
蘭
典
日蘭辭典+
(凹む) i.w. hol worden; inzinken. ¶ 窪んだ hol; ingezonken; ingevallen.
zn. geboorte v.; vleeschwording v. ¶ 降誕する geboren worden. ¶ 基督降誕祭 kerstmis.
zn. beleefde behandeling uit vrees. ¶ 強持がする uit vrees beleefd behandeld worden.
zn. doodstraf door ophanging. ¶ 絞罪になる aan de galg komen; opgehangen worden.
zn. uitdeeling v.; verdeeling v. ¶ 配り番 beurt om te geven. ¶ 配牌 presenteren, welke worden uitgedeeld.
i.w. (1) [痛む] lijden. (2) [悩む] gekweld worden; zuchten onder. ¶ 返答に苦む niet weten, wat te antwoorden.
(狂気) zn. krankzinnigheid v.; verstandsverbijstering v. ¶ 狂氣の krankzinnig; gek; waanzinnig. ¶ 狂氣する waanzinnig worden; het verstand verliezen.
zn. paniek v.; consternatie v. ¶ 恐慌を來す door paniek aangegrepen worden; in paniek zijn.
zn. vernietiging v.; uitroeiing v. ¶ 全滅する vernietigd worden.
(騒つく) i.w. opgewonden raken; luidruchtig worden.
(有体の) bn. materieel; stoffelijk. ¶ 有體物 stoffelijk lichaam. ¶ 有體化する belichaamd worden; materialiseeren. ¶ 有體財產 stoffelijke goederen; materieele rijkdom.
t.w. (1) [繩等を] losmaken; vieren. (2) [速力を] verlangzamen; vertragen. (3) [稀薄] verdunnen. ¶ 手を緩める loslaten; laten schieten; houvast verliezen. ¶ 心を緩める aandacht laten verslappen. ¶ 罰を緩める straf verlichten. ¶ 腹を緩める purgeeren; laxeeren. ¶ 手綱を緩める teugels vieren. ¶ 緩み verslapping; vertraging; vermindering van spanning; verlichting; verzachting. ¶ 緩む losraken; slapper worden; minder worden; vertraagd worden; verzacht worden. ¶ 腹が緩む loslijvig zijn; diarrhee hebben.
i.w. door de duisternis overvallen worden.
zn. samensmelting v.; fusie v. ¶ 融合する samensmelten met; één worden; harmonieeren.
i.w. (1) [水に] baden. (2) [恩惠に] genieten van; overladen worden met; begunstigd worden.
zn. smelting v.; oplossing v. ¶ 溶解する vloeibaar worden; smelten; oplossen (液體中に). ¶ 溶解せぬ onoplosbaar. ¶ 溶解液 oplossing. ¶ 溶解力 mate van oplosbaarheid. ¶ 溶解性 oplosbaarheid. ¶ 溶解劑 oplossingsmiddel.
(酔) zn. dronkenschap v. ¶ 醉が醒める uit zijn roes ontwaken; weer nuchter worden.
i.w. uitgenoodigd worden.
zn. vermagering v. ¶ 窶れる vermageren; mager worden; wegkwijnen.
(焼ける) i.w. (1) [燃燒] branden; verbranden. (2) [パンが] gebakken worden; geroosterd worden. (3) [焦げる] schroeien; verschroeien; verschroeid worden. (4) [變色] verschieten. (5) [日に焦げる] verbrand zijn. (6) [胸が] branderig gevoel hebben; maagvlam hebben. (7) [妬む] jaloersch zijn. (8) [空が] gloeien; in vlam staan. ¶ 眞赤に燒けた roodgloeiend.
(悪擦) zn. verderfelijke omgang m.; verdorvenheid v. ¶ 惡擦れる door slecht gezelschap bedorven worden; verdorven zijn.
zn. lach m.; spotlach (嘲笑) m.; glimlach (微笑). ¶ 世人の笑を招く zich belachelijk maken. ¶ 笑出す beginnen te lachen; in lachen uitbarsten (大きな聲で). ¶ 笑顔 lachend gezicht. ¶ 笑事 belachelijks. ¶ 笑草にする belachelijk maken; bespotten. ¶ 笑草になる zich bespottelijk maken; uitgelachen worden. ¶ 笑上戸 iemand, die een vroolijken dronk heeft; goedlachsch iemand.
zn. verslaafdheid v. ¶ 惑溺する overslaafd zijn aan; opgaan in; bekoord zijn door; verleid worden door.
