
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
yashin・野心
zn. hebzucht v.; agressieve bedoelingen v.mv.; eerzuchtige plannen o.mv.; begeerigheid v. ¶ 蘭領印度に對して野心を懷く begeerige ogen slaan op Nederlandsch Indië; agressieve bedoelingen koesten [sic] ten aanzien van Nederlandsch Indië.
to・と
vw. (1) [及び] en. bw. (2) [さうすると] dan. (3) [假定] indien; als. vz. (4) [一緖に] met. (5) [丁度其時] wanneer; zoodra; toen. ¶ 犬と猫 honden en katten. ¶ 英國との同盟 verbond met Engeland. ¶ 友達と別れる scheiden van zijn vrienden. ¶ 食事が終わると als we klaar zijn met eten; zoodra het eten afgelopen is. ¶ あの人が君の叔父さんと思った ik zag dien man voor je oom aan; ik dacht, dat het je oom was.
mieru・見える
i.w. (1) [眼に映る] zichtbaar zijn; gezien kunnen worden; in ’t gezicht komen. (2) [らしい] er uitzien als; aanzien hebben van; schijnen te zijn. (3) [出現] opdagen; verschijnen; komen. ¶ 見えなくなる onzichtbaar worden; verdwijnen. ¶ 見え出す in het gezicht komen. ¶ 日本人とは見えない hij ziet er niet uit als een Japanner. ¶ 彼は病氣と見える hij schijnt ziek te zijn. ¶ 先生はまだ見えない de leeraar is er nog niet.
yūryoku na・有力な
bn. machtig; invloedrijk; toonaangevend; notabel; van invloed; van aanzien; sterk; krachtig. ¶ 有力者 man van invloed.
waki・脇
zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kanroku・貫禄
De waardigheid, de stijl etc. die mensen van iemand ervaren door zijn of haar houding of figuur; het gezag of gewicht dat iemand heeft; prestige; status; autoriteit; overwicht; aanzien; tegenwoordigheid; voorkomen; ernst. ¶ 貫禄のある kanroku no aru gewichting; belangrijk; aanzienlijk; gerespecteerd; vooraanstaand; prominent; notabel. ¶ 貫禄がついた kanroku ga tsuita (idem.) ¶ 君は課長としての貫禄がないね。 Kimi wa kachō to shite no kanroku ga nai ne. Je mist de autoriteit van een afdelingshoofd.; Je hebt niet het gezag van een afdelingshoofd.; Je hebt voor een afdelingshoofd niet genoeg aanzien. (TTC)
NB het woord 貫禄 kanroku verwees oorspronkelijk naar (de omvang van) het salaris van een samurai in dienstbetrekking, en afgeleid daarvan zijn belangrijkheid.
NB het woord 貫禄 kanroku verwees oorspronkelijk naar (de omvang van) het salaris van een samurai in dienstbetrekking, en afgeleid daarvan zijn belangrijkheid.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aanzien>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
じっと見る jittomiru staren; turen; spieden; strak aankijken; aanzien; aandachtig bekijken; bezien; aanstaren; gadeslaan
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
ウエート ueeto (1) gewicht; zwaarte; (2) gewicht; gewichtigheid; belang; invloed; aanzien; nadruk; klemtoon
ルック rukku uiterlijk; voorkomen; aanzien; look
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
体面 taimen eer; aanzien; staat; prestige; [fig.] gezicht
信用 shinyou (1) geloof; vertrouwen; [inform.] fiducie; [form.] confidentie; [veroud.] betrouwen; (2) reputatie; goede naam; aanzien; gezag; prestige; [fig.] krediet; (3) [kooph.] credit; krediet
受け uke (1) bak(je); vak; houder; vang; (2) aanzien; achting; prestige; reputatie; populariteit; waardering; onthaal; (3) [ton.] bijfiguur; bijrol; (4) defensief; verdedigende; defensieve houding; (5) aanvaarding; instemming; (6) passieve; ontvangende partner
名取 natori (1) accreditatie binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; het aannemen van een door z'n artistiek meester verleende naam; (2) erkend meester binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; houder van een professionele naam binnen de Japanse muziek; choreografie; (3) vermaardheid; reputatie; faam; aanzien; beroemdheid; (4) Natori [stad in het centrum van de prefectuur Miyagi]
名取り natori (1) accreditatie binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; het aannemen van een door z'n artistiek meester verleende naam; (2) erkend meester binnen een bepaalde muzikale of choreografische school; houder van een professionele naam binnen de Japanse muziek; choreografie; (3) vermaardheid; reputatie; faam; aanzien; beroemdheid
声望 seibou goede reputatie; goede naam en faam; beroemdheid; aanzien; prestige; cachet
外見 gaiken uiterlijk; uitwendig voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
威信 ishin (1) aanzien; gezag; autoriteit; waardigheid; digniteit; statuur; prestige; cachet; eer; reputatie; geloofwaardigheid; credibiliteit; achtenswaardigheid; respectabiliteit; (2) [~県] arrondissement Wēixìn
家柄 iegara (1) status; aanzien; prestige van een familie; (2) afstamming; herkomst; afkomst; (3) voorname; deftige; achtbare; respectabele; aanzienlijke familie; goede komaf
