigen; instellen; (3) [妻;夫;義理の親;子供を] krijgen; (4) [病気を] oplopen; opdoen; [gew.] halen; (5) [利潤を] behalen; genieten; oogsten
誇る hokoru (1) trots zijn op; prat gaan op; fier zijn op; zich beroemen op; bogen op; zich als een verdienste aanrekenen; (2) in het gelukkige bezit zijn van; gezegend zijn met; zich mogen verheugen in; genieten; (3) opscheppen over; hoog opgeven van; snoeven op; bluffen; pochen; breed opgeven van; grootdoen; (4) weelderig; royaal leven; op grote voet leven; een hoge; grote staat voeren
shō (1) prijs; (2) [maatwoord voor prijzen]; (a) lofprijzing; lof; verheerlijking; (b) prijs; beloning; (c) liefhebben; genieten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.33 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'genieten'). 
2005-2026