t.w. (1) [了解] begrijpen; weten; verstaan; onderscheiden; i.w. duidelijk zijn; i.w. (2) [曉見する] aan den dag komen; blijken; aan het licht komen; ontdekt worden. (3) [理解がある] voor rede vatbaar zijn; intelligent zijn; royaal zijn (吝嗇でない). ¶ 意味が分る de beteekenis begrijpen. ¶ 解つて來る duidelijk worden; blijken. ¶ 解りましたか begrijp je?; (俗) snap je? ¶ 君の言ふ事は解らない ik versta je niet; ik begrijp niet, wat je zegt. ¶ 確な處は解りません ik kan het niet met zekerheid zeggen. ¶ それで解つた o, nu begrijp ik het. ¶ 言はんでも解つてゐる het spreekt vanzelf. ¶ 道が解つて居るか weet je den weg? ¶ あの人は譯が解つてる hij heeft gezond verstand.
zn. (1) [疑ぐり] achterdocht v.; argwaan m. (2) [恨] wrok v. (3) [誤解] misverstand o. (4) [隔意] voorbehoud o. ¶ 心中に蟠がある iets op het hart hebben; verborgen bedoelingen hebben. ¶ 蟠る gekronkeld liggen (蛇が); gekoesterd worden (考が). ¶ 兩者の間に惡感情が蟠って居る zij koesteren wrok tegen elkaar.
i.w. flauwer en flauwer worden; geleidelijk verdwijnen.
i.w. lichter worden; flauwer worden; verflauwen; verslappen.
zn. (1) [濕氣] vocht v.; damp m. (2) [利潤] voordeel o. (3) [滋味] bekoring v.; smaak m. ¶ 潤ある voordeelig; gunstig; bekoorlijk; aantrekkelijk; innemend; (潤なき) vervelend; saai. ¶ 潤す(ぬらす) bevochtigen; nat maken; (富ます) verrijken; bevoordeelen; gunst bewijzen (恩澤を受けしむ). ¶ 潤ふ vochtig zijn; voordeel behalen; verdienen; begunstigd worden; gunsten ontvangen.
i.w. geboren worden; het levenslicht aanschouwen.
(打続く) i.w. lang voortgezet worden; lang voortduren.
zn. onthoofding v. ¶ 打首になる onthoofd worden. ¶ 打首にする onthoofden; het hoofd afslaan.
i.w. geworpen worden; aanspoelen.
zn. samenvatting v.; besluit o.; conclusie. ¶ 約る samengevat worden; neerkomen op.
(続く) i.w. voortduren; voortgezet worden; (後に續く) volgen; erna komen; bn. voortdurend; voortgezet. ¶ 本日より續いて van nu af aan; in ’t vervolg. ¶ 續いて voortdurend; achtereenvolgens.
(伝はる) i.w. (1) [傳飛] uit overlevering bekend zijn. (2) [傳來] ingevoerd zijn. (3) [傳播] verspreid worden. ¶ 昔から傳はつた話 oude legende; overlevering. ¶ 音響の傳はる時間 tijd benoodigd voor de overbrenging van een geluid. ¶ 手から手へと傳はる van hand tot hand gaan. ¶ 後繼者に傳はる overgaan op de erfgenamen. ¶ 針金には電氣が傳はつてゐる er gaat stroom door de draden; de draden zijn electrisch geladen.
t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.
i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.
(捕まる) i.w. gegrepen worden; gepakt worden; in handen vallen; (物によつて體を支へる) zich vastklemmen aan; goed vasthouden; vastklampen.
i.w. (1) [通過] passeeren; voorbijgaan. (2) [精通] grondig op de hoogte zijn; t.w. kennen. i.w. (3) [了解] verstaan worden; gangbaar zijn. (4) [姦通] onzedelijke betrekkingen hebben; liaison hebben. (5) [內應] in ’t geheim in verbinding staan t.w. (6) [通過さす] laten passeeren; doorlaten. (7) [連絡] verbinden. (8) [知らす] laten weten; bekend maken. ¶ 都市には鐵道が通じてゐます de voornaamste steden zijn door spoorwegen verbonden. ¶ 蘭語に通じる goed Hollandsch kennen. ¶ 英語の通じない處はない Engelsch wordt overal verstaan. ¶ 敵に通じる in geheime relatie staan met den vijand. ¶ 女と通じる scharrelen met een vrouw. ¶ 橋を通じる door een brug verbinden; brug slaan. ¶ 電流を通じる stroom sluiten. ¶ 意志を通じる bedoeling bekend maken. ¶ 電話が通じない de telefoon geeft geen gehoor.
Tijd: 1.37 sec. jiten.nl: 102 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'worden').