尊ぶ toutobu respecteren; eerbiedigen; respect; eerbied hebben voor; eren; achten; aanzien; opzien tegen
打ち守る uchimamoru (1) staren; strak aankijken; aanzien; aanstaren; in de gaten houden; (2) goed bewaren; goed vrijwaren
暖簾 noren (1) gesplit gordijntje aan een winkelingang met de naam van de zaak erop; winkelgordijn; (2) gesplit gordijntje aan de ingang van een vertrek; (3) reputatie van een winkel; zaak; aanzien; goede naam; vermaardheid; krediet
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
様相 yousou (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; plaatje; aspect; (2) [fil.] modaliteit
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
沽券 koken waardigheid; goede naam; achting; aanzien; prestige
目す mokusu (1) zien; bezien; bekijken; (2) beschouwen; aanzien; houden voor; achten; (3) met het oog wenken; een oogwenk geven
見せ掛け misekake (1) voorkomen; uiterlijk; aanschijn; aanzien; [Belg.N.;niet alg.] uitzicht; (2) schijn; show; het voordoen; komedie; veinzerij; huichelarij; geveins; gehuichel; schijnvertoning; het doen alsof
見る;看る;視る;観る miru (1) zien; kijken (naar); [inform.] loeken; bekijken; bezien; bekennen; aanzien; aankijken; gadeslaan; bezichtigen; beschouwen; in aanmerking nemen; [arch.] aanschouwen; [lit.t.] blikken; [Barg.] brillen; [Barg.] spannen; afgaande op …; getuige [het feit dat … enz.]; te oordelen naar …; uitgaande van …; (2) lezen; doorkijken; [新聞を] doorlopen; inzage nemen; inzien; naslaan [in een woordenboek e.d.]; raadplegen; consulteren; nazien; nagaan; checken; controleren; (3) ervaren; meemaken; ondervinden; beleven; (4) zorgen voor; verzorgen; passen op; letten op; toezien op; behartigen; waken over; toezien op; verplegen; [面倒を] zich aantrekken; (5) [iets bij wijze van proef doen]; (6) als je zou …; mocht je …; [gew.] moest je … [eindigend op de partikels ば of と]; (7) nu …; nou …; in de zich thans voordoende situatie dat … [eindigend op het partikel ば]; (8) wanneer …; toen … [eindigend op de partikels ば of と]; (9) ware … het geval
見做す;看做す minasu beschouwen; aanzien; bezien; houden voor; achten; zien; opvatten; vinden; aanmerken; (zich) aanrekenen
見合う miau (1) beantwoorden aan; overeenkomen met; passen bij; sporen met; overeenstemmen met; in overeenstemming zijn met; stroken met; kloppen met; opwegen tegen; evenredig zijn aan; in proportie; verhouding staan tot; (2) elkaar ontmoeten met de bedoeling om te huwen; (3) toevallig zien; ontmoeten; (4) elkaar bekijken; aankijken; aanzien; aanstaren; (5) gezamenlijk kijken naar
見守る mimamoru toekijken; aankijken; aanzien; gadeslaan; [veroud.] gaslaan; in de gaten houden; in het oog houden; waken over; letten op; opletten op; acht slaan op
見据える misueru (1) staren; turen; spieden; starogen; strak aankijken; aanzien; aanstaren; aanblikken; aangapen; aandachtig kijken; bekijken; bezien; de ogen fixeren op; de blik vestigen; concentreren op; gadeslaan; (2) goed bekijken; onderzoeken; nagaan; zich vergewissen van; vaststellen; bepalen
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見詰める mitsumeru staren; turen; spieden; starogen; strak aankijken; aanzien; aanstaren; aanblikken; aangapen; aandachtig kijken; bekijken; bezien; er z'n ogen op fixeren; gadeslaan
覚え oboe (1) het leren; het instuderen; memorisatie; geheugenwerk; (2) geheugen; herinnering; heugenis; memorie; (3) ervaring; belevenis; (4) vertrouwen; zelfvertrouwen; gerustheid; (5) achting; waardering; aanzien; [inform.] fiducie; (6) memorandum; nota; aantekening; akte
観 kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
評判 hyouban (1) faam; reputatie; naam; roep; (publieke) achting; aanzien; notoriteit; [i.h.b.] populariteit; (2) praatje; gerucht; opspraak; roddel
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; bekrachtigen; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
身分 mibun (1) positie; omstandigheden; (2) rang; stand; klasse; (sociale) status; (maatschappelijk) aanzien; (3) afkomst; [高い~] geboorte; identiteit
身柄 migara (1) persoon; (2) positie; stand; status; (3) standing; aanzien
重み omomi (1) gewicht; zwaarte; (2) belang; gewichtigheid; belangrijkheid; lading; invloed; aanzien
面子;メンツ mentsu eer; reputatie; prestige; aanzien; gezicht; standing; goede naam
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
風貌 fuubou uiterlijk; uitwendige gedaante; fysieke verschijning; voorkomen; aanzien
Tijd: 1.72 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 43 treffers (zoekopdracht: 'aanzien').
2005-2026
